Een inventarisstaat van de Sint Martinuskerk in 1816 én de oprichting van een nieuw kerkhof te Weert – Wil Filott

De Sint Martinuskerk in Weert voor het plaatsen van de toren ‘De Lange Jan’ in 1887 – Bron- Weert in kaart

In het gemeentearchief van Weert bevindt zich een handgeschreven inventarisstaat van de Sint Martinuskerk uit 1816, opgesteld door Joseph Waegemans.[1]

 

Joseph Waegemans was kerkmeester/kassier van de Sint Martinusparochie in Weert.[2] In 1816 trad hij

Inventarisatiestaat St. Martinuskerk

terug als kerkmeester. Bij gelegenheid van zijn aftreden heeft hij een staat opgemaakt van papieren en van enkele voorwerpen van de parochie die hij onder zijn beheer had. Het document begint  met: “Staat van inventaris van het geene annex is ofte toebehoorende aan de parochiale Kerk alhier van Weert, gemaakt den 14 Meij 1816 door De heer joseph Waegemans, afgaande Kerkmeester”.

Het gaat in het kader van dit artikel te ver om een opsomming te geven van alle in de inventarisstaat vermelde 108 documenten en voorwerpen.

Ik volsta met een kleine selectie daarvan. De documenten op die inventarislijstzijn in een aantal categorien onder te verdelen. Ik houd in dit artikel de nummering aan van de inventarisstaat.

Kapellen in de buitenieën

Inventarisatie kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar

Als eerste is in de inventarisstaat een viertal documenten opgenomen over kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar.[3] Deze ressorteerden onder het bestuur van de parochie van Sint Martinus. Deze kapellen bestaan nu nog, zij het dat zij zich niet in dezelfde staat of op dezelfde plekbevinden als in het begin van de 19de eeuw.

Sint Antoniuskapel (Teuniskapel), Altweerterkapelstraat 6, Altweert – Bron – www.kerkgebouwen-in-limburg.nl:kerken:weert:theuniskapel-st-antoniuskapel

 

Een kloksken voor Tungelroy

Als document 5 is in de inventarisstaat opgenomen: “een brief van Tungelroij aangaende een kloksken”.

Brief verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk in Tungelroy

In 1792 was in Tungelroy een begin gemaakt met de bouw van een kerk ter vervanging van een kapel. De eerste steen daarvoor werd gelegd door de pastoor van Weert, Joseph Janssens. De brief hield waarschijnlijk een verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk.[4]

 

Rentebrieven en obligaties

Verder wordt er in de inventaristaat een groot aantal rentebrieven en obligaties vermeld. Rentebrieven en obligaties zijn documenten waarin vastgelegd is aan wie de kerk geld had uitgeleend en tegen welke voorwaarden.

De opbrengsten van deze geldleningen vormden voor de kerk een belangrijke bron van inkomsten. De schuldenaren zijn met naam in de inventarisstaat opgenomen.

Inventarisatiestaat

Een opvallende naam is die van pastoor Janssens, die bovendien de hoogste schulden had, te weten 970 en 1500 gulden.[5]

De schulden luiden in verschillende denominaties; de meeste in guldens, enkele in francs en pattacons. De reden daarvan is gelegen in het feit dat Weert eind 18de/begin 19de eeuw achtereenvolgens behoorde tot Oostenrijks Opper-Gelre, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

 

Fysieke voorwerpen

Behalve documenten worden er ook enkele fysieke voorwerpen vermeld: een sluitende lessenaar, een tinnen kelk, een sleutel van het offerblok van Onze Lieve Vrouw, een sleutel van de binnendeur, sleutels van de kleine offerblokken, sleutels van de kast van de schaal, twee zilveren bekers.

 

Een nieuw kerkhof

Een aantal documenten in de inventarisstaat betreft de aanleg van een nieuw kerkhof. De hierna vermelde documenten hebben betrekking op dat  kerkhof:

  • 12 edict van het oprichten van nieuwe kerkhoven buiten de steden 26 juni 1784;
  • 13 conditie van steenbakken voor het nieuwe kerkhof 1784;
  • 14 decreet over de instaatstelling van het nieuwe kerkhof;
Inventarisatiestaat aanleg nieuw kerkhof
  • 15 een brief aan de kerkmeesters der stad Weert, zijnde een bericht, om te ontvangen drie duizend gulden wisselgeld te Brussel, om het nieuwe kerkhof op te bouwen;
  • 16 onderpand voor de interest voor het opgenomen geld van de religie, verordonneerd door de raad en momboir Stiens 1785;
  • 17 accoord voor het metselen rondom het nieuwe kerkhof 1785;
  • 24 ordonnantie van het magistraat, wanneer men moet beginnen te begraven op het nieuwe kerkhof;
  • 27 brief van de momboir met de last om weer te begraven op het nieuwe kerkhof;[6]
  • 31 conditie van verkochte stenen, die nog overgebleven zijn van het kerkhof, daarbij nog een lijstje.
  • Zoals we hiervoor gezien hebben, heeft een aantal documenten betrekking op een nieuw kerkhof. Dat was voor mij aanleiding om me verder in de totstandkoming daarvan te verdiepen.

     

    Begraven tot eind 18de eeuw

    Tot eind 18de eeuw was het gebruikelijk dat geestelijken en (belang)rijke personen in de kerk werden begraven. Minder belangrijke en arme stervelingen werden op het kerkhof vlak bij de kerk begraven. Zo ook in Weert. Voor het begraven in de kerk moest betaald worden. Hoe dichter bij het (hoog)altaar, hoe hoger de prijs.  De graven in de kerk waren een belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Het aantal bergraafplaatsen in de kerk was echter beperkt. Daarom werden bestaande graven in de kerk geopend voor nieuwe bijzettingen. Dat leidde tot veel ongemak en – wat wellicht nog erger was- tot grote stank, als de lichamen van eerder begraven doden nog niet geheel waren vergaan.[7]

    Sint Martinus, begrafenisregister

    De grootouders van moederszijde van kerkmeester Joseph Waegemans, Claudius Emmanuel de Brias (plaatsvervangend schout en belastingontvanger) en Maria Helena van Bree zijn in de Sint-Martinuskerk begraven.

    De grootmoeder, Maria Helena van Bree, is op 12 januari 1755 in het koor van de Sint-Martinuskerk begraven te Weert.

    Sint Martinus, begrafenisregister

     

     

     

    De grootvader, Claudius Emmanuel de Brias, is op 13 februari 1756 begraven in de Martinuskerk midden in het koor.[8] Vermeldenswaard is dat van Claudius Emmanuel de Brias wordt vermeld dat hij `receptor jurium suae majestatis in oppido Werthensis´, ontvanger van de belastingen van hare majesteit (keizerin Maria Theresia) in de stad Weert) was.[9]

    Weert in Opper-Gelre, Oostenrijkse Nederlanden

    Opper-Gelre (hertogdom Gelre) in 1789

    Weert behoorde tot Opper-Gelre (hertogdom Gelre), dat sinds 1715 deel uitmaakte van de zogenaamde Oostenrijkse Nederlanden. Hoofdplaats van Opper-Gelre was Roermond. De regering van de Oostenrijkse Nederlanden zetelde in Brussel.

    Portret van keizerin Maria Theresia.Bron- Historiehuis Roermond

    Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk wilde een eind maken aan de onhygiënische toestanden,

    die het begraven in de kerk opleverden. In 1771 gaf ze aan de Raad van Vlaanderen een memorie over de nadelen van de gewoonte om binnen de steden en vooral in de kerken te begraven.

    De Raad van Vlaanderen bracht daarover een positief advies uit met onder meer het argument dat men nog van geluk kon spreken als men `s morgens bij het binnentreden van de kerk niet anders ondervond dan een tijdelijk onpasselijkheid. Tot een verbod kwam het echter niet.[10]

     

    Het edict van keizer Jozef II van Oostenrijk over begrafenissen

    Keizer Jozeph II van Oostenrijk

    Keizer Jozef II van Oostenrijk, oudste zoon van keizerin Maria Theresia, volgde haar op. Zijn optreden kan worden gekenschetst als dat van een verlicht despoot. Hij streefde er onder meer naar de kerk ondergeschikt te maken aan de staat.

    Begin van het Edict van 26 juni 1784

    Jozeph II vaardigde op 26 juni 1784 het “Edict van den Keyser aengaende de begraeffennissen” uit. Het edict verbood het begraven in kerken, kapellen, bidplaatsen en andere overdekte gebouwen, zowel in de steden als daarbuiten, en het begraven op kerkhoven in de “steden, vlecken en borghten”.

     

     

     

    Het werd verplicht om kerkhoven aan te leggen buiten de bebouwde kom. Het edict spreekt over kerkhoven hoewel de begraafplaatsen niet bij een kerk in die kernen gesitueerd mochten worden. De “Bestierders van de Parochien” moesten voor de aanleg en het beheer van die kerkhoven zorgdragen. De magistraat van de stad (het stadsbestuur) moest met toestemming van het gouvernement te Brussel de plaats van het kerkhof aanwijzen.

    Het begrafenisverbod in kerken gold niet voor de Oostenrijkse Habsburgers. In de Kapuzinergruft in Wenen zijn 146 lichamen of harten van leden van deze familie bijgezet onder andere van Maria Theresia en Jozef II. Deze grafkelder is thans een toeristische attractie. Volgens artikel 26 van de huidige Nederlandse Wet op de lijkbezorging is een graf of grafkelder in een kerk of een ander gesloten gebouw niet toegestaan. Maar dat geldt niet voor leden van de Nederlandse Koninklijke Familie. Sterker nog: de hele Wet op de lijkbezorging is volgens artikel 87 lid 1 van die wet niet van toepassing op leden van het Koninklijk Huis. De koning en zijn familie staan blijkbaar boven de wet.

     

    De aanwijzing van de plaats van het kerkhof in Weert[11]

    Rumolduskapel bij de Molenpoort (Mile Poorte) op Ferrariskaart 1877

    In Weert lag het parochiële kerkhof rond de Sint Martinuskerk, dus in de stad. Er moest dus volgens het edict naar een andere plek buiten de stad gezocht worden voor een nieuwe begraafplaats.

    Na een vergeefse poging van de magistraat van Weert om het kerkhof van de Minderbroeders aan de Biest en een groot deel van de naastliggende tuin als kerkhof aan te wijzen, viel de keuze op een terrein bij de Sint-Rumolduskapel buiten de Molenpoort.

     

    De magistraat had zonder toestemming en zonder overleg met de gardiaan van het klooster aan de Biest het plan opgevat het kerkhof van de minderbroeders en een deel van de daarbij liggende tuin, die buiten de stad lagen, te bestemmen tot begraafplaats voor Weert. Nadat de gardiaan kennis had gekregen van dat plan, wendde hij zich tot de provinciaal te Brussel. Deze bewerkstelligde dat het plan geen doorgang vond.

    Sint-Rumolduskapel 2024 – Foto-Wil Filott

     

     

    De “Bestierders der Parochie” waren verplicht dat terrein bij de Sint Rumolduskapel te kopen. Het kerkbestuur bleef verantwoordelijk voor de uitbating van het kerkhof. Het kerkhof moest volgens het edict ommuurd zijn. Verder moest er een kruis en een woning voor de grafdelver, die tevens als bewaker zou optreden, komen. Ook moesten de “Bestierders” onder goedkeuring van de magistraat zorgen voor de nodige “bedekte Waegens… om de lyken van de Kapelle, Bid-Plaats of Lyk-Kaemer” naar het kerkhof te transporteren. Als een parochie de kosten van de oprichting van het kerkhof niet kon bekostigen, kon van de Religie-Kas te Brussel een voorschot verkregen worden dat met drie procent rente terugbetaald moest worden.[12] Dat was in Weert het geval. De kerkmeesters van de Sint-Martinus vroegen aan de Religie-Kas voor het oprichten van de begraafplaats een lening van drieduizend Brabantse wisselguldens, die ook toegekend werd.

     

    De totstandkoming van de begraafplaats

    De totstandkoming van de begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel liep niet van een leien dakje. De ommuring was niet tijdig klaar; daarom werd er een gracht gegraven. De stenen voor de ommuring werden in een veldbrandoven in de buurt van een leemkuil bij Hushoven gebakken. Het decreet liet toe gedenktekens op de begraafplaats op te richten, maar die mochten geen grondoppervlakte innemen. Ze werden daarom tegen de muur van de begraafplaats geplaatst. Grafmonumenten uit die tijd zijn helaas op de nog steeds in gebruik zijnde begraafplaats niet te vinden. De Sint-Rumolduskapel werd aangewezen als lijkkamer. Overledenen moesten daar voor de begrafenis naar toe worden gebracht. Begrafenissen vonden ’s avonds of ’s morgens vroeg plaats.

    In de ”Chroniek der stad Weert van 1784 tot 1802” van Lambertus Goofers staat hierover:

    “”…en men kon begraven smorgens vroeg en savons laet; het gebruyk was op savons om sonne ondergank, maer van den waegen en is niets van gekomen; en op de 30 november is hij geweyd met de prosessie, de welke aldaer naer toe trok. En een mens, wel te pas, sprak: morgen word den niewen kerkhof geweyd, wie zal daer eerst op worden begraven? Die mens kwam den zelven dag nog te sterven en hy was den eersten die daer op begraven werdt.”[13]

     

    Problemen met pastoor Janssens

    De ingebruikname van het kerkhof leverde problemen op met pastoor Janssens. Deze weigerde de lichamen van de overledenen op die plek buiten de stad te zegenen, omdat dat niet tot zijn taak zou behoren. De binnen- en buitenburgemeesters van Weert wendden zich tot de momboir J. B. Stuers van het Hof van Gelre in Roermond om hun beklag te doen over de houding van de pastoor.[14] Of dat tot iets geleid heeft, is mij niet bekend. De magistraat had vice pastor (onderpastoor) Keuten verzocht de zegening te willen verzorgen. Deze kreeg daar een halve schelling per keer voor, hetzelfde bedrag dat de magistraat ook aan de pastoor had voorgesteld. In een conceptbrief van de magistraat van Weert aan de bisschop van Roermond wordt het probleem geschetst. De magistraat wilde dat hij of vice pastor Keuten een andere priester mochten aanwijzen voor het geval Keuten wegens ziekte of om een ander reden verhinderd was.[15]

    Aquarel van Roermond ca 1810. Van links naar rechts: Bisschoppelijk paleis, later rechtbank, kanselarij Hof van Gelre, Hospice-Civil, eertijds woning stadhouder, Munsterkerk voor de ‘restauratie’ door Pierre Cuypers. [16]

    De Brabantse omwenteling

    In 1789 kwamen de gewesten Brabant en Henegouwen in opstand tegen keizer Joseph II. Directe aanleiding daarvoor waren edicten op bestuurlijk en rechterlijk gebied van 1 januari 1787 in het kader van de hervormingspolitiek van de keizer. De opstand breidde zich uit en had aanvankelijk succes. De gewesten van de Oostenrijkse Nederlanden verklaarden zich op 11 januari 1790 onafhankelijk. Tijdens die zogenaamde Brabantse omwenteling trokken de Staten van Gelderland in Roermond van de zich onafhankelijk verklaarde Gelderse republiek een aantal edicten in, maar niet het verbod op begraven in de kerk. De heerlijkheden Weert, Nederweert en Wessem wilden niet onder het gezag van Roermond vallen en verklaarden zich op hun beurt onafhankelijk. Het verbod op begraven in de kerk en op het oude kerkhof werd echter niet meer in acht genomen. Keizer Leopold II, die de op 20 februari 1790 plotseling overleden Joseph II was opgevolgd, toonde zich toegeeflijker dan zijn voorganger. Hij herstelde oude wetten en kon zo een einde maken aan de opstand. Na het herstel van het Oostenrijks gezag verplichtte de momboir van het Hof van Gelre op 13 april 1791 de kerkmeesters doden weer op het nieuwe kerkhof te begraven.

    Lambertus Goofers schrijft hierover:

    Brief Lambertus Goofers

    “Den Keyser gebiedt nu weder om niet meer te begraven in de kerk en niet meer op den ouden kerkhof (by de kerk), hetwelk weder geschiede sedert het eerste van het jaer 1790, maar nu moet men weder op den nuwen kerkhof altemael en geen in de kerk begraven.”[17]

     

    Het oude kerkhof

    Straatnaambord Oud Kerkhof

    Na de ingebruikname van de nieuwe begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel verviel de functie van het kerkhof bij de Sint-Martinuskerk. Het naambordje Oud Kerkhof voor de straat aan de zuid- en oostzijde van de Sint-Martinuskerk herinnert nog aan die bestemming.

     

     

    De begraafplaats anno 2024

    Deel begraafplaats Molenpoort 2024. Foto-Wil Filott

    De begraafplaats bij de Sint Rumolduskapel aan de Molenstraat is nog steeds in gebruik. Velen hebben hier hun laatste rustplaats gevonden.

    Niet alleen katholieke Weertenaren uit de stad en uit de buitenieën, maar ook protestantse Weertenaren. Ook zijn er Franse, Engelse en Duitse oorlogsslachtoffers begraven. Verder zijn er graven van mensen van Molukse, Chinese en Hindoestaanse afkomst, van Islamitische Weertenaren en van woonwagenbewoners.

     

     

    Enigszins gechargeerd zou men kunnen zeggen dat de inmiddels vergrote begraafplaats een beeld geeft van de multi-etnische en multireligieuze samenleving die het hedendaagse Weert is geworden.

    Voorbeelden van grafmonumenten, v.l.n.r.: arabisch, chinees, woonwagenbewoners – Foto’s: Wil Filott

     

    Slot

    Ik eindig dit artikel met een wens. Moge de huidige en toekomstige beheerders van deze begraafplaats en het bestuur en de gemeenteraad van Weert zich bewust zijn en blijven van de grote waarde als funerair erfgoed die deze oude begraafplaats heeft voor de historie van Weert en voor de huidige en toekomstige inwoners van Weert.[18]

     

    Bronnen

    [1] Gemeentearchief Weert (B8.2 par. St. Martinus, inv. nr. 735).

    Een kopie van deze inventarisstaat is mij aangereikt door Zef Coenen, waarvoor dank.

    [2] Aan Joseph Waegemans en zijn familie hoop ik een apart artikel te wijden.

    [3] Er waren in die tijd in Weert meer kapellen dan in de inventarisstaat genoemd zoals Sint Cornelius, Swartbroek, Sint Barbara, Tungelroy, Sint Rumoldus buiten de Molenpoort.

    [4] De kerk te Tungelroy was een hulpkerk van Sint Martinus. Pas bij Koninklijk Besluit van 31 mei 1866 werd het beheer van die hulpkerk door de kerkfabriek van Sint Martinus beëindigd. De eerste bestuurders van de zelfstandige parochie St Barbara werden op 5 augustus 1966 geïnstalleerd. Bron: Inventaris Archief Parochie Sint Martinus Weert 1404-1997, C.H.J. Tubée.

    [5] Joseph Janssens is op 11 juli 1758 geïnstalleerd als pastoor van Weert. Tijdens de roerige tijden gedurende het bewind van keizer Joseph II van Oostenrijk en de zogenaamde Brabantse Omwenteling en de inlijving bij Franrijk toonde pastoor Janssens zich een standvastig katholieke herder. Over deze priester valt een heel verhaal te vertellen.

    [6] De momboir vertegenwoordigde de landsheer, in casu de Oostenrijkse keizer, bij het Hof.

    [7] Er wordt wel beweerd dat de benaming “rijke stinkerds” betrekking zou hebben op rijke lieden die in de kerk begraven waren, maar volgens taalkundigen is dat niet waarschijnlijk.

    [8] Een koor in een katholieke kerk is het gedeelte waar zich het (hoofd)altaar bevindt.

    [9] Veel dank aan Zef Koenen en andere vrijwilligers van het gemeentearchief van Weert voor het duiden van het moeilijk leesbare suae majestatis.

    [10] www.hkschellebeke.be/het-kerkhof.

    [11] Een uitgebreide beschrijving is te vinden in ”Een verplichte begraafplaats voor Weert”, Emile Haanen. De Maasgouw, 121, 2002, 2, pag. 62 e.v.

    [12] De rente over het voorschot moest betaald worden aan de administrateur van de opgeheven kloosters in Roermond, Franciscus Bernardus van der Renne. Vermeldenswaard is dat Constantin Emanuel Hubert Waegemans, zoon van kerkmeester Joseph Waegemans, op 20 september 1853 te Roermond trouwde met Maria Agnes Alexandrina Louisa van der Renne, een nazaat van deze administrateur.

    [13] “Chroniek der Stad Weert 1784 tot 1802”, Lambert Goofers, uitgegeven door Jos. Habets in “Publications de la Societé historique et archéologique dans la Duché de Limbourg”, deel 25, pag. 367.

    [14] Momboir Stuers, griffier Van der Renne en kanselier Luytgens zijn tijdens de Brabantse Revolutie door Weertenaren gevangengenomen en naar Brussel gebracht. Na korte tijd werden ze weer vrijgelaten. Jhr. Mr. Victor Eugène Louis de Stuers, een kleinzoon van de gevangengenomen momboir, is vanaf 1901 tot 1916 namens de kring Weert lid geweest van de Tweede Kamer. In Weert, Moesel, is een straat naar hem genoemd.

    [15] “Een verplichte nieuwe begraafplaats voor Weert”, pag. 70.

    [16] www.mpaginae.nl/Roermond/ Souvereine Raad.

    [17] “Chroniek der Stad Weert 1784 tot 1802”, pag. 378

    [18] Men neme een voorbeeld aan de nagenoeg even oude Aje Kirkhaof te Remunj.

    Lezing – 70 jaar welzijnswerk in Weert – 8 april 2024

    Na de succesvolle lezing van dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 over het prehistorisch grafveld op de Boshoverheide voor een gezelschap van zo`n 100 liefhebbers van de Weerter geschiedenis, presenteren wij u nu weer een lezing over Weert. Deze keer gaat het over het recente verleden en over een totaal ander onderwerp, namelijk 70 jaar welzijnswerk in Weert.

     

    Lezing – 70 jaar welzijnswerk in Weert – 8 april

    In de lezing passeren deze ontwikkelingen van het professioneel welzijnswerk in Weert de revue.  Er wordt duidelijk gemaakt hoe het sociale werk zich voortdurend aanpast aan lokale en landelijke ontwikkelingen. Thema’s als armoede, emancipatie, opkomst van de kinderopvang, instroom van arbeidsmigranten en vluchtelingen, werkloosheid, laaggeletterdheid en ouderenwerk zijn een greep uit de onderwerpen die van grote invloed waren en zijn op de naoorlogse ontwikkelingen in Nederland en Weert.

     

    Sprekers

    Pierre Snijders (1942) is van 1971 tot 2004 in Weert werkzaam geweest als coördinator vanhet sociale werk.

    Paul Horsmans (1961) is vanaf 1999 in Weert werkzaam geweest als directeur. Hij is thans bestuurder van Unitus, de overkoepelde organisaties van welzijnsstichtingen, waaronder Punt Welzijn.

    De heren Snijders en Horsmans baseren zich in hun lezing niet op uitgebreid onderzoek, maar spreken vanuit hun jarenlange praktijkervaring in het Weertse. Naast een historische terugblik zal ingegaan worden op hedendaagse ontwikkelingen en werkzaamheden.

     

    Historie zorg in Nederland

    Er zijn altijd personen geweest die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Lange tijd was het zo dat familie de zorg op zich nam voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten, bejaarden, wezen en andere personen die niet (meer) voor zichzelf konden zorgen. Ook kerkelijke en bijzondere instellingen namen die zorg op zich.

    In de Franse tijd ging ook de staat zich min of meer noodgedwongen bezighouden met die zorg. Dat was mede een gevolg van het feit dat kerkelijke instellingen die zich daarmee bezighielden, opgeheven en hun goederen genationaliseerd waren.

    In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd de lijn van zorg van staatswege doorgezet. In de Grondwet van 1815 was opgenomen dat armenzorg een onderwerp was van aanhoudende zorg voor de regering. De lokale overheid – de gemeente – werd belast met die zorg als die niet geboden kon worden door familie, vrienden, kerken of instellingen van liefdadigheid. In 1854 trad de Wet tot regeling van het armbestuur in werking. Deze Armenwet hield in dat het zwaartepunt van de armenzorg primair bij de kerken kwam te liggen. De gemeenten hadden slechts een aanvullende rol. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef het zwaartepunt van de zorg voor zieken en armen bij particuliere liefdadigheidsorganisaties liggen.

    Straattoneeltje in Weert

    Begin jaren vijftig van de vorige eeuw kwam daar na de wederopbouw verandering in mede door de opkomst van de verzorgingsstaat. De aandacht ging meer uit naar verzorging, talentontwikkeling en ondersteuning van mensen. Voor financiële ondersteuning kwamen aparte regelingen, zoals de Bijstandswet. Huisvesting werd een onderdeel van het brede aandachtsgebied. Dat leidde er in Weert toe dat rond 1980 oude, vaak schilderachtige maar verpauperde volksbuurten zoals de Hoge Kei en het Morregat werden gesloopt. Veel bewoners werden gehuisvest in nieuwbouw op Keent.

     

    De opkomst en ontwikkeling van het welzijnswerk in Weert

    Begin jaren vijftig kwam er, naast de armenzorg, veel aandacht voor het zogenaamde “onmaatschappelijke, asociale “gezin.

    In 1952 werd een provinciaal onderzoek naar ‘onmaatschappelijkheid’ in Weert verricht. Dat was in het bijzonder gericht op het centrum en de wijk Fatima. Een gevolg van dat onderzoek was de oprichting van de Stichting Sociale Zorg Weert en een Wijkhuis op Keent, de wijk waar veel inwoners vanuit de binnenstad waren gehuisvest.

    Het werkveld van de welzijnssector werd steeds uitgebreider, meer omvattend en geprofessionaliseerd. Er werden nieuwe stichtingen opgericht op het gebied van onder meer jongerenwerk, ouderenwerk en vluchtelingenwerk. Later vonden er diverse fusies plaats, hetgeen geleid heeft tot de stichting Punt Welzijn in Weert.

     

    Praktische informatie

    Datum: maandagavond 8 april 2024
    Tijd: 19.30 uur
    Locatie: Brasserie-Hotel Antje van de Statie, Stationsplein 1 Weert
    Deelname: gratis

    Wij hopen u te mogen begroeten.

    Excursie naar Nijmegen en Doorwerth – 20 april 2024

    De Kring Weert van het Koninklijk L.G.O.G., de Aldenborgh en de Geschied- en Heemkundige Kring “Het Land van Thorn” nodigen u hierbij van harte uit om deel te nemen aan deze excursie, die plaatsvindt op zaterdag 20 april 2024.

    In de ochtend reist u naar Nijmegen voor een rondleiding met gidsen door de stad Nijmegen. In de namiddag geniet u van een bezoek aan en een rondleiding in het prachtige kasteel Doorwerth, waar u na afloop nog kunt genieten van een drankje. Over beide reisdoelen het volgende:

     

    Nijmegen

    Nijmegen_grote markt met waaggebouw

    Nijmegen wordt beschouwd als de oudste stad van Nederland. Al rond het begin van onze jaartelling werd Nijmegen dankzij de gunstige ligging een belangrijke uitvalsbasis voor het Romeinse leger.

    Rond het jaar 100 na Chr. was er een volledige stad door de Romeinen neergezet met de naam Ulpia Noviomagus Batavorum en ontving Nijmegen van keizer Trajanus het stads- en marktrecht.

    Niet alleen de Romeinen hebben een stempel gedrukt op de stad. Zo was Nijmegen de meest noordelijk gelegen verblijfplaats van Keizer Karel de Grote en hierdoor een bloeiende keizerstad.

     

    Helaas is Nijmegen tijdens de Tweede Wereldoorlog niet ongeschonden gebleven. Op 22 februari 1944 werd een groot deel van de binnenstad verwoest door een bombardement door geallieerden. Wanneer je op de Grote Markt staat zie je hierdoor een duidelijk verschil in gebouwen wanneer je met je rug naar het waaggebouw toe staat of met je gezicht ernaartoe.

     

    Nijmegen Valkhofkapel

    Het Valkhof is het beroemdste en belangrijkste stuk grond van Nijmegen. De Romeinen stichtten hier het Oppidum Batavorum, dat rond het jaar 70 door de Bataafse opstandeling Julius Civilis in brand werd gestoken.  In de laat-Romeinse tijd (3e-4e eeuw) lag hier een militaire versterking. Keizer Karel de Grote bouwde hier aan het eind van de 8e eeuw een paleis, dat uitgroeide tot één van zijn belangrijkste residenties.

    Zelfs de Noormannen hadden het Valkhof een winter in hun bezit. Ook latere keizers van het Rooms-Duitse Rijk waren er geregeld te vinden. Keizer Frederik Barbarossa bouwde het in 1155 om tot een burcht. Deze burcht heeft vele eeuwen standgehouden, maar viel in 1796 ten prooi aan de slopershamer. Gelukkig zijn de Nijmeegse burgers toen in opstand gekomen zodat de Valkhofkapel en de Barbarossa-ruïne gespaard zijn gebleven.

     

    Kasteel Doorwerth

    Kasteel Doorwerth is een waterburcht gelegen in de uiterwaarden van de Rijn.

    Wapen Schellaert

    De eerste vermelding van het kasteel dateert uit 1260. Een zekere Reinald van Homoet verwierf het kasteel in 1435 en liet het flink vergroten.

    Het kasteel heeft een Limburgs tintje. Rond 1560 zijn er door Adam Schellaert van Obbendorf, heer van Gürzenich, Schinnen, Geijsteren en Vlodrop verbouwingen uitgevoerd, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaven. In opdracht van zijn kleinzoon Johan Vincent van Schellaert van Obbendorf, heer van Oirlo, Oostrum, Geijsteren en Wanssum, en burgemeester van Roermond, van circa 1634 tot 1683, is het poortgebouw gebouwd.

     

    Een spook in kasteel Doorwerth?

    Isabelle Peters was een dienstbode van Johan Vincent, baron Schellaert van Obbendorf, de burgemeester van Roermond. Johan Vincent was iemand die de katjes in het donker kneep. Isabelle Peters werd door de baron meermalen verkracht. Toen haar minnaar, Jochem Janssen, dat ontdekte, was hij zo kwaad dat hij de baron wilde vermoorden. Maar de baron was hem voor. Jochem Janssen werd vermoord en zijn lijk in de gracht geworpen. Isabelle werd levend in het kasteel ingemetseld en stierf een hongerdood. Spookt Isabelle sindsdien in het kasteel?

     

    Kasteel Doorwerth

    De eigenaren van het kasteel verbleven er niet vaak. Dat droeg mede toe aan het verval. Jacob Adriaan Prosper van Brakell kocht het kasteel in 1837 en liet het restaureren. Na het overlijden van zijn weduwe ging het echter weer bergafwaarts. In 1910 verwierf de vereniging De Doorwerth het kasteel en die liet weer een restauratie uitvoeren. Het kasteel raakte in de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd, waarna het van 1950 tot 1983 weer volledig hersteld is. U kunt het kasteel en de monumentale vertrekken op 20 april aanstaande in volle glorie aanschouwen.

    In het kasteel is ook een drietal musea gehuisvest: het museum Veluwezoom, het Nederlands Jachtmuseum en de Nationale Bosbouwcollectie.

     

    Programma

    07.45 uur: vertrek vanuit Thorn, parkeerplaats sportpark Ter Koel, Ittervoorterweg 51

    08.15 uur: vertrek vanuit Weert, Sint Jozefskerkplein, Sint Jozefskerkplein 3, Keent

    09.45 uur: aankomst in Nijmegen, uitstapplaats Kelfkensbos. 5 minuten lopen naar De Waagh, Grote markt, voor koffie-thee en gebak

    10.30 uur: historische wandeling met gidsen vanaf Grote markt

    12.00 uur: einde wandeling; gelegenheid tot lunchen

    13.30 uur: vertrek vanaf Kelfkensbos naar kasteel Doorwerth

    14.05 uur: aankomst kasteel Doorwerth, Fonteinlaan 2b, Doorwerth

    14.15 uur: rondleiding door gidsen in kasteel Doorwerth

    15.30 uur: nazit met drankje in kasteelcafé De Zalmen

    16.15 uur: vertrek naar Weert, respectievelijk Thorn

    Genoemde tijden zijn bij benadering

     

    Deelname

    Voor deelname gelden verschillende tarieven:

    • deelnemers die lid zijn van het LGOG, vriend van de Aldenborgh of de GHK “Het Land van Thorn”, betalen een bedrag van € 65,-
    • niet-leden betalen € 70,-
    • deelnemers die lid zijn van een van beide verenigingen of vriend van de Aldenborgh en in het bezit zijn van een museumkaart betalen € 51,50
    • deelnemers die geen lid zijn, maar wel in het bezit van een museumkaart betalen € 56,50

    De aanschaf van een museumkaart is dus zonder meer het overwegen waard!

     

    In de deelnemersbijdrage zijn begrepen:

    • de kosten van de bus
    • koffie met gebak
    • begeleide stadsrondleiding Nijmegen
    • entree kasteel Doorwerth
    • gidsen kasteel Doorwerth
    • een drankje in kasteelcafé De Zallmen
    • fooi voor de chauffeur

     

    Aanmelden

    Aanmelding voor deelname aan de excursie dient uitsluitend te geschieden door overschrijving van het deelnamebedrag op bankrekening NL31 RABO 01769 68334 ten name van De Aldenborgh. De overschrijving geldt als aanmelding. U dient bij de omschrijving wel uitdrukkelijk te vermelden:

    1) Na(a)men van de deelnemer(s)

    2) Nijmegen/Doorwerth

    3) uw opstapplaats

    4) Museumkaart J/N

    Er zijn voor deze excursie 50 plaatsen beschikbaar. Bij overboeking hanteren we de volgorde van aanmelding. Gezien de te verwachten belangstelling is aanmelding per omgaande aan te bevelen. Doe het dus liever vandaag dan morgen, maar in elk geval vóór 2 april 2024.

    Indien u na aanmelding/betaling om de een of andere reden alsnog moet afzien van deelname en indien de organisatie geen deelnemers op de wachtlijst heeft staan, dan dient u zelf voor vervanging te zorgen. Teruggave van de deelnemersbijdrage is niet van toepassing.

    Deze excursie is namens het L.G.O.G, Kring Weert, de Aldenborgh en de Geschied- en Heemkundige Kring “Het Land van Thorn” georganiseerd door Wil Filott en Hub aan den Boom. Zij zijn respectievelijk bereikbaar onder telefoonnummer 06-83138322 en 06-18845998.

     

    Wij wensen u voor 20 april a.s. een heel leerzame en aangename excursie toe.

     

    Let op: De opstapplaats in Weert is Sint Jozefskerkplein! Daar is voldoende gratis parkeergelegenheid. Vergeet uw museumkaart niet!

    Verslag van de lezing Het prehistorisch grafveld van de Boshoverheide bij Weert – terugblik en toekomst van dr. Liesbeth Theunissen – door Wil Filott

    Dr. Liesbeth Theunissen.

    Exact 14 dagen nadat dr. Henk Hiddink de aftrap had verzorgd voor de nieuwste aflevering van de cursus Weerterlogie met als onderwerp “Prehistorie en Oudheid”, hield dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 voor een gezelschap van zo`n 100 liefhebbers van de Weerter geschiedenis een bijzondere lezing over het prehistorisch grafveld op de Boshoverheide.

    Bouke Kouters, de amateur-archeoloog in het bestuur, heette de bezoekers en in het bijzonder de spreekster van deze avond, dr. Liesbeth Theunissen, welkom. Hij toonde zich verheugd en blij verrast over de geweldige opkomst.

    De grafvelden op de Boshoverheide

     Op de Boshoverheide tussen Weert en Budel bevindt zich het grootste prehistorische grafveld van Noordwest- Europa. Grafvelden bieden enig inzicht in begrafenisrituelen in de prehistorie. Doden werden gecremeerd. De asresten werden begraven. Het was traditie om graven te markeren. Uit crematieresten kan onder meer de leeftijdsklasse en geslacht van een overledene worden afgeleid. De gemiddelde leeftijd van de gecremeerden op de Boshoverheide was ongeveer 25-30 jaar. Deze was mede zo laag vanwege de hoge kindersterfte. Naar schatting werd overigens in de bronstijd maar 10 à 15% van de bevolking begraven onder grafheuvels. In latere tijd werd wel vrijwel iedereen begraven. In de graven zijn veel urnen gevonden.

     

    Het Pestrupergrafveld in Noord-Duitsland is het enige urnenveld in Europa dat net zo uitgestrekt en groot is als de Boshoverheide.

    Urnenvelden zijn niet zeldzaam in Nederland. Er zijn inmiddels zo`n 750 plaatsen met urnenvelden gelokaliseerd, met name in de oostelijke helft van Nederland op zandgronden.

    Het urnenveld van Boshoverheide beslaat zo`n 30 hectare. Het is een rijksmonument, maar ook recreatiegebied en militair oefenterrein. Landschappelijk ligt het op een hoog zandplateau, met veel stuifduinen.

     

     

     

     

     

    Onderzoeken

    De eerste “onderzoekers” van de urnenvelden op de Boshoverheide waren in de tweede helft van de 19de eeuw

    Pier en Bèr Houben uit Nederweert-Eind.

    Casimir Ubaghs en Josef Habets. Een speciale vermelding verdienen de broers Pier en Bèr Houben, amateur-archeologen uit Nederweert-Eind. De door hen in het begin van de 20ste eeuw gedane ontdekkingen leidden tot de eerste opgravingen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).

    In 1968 is er noodonderzoek op de schietbaan gedaan.

    Belangrijk werk is er tussen 1984 en 1994 verricht door studenten van de Universiteit van Amsterdam. In die periode hebben 500 archeologen in opleiding gewerkt aan restauratie en consolidatie van grafvelden.

     

    Het project Odyssee

    Resultaten van het project Odyssee.

    In 2010 werd op de Boshoverheide gestart met het project Odyssee. Vanwege de beperkte duur van het project werd gekozen voor onderzoek in de breedte en niet in de diepte. Het eerste doel was het creëren van een ruimtelijk raamwerk: een kaart waarop aangegeven was waar zich belangrijke vindplaatsen bevonden en wat daar te vinden was. Zo werden 400 heuvels en 110 plaatsen met crematieresten in kaart gebracht.

    Bij het onderzoek naar plaatsen waar zich vondsten van de Boshoverheide

    Plaatsen waar zich vondsten van de Boshoverheide bevinden.

    bevonden werden 9 locaties achterhaald, waaronder het Limburgs museum in Venlo. Een bijzondere vondst werd gedaan in een museum te Mannheim. Daar werden in een magazijn 47 urnen ontdekt, afkomstig uit de collectie van Casimir Ubaghs.

     

    Enige bevindingen

    Bij onderzoek naar crematieresten werden onder meer fragmenten van kleine glazen kralen afkomstig uit Libanon en Syrië gevonden, een teken dat er ook al in de prehistorie uitwisseling en contacten over grote afstanden plaatsvonden.

    Uit crematieresten werd aanvankelijk afgeleid dat er hoofdzakelijk mannen en kinderen begraven waren maar dat beeld is later bijgesteld. Een nieuwe studie wees uit dat er ook vrouwen in het grafveld zijn begraven.

    Van het terrein van 30 hectare is bijna 3 hectare onderzocht. Naar schatting hebben er in de periode van 1000 tot 500 voor Christus 3135 begrafenissen plaatsgevonden. De bevolkingsgroep wordt geschat op zo`n 180 personen. Dat is een uitzonderlijk groot aantal mensen. Dat leidt tot een aantal vragen. Is de Boshoverheide van regionale betekenis geweest? Zo ja, betekent dat dat overledenen van heinde en verre naar het grafveld zijn gebracht om daar begraven te worden? Of is de Boshoverheide gewoon uitzonderlijk goed bewaard gebleven

     

    Archeoscience

     Na de pauze ging Liesbeth Theunissen in op ontwikkelingen in de archeologie.

    Een belangrijk persoon daarbij is Kristian Kristiansen. In 2014 maakte hij gewag van een derde revolutie in de archeologisch wetenschapsbeoefening. Die ontwikkelingen kunnen als volgt geduid worden.

    1. De eerste revolutie (1850-1860) wordt gekenmerkt door de ontwikkeling van archeologie als wetenschap en ordenen van data.

    2. De tweede revolutie is de periode na de Tweede Wereldoorlog toen het met gebruik van de koolstofmethode 14 C mogelijk werd om vondsten exact te dateren.

    3. De derde revolutie (2014-2024) is het gebruik van big data, modelling, oud-DNA, isotopenanalyse en volgens de spreekster ook Artificial Intelligence.

    Reconstructie van het meisje van Egtved.

    Archeoscience is meer en meer teamwork geworden: van de archeoloog die nauw samenwerkt met experts in het laboratorium.

    Een belangrijke methode is oud DNA–onderzoek, met name het bemonsteren van kiezen en het rotsbeen. Besmetting met hedendaags DNA moet daarbij worden voorkomen. Archeologen moeten zich nu inpakken in beschermende kleding, met handschoenen en mondkapjes. Met dit DNA-onderzoek kunnen biologische- en familierelaties worden aangetoond.

    Een recente ontwikkeling is de zogenaamde strontiumisotopentechniek. Strontium komt vanuit de grond via voedsel in het lichaam. Het gehalte aan strontium verschilt per streek. Door deze techniek kan nauwkeuriger de plaatsen worden bepaald waar een persoon heeft geleefd of tijdelijk heeft verbleven. Het geeft inzicht in hoe mobiel de mensen van toen waren.

    Een in de archeologie bekend voorbeeld van de resultaten van deze techniek is het zogenaamde meisje van Egtved, een skelet uit de Bronstijd gevonden in Egtved in Jutland. Men heeft lang gedacht dat het een Deense was totdat via het gebruik van strontiumisotopen vastgesteld kon worden dat ze een Duitse was uit het Zwarte Woud.

     

    Sinds kort is het mogelijk om strontiumanalyse op verbrande resten, zoals crematieresten, toe te passen.

    Met het tonen van bovenstaand beeld sloot Liesbeth Theunissen haar lezing af.

    Door onderzoek naar verschillende skeletonderdelen, zoals tanden, rotsbeen, pijpbeen en ribben, kan ook de mobiliteit van een onderzocht persoon nauwkeurig worden bepaald. De strontiumisotopen in het rotsbeen (gevormd tijdens de eerste 2 levensjaren) kan een ander signaal geven dan het ribfragment (gevormd tijdens de laatste 5 jaar). Is iemand lokaal of komt hij/zij uit een andere regio?

    Het zou mooi zijn als deze techniek toegepast zou worden op crematieresten van de Boshoverheide die in het depot worden bewaard.

    Vragen

    Van de gelegenheid tot het stellen van vragen werd druk gebruik gemaakt. Ook werden er enkele aanvullende opmerkingen gemaakt. Een deelnemer merkte op dat eind 19de eeuw mogelijk nogal wat archeologisch materiaal verloren is gegaan door opgravingen van particulieren, die de urnen verhandelden. Een geluk was volgens een andere deelnemer dat een grootgrondbezitter op de Boshoverheide een verbod had ingesteld om op zijn terrein te komen.

    Peter Korten bedankte Liesbeth Theunissen voor haar interessante en boeiende lezing. In zijn enthousiasme voor het promoten van het erfgoed van Weert riep hij ter plekke Weert uit tot archeologische hoofdstad van Europa.

    —————————————————————————————————————————————————————————————-

    Veel dank aan Liesbeth Theunissen voor het nazien van een eerdere versie van dit verslag en het ter beschikking stellen van afbeeldingen.

    Egmont Lichtfestival – 23, 24 & 25 februari 2024

    Met een driedaags lichtfestival wordt het verhaal en de sfeer ten tijde van stadsicoon Lamoraal van Egmont op een spectaculaire manier tot leven geroepen.

    De donkere wintermaanden opfleuren, het Zottegemse patrimonium letterlijk en figuurlijk in een ander licht laten zien en een unieke ervaring creëren voor het hele gezin, dat is wat EGMONT, Lichtfestival wil doen. Het parcours van één kilometer lang loopt dwars door het centrum, langs kunst- en lichtinstallaties. Het wordt een unieke combinatie van licht, geluid en natuurelementen. We zetten de gebouwen en aanwezige elementen in ons centrum efficiënt in, zodat bezoekers het gevoel hebben dat ze recht de geschiedenis in stappen. Zo zag je Zottegem nog nooit! Klik hier voor meer informatie.

    Lezing: het prehistorisch grafveld van de Boshoverheide bij Weert. Terugblik en toekomst

    Op maandag 4 maart 2024 organiseert de Stichting de Aldenborgh weer een lezing. Dit keer gaat het over het prehistorische grafveld op de Boshoverheide bij Weert. Liesbeth Theunissen, senior onderzoeker bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort, houdt de lezing.  De lezing begint om 19.30 uur en vindt plaats in Hotel-Brasserie Antje de Statie, Stationsplein 1 in Weert. De toegang is gratis.

     

    Prehistorische grafveld Boshoverheide

    Het prehistorische grafveld op de Boshoverheide bij Weert staat bekend als een van de meest uitgestrekte urnenvelden van Noordwest-Europa. Met ruim 150 gerestaureerde grafheuvels is het een zichtbaar archeologisch monument dat sinds 1968 wettelijk is beschermd. In het kader van het onderzoeksprogramma Odyssee, uitgevoerd in 2011-2012, is veel van het oude onderzoek bijeengebracht, geanalyseerd en gebundeld tot een synthese. Daaruit blijkt onder meer dat de Boshoverheide een ware schatkamer is, vol met allerlei bijzondere elementen.

    Er liggen 400 urnheuvels, met 111 crematiegraven en 13 afgedekte brandstapels. In het eerste deel van de lezing wordt teruggeblikt op prehistorische begravingsrituelen in het algemeen en het grafveld van de Boshoverheide in het bijzonder.

    Na de pauze wordt ingegaan op de nieuwe methoden en technieken die vandaag de dag steeds meer worden ingezet, en die vaak verrassende resultaten opleveren. Zo is het mogelijk om met behulp van isotopen meer te zeggen over de mobiliteit van de begraven mensen. Wat ligt er in de toekomst in het verschiet?

     

     

    Liesbeth Theunissen

    Liesbeth Theunissen studeerde culturele prehistorie aan de Universiteit Leiden. In 1999 is zij gepromoveerd op een dissertatie over de bronstijdsamenlevingen in de Lage Landen. Sinds 1997 is zij werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort als senior onderzoeker voor de late prehistorie (de periode van ca. 3000 tot 12 voor Christus). In haar werk van advies en onderzoek staan de overblijfselen van boerengemeenschappen uit deze millennia centraal.

     

    Praktische informatie

    Wat: lezing
    Wanneer: maandagavond 4 maart 2024
    Tijd: 19.30 uur
    Locatie: Hotel-Brasserie Antie van de Statie, Stationsplein 1 in Weert
    Deelname: gratis

    Theatervoorstelling Wereldse Weertenaren – 10 maart 2024

    Ter gelegenheid van de viering van het 17e lustrum van Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Aldenborgh komt op zondagmiddag 10 maart a.s. de rijke geschiedenis van Weert weer even tot leven. De 85-jarige Aldenborgh en 144-jarige harmonie St.-Joseph 1880 bundelen voor deze feestelijke gelegenheid hun kennis, kunde en krachten in het Weerter Munttheater voor de presentatie van het jubileumprogramma Wereldse Weertenaren.

     

    Docent van de Aldenborgh-cursus Weerterlogie, auteur en columnist Frits Nies, zal de middag inluiden en duiden middels een gesproken column.

     

    Loop van de geschiedenis

    Er zijn niet alleen in de afgelopen 85 jaar, maar ook al (ver) vóór die tijd meerdere Weertenaren geweest met een stip op de horizon (ver) buiten het zicht vanaf de Martinustoren. Ieder op eigen wijze en op eigen plek hebben zij in de wijde wereld een steen(tje) verlegd in de loop van de geschiedenis. Het zijn onze Wereldse Weertenaren die we bij deze gelegenheid terugbrengen voor het Weerter voetlicht.

     

    Portretten

    De volgende  vertellers voeren u mee naar de wereld van enkele van die Weertenaren:

    • Rob Troubleyn, luitenant-kolonel b.d. en onderzoeker bij Kenniscentrum In Flanders Fields Museum in Ieper (B);
    • Alfons Bruekers, publicist en verteller van de Erfgoedgemeenschap Nederweert;
    • Peter Korten, onderzoeker en voortrekker van De Aldenborgh Weert.

    Zo kunt u onder meer een aangrijpend portret tegemoetzien van een Weerter kindsoldaat die diende in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. En u ontdekt het leven van een beroemde architect die vanuit Weert afreisde om zijn stempel te drukken op het aanzien van een opkomende wereldstad.

    Regisseur/acteur Johan Korten uit Stramproy kruipt in de huid van de eerste Weerter cowboy in het Wilde Westen, bijgestaan door een Amerikaanse acteur uit B-films in wie sommigen van u nog Ronald Reagan zullen herkennen.

     

    Bewegende beelden

    De voorstelling wordt verder ingekleurd met gefilmde verhalen en beelden van Weertenaren, geregistreerd door de filmmakerPeter Crins. Zijn visuele bijdragen voegen een extra dimensie toe aan de reis door de geschiedenis van Weert. En ja, Tjeu Jonckers (1905-2011) – wie kent hem inmiddels niet – komt ook weer aan het woord.

     

    Muzikale omlijsting

    Op het podium van het Munttheater prominent aanwezig deze feestmiddag rond Wereldse Weertenaren: de in de negentiende eeuw opgerichte Harmonie St.-Joseph 1880 (de kerkelijke). Deze muzikanten spelen onder leiding van dirigent Bart Deckers prachtige uitvoeringen van Les Misérables en Once Upon a Time in the West.

    Zangeres Linda Smeets zal in de rol van de legendarische Weerter Antje vanne Stasie een voorproefje geven van Antje – De Musical, die op 17, 18 en 19 mei wordt opgevoerd in de open lucht op het Stationsplein Weert.

    Tot slot ook nog een wereldpremière: de uitvoering van fonkelnieuw werk van Weerter componist Frits Kessels jr.

     

    Praktische informatie

    De entree bedraagt € 18,50 inclusief pauzedrankje. Kaartjes zijn hier te bestellen.

    Telefonisch kunt u kaartjes bestellen van dinsdag t/m vrijdag van 11.00 tot 12.30 uur en van 13.00 tot 17.00 uur door te bellen naar: +31 (0)495 513575. U kunt ook kaartjes kopen aan de theaterkassa, die geopend is op donderdag en vrijdag van 13.00 tot 16.00 uur en één uur voor het begin van elke voorstelling.

     

    Een papieren ‘inval’ van Belgen in Weert – Wil Filott

    Op zondagmorgen 26 juni 1927, een frisse, bewolkte zomerochtend, begaven kerkgangers in Weert zich in alle vroegte naar de St. Martinuskerk om daar de eerste mis bij te wonen. Tot hun verbazing zagen zij dat her en der in de stad biljetten waren aangeplakt.

    Wat was er aan de hand?

    Op de biljetten was het volgende te lezen:

    “Limburgers! Brabanders!

    Laat niet langer uw belangen opofferen aan de hebzucht der Amsterdamsche en Rotterdamsche kooplieden, die alles doen wat in hunne macht is, om U te verdrukken en te vernederen.

    Wij Limburgers en Brabanders die onder die immer groot wordende verdrukking smachten, hopen dat al onze broeders, wanneer het uur der bevrijding zal slaan, hand in hand zullen gaan en alles opofferen tot het afschudden van dit ondraagbaar juk, voor de bevrijding van Godsdienst, land en volk.

    En wees zeker, dat de Belgen, waarvan wij weggerukt zijn, gelijk een kind van zijn moeder, nevens ons zullen staan om ons uit die slavernij te bevrijden.

    Harten hoog! Leve Brabant en Limburg, meester zijner toekomst”.

    Uit de tekst doemt het beeld op van een onderdrukt en uitgebuit Brabant en Limburg. En dat de Belgen klaar staan de Limburgers en Brabanders, die van België “weggerukt zijn gelijk een kind van zijn moeder” te bevrijden uit de slavernij.[1] Het pamflet is anoniem, maar de woorden “Wij, Limburgers en Brabanders” suggereren dat het een actie betreft van Brabanders en (Nederlandse) Limburgers.

    [i] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.

    Hoe was de gang van zaken bij de nachtelijke plakkerij in Weert?

    Het Kanton Weert berichtte in zijn editie van 1 juli 1927 onder de kop ‘De annexionistische Belgen weer aan het werk’ het volgende over deze aangelegenheid.

    In de nacht van zaterdag op zondag hebben annexionistische Belgen weer een “aanval” op Nederland gedaan. Op verschillende plekken hebben zij biljetten aangeplakt. De biljetten zouden zijn aangeplakt door twee wielrijders die tegen middernacht de stad binnenfietsten. Later hadden ze de weg terug naar België gevraagd. De biljetten zijn niet lang zichtbaar zijn geweest omdat de bevolking ze afgerukt en vertrapt heeft.

    Het blad Het huisgezin had een meer gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen: Twee fietsers zouden achter een langzaam rijdende auto vanaf het kanaal, vermoedelijk uit Belgische richting, om kwart voor twaalf Weert binnengekomen zijn. Waarschijnlijk was de auto de Maasstraat binnengereden. De fietsers waren doorgereden richting station waar zij aan een inwoner de weg naar het kanaal hadden gevraagd. Omdat het slecht weer was, waren er maar weinig mensen op de been. De heldendaden van de fietsers had men dan ook niet gezien. Toen inwoners `s morgens naar de kerk gingen, zagen zij overal op de huizen en vensters pamfletten van ongeveer 40 bij 25 centimeter aangeplakt. De verontwaardiging bij de bevolking daarover was zo groot dat ze direct werden verscheurd.[2]

    Wat speelde op de achtergrond voor de plakactie?

    Na de Eerste Wereldoorlog was er in België een beweging ontstaan die streefde naar annexatie van in haar ogen in 1839 ten onrechte aan België ontnomen gebieden, met name de Nederlandse provincie Limburg en Luxemburg. Verder wilde zij ook Zeeuws-Vlaanderen annexeren. Bij de vredesconferentie van 1919, met onder andere Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, over de voorwaarden voor een verdrag met het verslagen Duitsland, bracht België de annexatiewensen in. België had zwaar geleden onder de oorlog. Ook was er niet veel sympathie voor Nederland, ook niet bij de geallieerden. Hoewel Nederland in de oorlog officieel dan wel neutraal was geweest, had het er in Belgische ogen toch de schijn van dat het Duitsgezind was. Dat werd onder andere afgeleid uit de toestemming van Nederland – tegen de zin van de geallieerden – voor de doortocht in november 1918 van Duitse troepen van Maaseik via Roosteren en Susteren naar Duitsland. Ook het verlenen van asiel aan de gevluchte Duitse keizer Wilhelm II, waarin men -waarschijnlijk niet ten onrechte – de hand van koningin Wilhelmina bevroedde, had kwaad bloed gezet. Ondanks de geringe sympathie voor Nederland werden de wensen van België niet ingewilligd.

    Enige reacties uit België?

    De officiële reactie van de Belgische regering was dat het kwajongensstreken betrof. Actie werd er niet ondernomen. Het annexionisme leefde nauwelijks in Vlaanderen. Het was in het bijzonder een streven van Franstalige Belgen.

    Het Belgische annexionistische blad La Nation Belge maakte op zondag 26 juni 1927 reeds melding van de plakkerij, die ongeveer op hetzelfde tijdstip plaatsvond als het drukken van het blad. Het bericht in de krant was blijkbaar al geschreven voordat de plakactie in Weert daadwerkelijk had plaatsgevonden.

    De krant opende het artikel met de kop Des Limbourgois dégoutés de la Hollande (Limburgers walgen van Holland). In de aanhef stond dat een actieve groep Limburgers en Brabanders die nacht op een groot aantal kerken en huizen affiches had aangeplakt, met name in Budel, Weert, Ittervoort en Hunsel. De Franse vertaling van het `s nachts aangeplakte biljet stond ook al in het artikel, een bewijs te meer dat de krant nauw bij de actie betrokken was.

    La Nation Belge, 27 juni 1927

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    In Weert had men het plaatselijke agentschap van de Limburger Koerier, een verwoed anti-Belgisch orgaan, geheel volgeplakt met meerdere biljetten biljetten.[3] Het blad meldde ook dat het volk de oproep met sympathie besprak tot de biljetten op last van de autoriteiten werden afgescheurd.

    De waarheid was dat slechts weinigen de biljetten gezien hadden. De bevolking had de biljetten onmiddellijk afgerukt zonder bevel van de autoriteiten.[4]

    Aan de Vlaamse kant van de grens was men gebelgd over het gebeurde. In de woorden van een burgemeester van een dorp in de grensstreek: Wij zijn verontwaardigd en schamen ons over het optreden van enkele landgenoten – van wie weet gekomen – om den vrede en vriendschap die hier steeds heerschen, te verstoren. Het is een kinderachtig optreden van enkelen zonder verantwoordelijkheidsgevoel”.

    Een verholen dreigement

    In de Bredasche courant stond een lange, ingezonden brief van een zekere mr. A.J van Vessem, waarin hij het achterwege blijven van maatregelen van de Belgische en Nederlandse regeringen tegen de propaganda van de Belgische annexionisten fel hekelde. Tegenover het streven van een aantal Belgen om Nederlands Limburg te annexeren en zodoende de grens met Nederland te verleggen, schreef hij dreigend: Kunnen de Belgen voor de verlegging naar het Noorden slechts rekenen op de medewerking van enkele hondsche Groenendalers, wij kunnen voor de verlegging naar het Zuiden rekenen op de medewerking van machtige, tot daden voor een hoog ideaal bereide ontevreden Volksgroepen in Vlaanderen”.[5]

    Was Weert die nacht het enige doelwit?

    Ook in Hunsel en Ittervoort werden in die nacht biljetten met dezelfde tekst aangeplakt. Een inwoner van Hunsel die rond half elf `s avonds per fiets naar huis ging, had halverwege Ittervoort en Hunsel een tweetal personen met een fiets aangetroffen. Hij was afgestapt en had hen gevraagd wat ze kwamen doen. Te voet gingen zij samen verder. Een van de Belgen bleef achter omdat hij voorwendde pijn in zijn been te hebben. Waarschijnlijk had die de biljetten aangeplakt. Net zoals in Weert zouden de biljetten `s morgens vroeg door de bevolking verwijderd zijn.[6]

    Wie zat er achter de actie?

    De actiefste annexionistische beweging was Le Comité de politique nationale. In een brochure van 1919 met de titel La protestation du Limbourg poneerde het comité de stelling: “C’est malgré lui que le Limbourg est devenu hollandais” (Limburg is zijns ondanks Hollands geworden).[7]

    Kaart van België met in rood de gebieden die volgens Le comité de politique nationale in 1839 aan België waren ontnomen of aan haar geweigerd. Bron: https://www.ny-web.be/artikels/belgie-la-carte/

    De Limburgse bevolking was echter na de Eerste Wereldoorlog in meerderheid tegen annexatie door België. Dat gold ook voor de katholieke kerk. Dat kwam onder meer tot uiting in de oprichting van het comité Le Limbourg à la Hollande, waarin notabelen uit de provincie en vertegenwoordigers van Limburgse standsorganisaties van boeren, middenstanders, werklieden en journalisten deel van uitmaakten. Zij publiceerden een manifest, waarin zij de Limburgse bevolking opriepen om te protesteren tegen de Belgische annexatiewensen. Ook werden er veel telegrammen met aanhankelijkheidsbetuigingen van onder meer gemeenten naar koningin Wilhelmina gestuurd.[8]

    Een dissident met een kleine Weerter connectie

    Zoals we hiervoor hebben gezien, keerden Limburgse organisaties, de katholieke kerk en Limburgse overheden zich tegen de Belgische aanspraken. Dat gold ook voor de Limburgse vertegenwoordigers in het Nederlandse parlement met één uitzondering.

    Kiesdistrict XI Weert

    Henri van Groenendael, in 1916 in de Tweede Kamer gekozen door het kiesdistrict Weert, zou zich een voorstander van de Belgische aanspraken getoond hebben en voor een volkstemming in Limburg zijn over de toekomst van de provincie.[9]

    Ook in de Tweede Kamer kwam dat tot uitdrukking.  Zijn pleidooi voor een volkstemming in Limburg werd uitgelegd als steun voor België. Het leidde ertoe dat hij per 1 oktober 1919 werd geroyeerd als lid van de R.K.-kamerfractie.[10] Hij bleef als onafhankelijk lid in de Tweede Kamer zitten. Hij kan beschouwd worden als de eerste ‘zetelrover’ in het Nederlandse parlement. Bij de verkiezingen In 1922 probeerde hij weer in de Tweede Kamer te komen.

    Inmiddels was in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, in 1918 het kiesstelsel met districten gewijzigd in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en in 1919 het algemeen kiesrecht voor vrouwen ingevoerd.

    In de verkiezingscampagne liet Van Groenendael vanuit een vliegtuig verkiezingsbiljetten uitstrooien over dorpen langs de Maas. Die voor die tijd spectaculaire verkiezingsstunt leverde echter geen succes op, integendeel. Van Groenendael kreeg maar 1636 stemmen. Hij kwam er meer dan 20.000 tekort voor een kamerzetel.[11]

    Henri van Groenendael

     

    Mr. dr. Henricus Antonius Godefridus van Groenendael was een telg uit een aannemers- en architectenfamilie in Nunhem. Hij is op 20 mei 1904 te Couillet, Henegouwen, getrouwd met de Belgische Albine Camille Maria Augusta Ghislaine Marsigny. Het echtpaar heeft 11 kinderen gekregen. De oudste twee zijn geboren in Maastricht, de volgende zes in Zwolle, de twee daarna in Sittard en de jongste in Angers, Frankrijk, naar welke plaats het echtpaar na de voor Henri van Groenendael desastreuze verkiezingen in 1922 was verhuisd. Henri van Groenendael is op 22 mei 1944 overleden te Brussel.

    Wat was de directe aanleiding voor de actie?

    Nederland en België hadden in 1925 na lange onderhandelingen overeenstemming bereikt over een verdrag over een herziening van een aantal punten in het scheidingsverdrag van 1839 tussen België en Nederland. Het verdrag behelsde onder andere een regeling over het beheer van de Schelde, de positie van de Antwerpse haven en de aanleg van een kanaal tussen Antwerpen en de Rijn door Limburg.

    De Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde in juli 1926 met een zeer grote meerderheid het verdrag goed. Ook de Nederlands Tweede Kamer nam het aan, zij het met een kleine meerderheid. De Eerste Kamer verwierp het echter op 14 maart 1927.[12] Daaraan was het verzet tegen het verdrag in Rotterdamse en Amsterdamse havenkringen niet vreemd.[13] De verwerping wekte natuurlijk wrevel op in België. En het was koren op de molen van de annexionisten in België.

    Was de nachtelijke actie in Weert de eerste?

    Behalve de in dit artikel beschreven actie in Weert, Hunsel en Ittervoort, hadden al eerder andere plaatsen in Limburg kennisgemaakt met Belgische pamfletten. In de Limburger koerier van 11 april 1927 verscheen een bericht onder de volgende kop: EEN BELGISCHE RAID IN LIMBURG  – Huurlingen van het Belgisch Comité de Pol. Nationale.

    Afgaande op die kop zou men kunnen menen dat er een militaire inval van een Belgisch huurlingenleger had plaatsgevonden. In werkelijkheid waren in die nacht een vijf- of zestal Belgen de Maasbrug van Maaseik naar Roosteren overgestoken. In Roosteren en Dieteren, gemeente Susteren, hadden zij plakkaten aangeplakt met verschillende teksten waarin werd opgeroepen tot herroeping van het verdrag van 1839.

    Een van die teksten luidde als volgt: “Limburg wordt verlost van de Hollandsche Protestantsche verdrukking en hebzucht. België wenscht geen verovering van land noch burger, maar eischt herstel van `t opgedrongen verdrag van 1839 en vooral vrije verbindingen met Limburg en de Maas en de vrijen doorgang per spoor, weg en kanaal naar het Rijnland. De dam van 1839 tusschen Limburg en België opgeworpen moet weg. De voorspoed en de toekomst van Limburg liggen in `t Westen en in `t Zuiden met en bij België en niet te Rotterdam en in het Noorden”.

    Eind april 1927 waren vanuit een vliegtuig duizenden Belgische vlaggetjes met pamfletten boven Maastricht afgeworpen. In Spekholzerheide waren geschriften in de buurt van de ”Belgische” mijn Willem-Sophia, bij mensen onder de deur geschoven.

    Een bericht uit Maaseik

    Ik wil dit artikel afsluiten met een raillerend bericht in het Maeseycker Weekblad. Daaruit blijkt dat daar de acties niet serieus werden genomen.

    “Waren wij in de plaats der Hollanders, wij zouden toch zoo zeer op ons gemak niet zijn. Ziet eens Roosteren, Dieteren en Susteren werden stormenderhand ingenomen, nu een paar maanden geleden door eenige nachtridders, die per auto te Maeseyck de brug overstaken; later werd Maastricht met papierkens gebombardeerd uit een vliegtuig, dat eenige duizenden meters boven de stad zweefde; en nu is het de beurt aan Ittervoort, Hunsel en Weert die eenvoudig ingenomen werden door een paar mannen per fiets. Wat ware de Duitschers, vergeleken met die helden? Met duizenden bestormden zij gedurende veertien dagen den Yzer en slaagden er niet in de minste brok grond te veroveren. Thans gaat dat eenvoudiger; met steekt eenige papierkens op zak, springt op een fiets, en `s nachts, als het goed donker is, plakt men die op een pomp of op de deur van een koestal en zie: de streek is geannexeerd. Het beste wat die “helden” zou kunnen overkomen ware, dat zij eens betrapt worden door den een of anderen “sjampetter” die hun eens duchtig de ooren wreef en hen niet losliet, dan nadat zij op de knieën vergiffenis voor hunne (daden) zouden hebben afgesmeekt, en de stellige belofte afgelegd niet meer in die zonde te hervallen. `k Wed voor al wat ge wilt dat het voorgoed gedaan ware met die kinderachtige streken”.[14]

    Tot slot

    Het aanplakken van biljetten in Weert was een laatste stuiptrekking van een zieltogende annexionistische beweging in België. Bij gebrek aan steun in België ging de beweging ter ziele. Le Comité de politique nationale werd in 1930 formeel opgeheven.

    Bronnen

    [1] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.

    [2] Het huisgezin, 27 juni 1927.

    [3] Het agentschap van de Limburger koerier was gevestigd in de Langstraat 380.

    [4] Het Kanton Weert, 59ste jaargang, no 266, vrijdag 1 juli 1927.

    [5] Bredasche courant, 27 juni 1927.

    [6] De Nieuwe Koerier, 27 juni 1927.

    [7] De brochure La protestation du Limbourg bevatte overdrukken van redevoeringen in het Belgisch parlement in 1831 en van verzoekschriften, die vanuit Nederlands Limburg in 1838 naar Brussel waren gestuurd om niet in te stemmen met teruggave van Nederlands Limburg aan de Hollandse koning. De brochure werd met name in Frankrijk verspreid.

    [8] Meer hierover in het grotendeels Franstalige boek “La petition du Limbourg hollandais, 1918-1919, Ruremonde, Romen & Fils”.

    [9] In 1916 gold een districtenstelsel met kiesrecht voor een beperkt aantal mannen.

    [10] “Limburg. Een geschiedenis, vanaf 1800”, pag.84.

    [11] htttps://11.nl/stemmen-uit-het-limburgs-verleden-henri-van-groenendael en “ Limburg en het Belgisch annexionisme 1918-1920”, Kasper Wagemans, pag. 118 e.v..

    [12] Meer hierover in het boek “De Lage Landen 1780/1980, Twee eeuwen Nederland en België”, E.H. Kossmann, pag. 57 e.v..

    [13] De Brusselse krant La Libre Belgique schreef over het aanplakken van pamfletten in Roosteren en Dieteren: “Er wordt beweerd dat het Belgen zijn, die de daad van straatbengels hebben begaan. Wij gelooven veeleer dat het Rotterdammers zijn, tegenstanders van het Hollandsch-Belgisch verdrag, want zulke kinderachtige streken zijn alleen in het belang van de tegenstanders van een overeenkomst tussen beide landen.” Het volk, 12 april 1927.

    [14] De Nieuwe Koerier, 5 juli 1927.

    Cursus Weerterlogie start weer

    Weerterlogen november 2023, foto Jacq Duijf

    Al ruim één procent van de Weertenaren mag zich al Weerterloog noemen. De jongste is 15 en de oudste maar liefst 93 jaar. Door de nog steeds toenemende belangstelling voor het lokale verleden zal er ook in op 20 februari 2024 weer een cursus starten. Weerterlogie, dan weet je wat van je stad!

    In een serie van 8 dinsdagavonden verzorgen enthousiaste experts een gevarieerde introductie in cultuur en geschiedenis van Weert. Elke reeks eindigt met de feestelijke installatie van de nieuwe Weerterlogen door uitreiking van een fraai getuigschrift.

    Voor wie?

    De avondcursus Weerterlogie staat open voor iedereen met belangstelling en een warm hart voor Weert. Er is geen vooropleiding vereist. De opgedane kennis biedt ook een solide basis voor cultuurhistorisch actieve leden van diverse verenigingen.

    Met de opgedane kennis kan iedereen na afloop de naaste omgeving verrassen met een inhoudelijke rondleiding door Weert en zo nog meer genieten van stad en regio.

    Cursusdata Weerterlogie – voorjaar 2024

    Hieronder een overzicht van de dag, de onderwerpen en de deskundige sprekers.

    Datum Onderwerp Door
    20 februari Prehistorie en Oudheid dr. Henk Hiddink
    27 februari Middeleeuwen / Tachtigjarige Oorlog drs. John van Cauteren
    5 maart 17e en 18e eeuw dr. Jos Wassink – LET OP: een andere locatie:

    door omstandigheden gaat de les van 5 maart door in de foyer van het Munttheater, Collegeplein 3 te Weert.
    12 maart Franse tijd dr. Joost Welten
    19 maart 19e eeuw Peter Korten
    26 maart Weerter kunst  drs. John van Cauteren
    2 april WOI, WOII  en Interbellum drs. Theo Schers
    9 april Opbouw en afbraak na WO II drs. Frits Nies

    Praktische Info

    Tijdstip:                      19.00 tot 21.00 uur

    Cursuslocatie:            Antje van de Statie, Stationsplein 1, 6001 CH Weert.
    Let op: Door omstandigheden vindt de cursusles op 5 maart plaats in de foyer van het Munttheater – Collegeplein 3 te Weert.

    Deelnameprijs:          € 121,-  (betaling geldt als inschrijving).

    Aanmelden:               door overmaking van € 121 op bankrekening NL31RABO0176968334 t.n.v.  stichting De Aldenborgh Weert

    onder vermelding van ‘cursus’ en uw naam.

     

    Deelname ook graag doorgeven aan ons secretariaat via info@dealdenborgh.nl

     

    Aldenborgh geeft historie een podium

    Met het houden van lezingen, excursies, Gluren bij de buren, symposia, theatershows, cursus Weerterlogie en het uitgeven van boeken geeft De Aldenborgh de Weerter geschiedenis een podium.. “Altijd met een link naar Weert”, zegt voorzitter Peter Korten.

    In het ‘clublokaal’, brasserie-hotel Antje van de Statie, vertellen vier leden over hun passie voor geschiedenis en in het bijzonder die van Weert. Het zijn Marianne Langeslag (bestuurssecretaresse SJG), Anneke Ronteltap-Stijnen (oud-docente Nederlands van het toenmalige Bisschoppelijke College) Bouke Kouters (sociaal werker Punt Welzijn) en voorzitter Peter Korten.

    Opa’s

    Wat opvalt, is de rol die hun opa’s hierbij speelden. Zo bouwde de opa van Marianne Langeslag mee aan de spoortunnel in Weert. “Als ik door de tunnel loop, ben ik best trots. Het voelt een beetje als ‘mijn’ tunnel”, vertelt Marianne. Van kinds-af-aan is Marianne geïnteresseerd in de geschiedenis. “De vraag waar kom je vandaan, prikkelt me. Geschiedenis gaat over mensen en de verhalen erachter.” Marianne heeft de cursus Weerterlogie gevolgd en is sinds 2021 bestuurslid van De Aldenborgh.

    Verhalen vertellen

    Voor Anneke Ronteltap-Stijnen is geschiedenis vooral verhalen vertellen. Hoe gingen mensen met elkaar om? Hoe plaats je iets in de tijd? Ze weet nog dat haar opa van haar opa van moederskant imker was en bijen hield op de Boshoverheide. “Bij toeval groef hij daar urnen op uit de grond. Urnen die nu nog steeds in het museum liggen.” Anneke is sinds 2000 lid van De Aldenborgh en was van 2002 tot 2010 bestuurslid.

    Nieuwsgierig

    De opa van Bouke Kouters was een goede verhalenverteller. “Hij wakkerde de interesse bij mij aan voor alles wat er niet meer was.” Archeologie is helemaal zijn ding. Het begon met de opgravingen op Kampershoek in 1996. “Ik ben nieuwsgierig naar waarom mensen doen wat ze doen en waarom de dingen zijn, zoals ze zijn.” Tijdens het archeologisch onderzoek in de Paterskerk kwam Bouke in contact met Peter Korten en sinds 2018 is hij bestuurslid van De Aldenborgh.

    Mijlpalen

    In 1939 werd De Aldenborgh opgericht door onder andere de burgemeesters van Weert, Stramproy, Nederweert paters Franciscanen en ‘professoren’ van het Bisschoppelijk College. De naam is ontleend aan het eerste kasteel van de graven Van Horne aan de Biest in Weert. Het genootschap was een gesloten club met een wetenschappelijke inslag. “Een ballotagecommissie besliste of je lid mocht worden”, herinnert Peter zich, die zo’n veertig jaar lid van De Aldenborgh is en twintig jaar voorzitter. “Tegenwoordig kan iedereen lid worden en is er aandacht voor de geschiedenis van de stad, maar ook ieder kerkdorp van Weert.” Als mijlpalen noemt Peter het Van Hornejaar in 2018, het ruiterstandbeeld in het kasteelpark, de stamtafel Weert, balchampêtre en de succesvolle cultuurhistorische zomeractiviteiten Gluren bij de Buren. Bijzonder is ook dat het eerder uitgegeven boek over Antje van de Statie de basis vormt voor Antje de Musical komende mei.

    Laagdrempelig

    De kracht van De Aldenborgh is de combinatie van inhoudelijk goede evenementen en de sociale cohesie binnen de club. “We zijn laagdrempelig. Vrijheid, blijheid en na afloop wordt er nog gezellig nagepraat aan de bar. Zolang er Weertenaren zijn, blijft De Aldenborgh bestaan.”

    De Aldenborgh viert het 85-jarig jubileum op 15 januari met een feestdiner voor de leden. Op 10 maart is het theaterprogramma in het Munttheater en op 25 en 26 mei de tweedaagse excursie naar Ieper (Eerste Wereldoorlog) en de viering van het 500ste geboortejaar van Filips van Montmorency op kasteel Ooidonk in Deinze. (Bron: ViaWeert 10-01-2024).