Impressie van het feestdiner – foto’s Jack Duijf en tekst Wil Filott

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het geschied- en oudheidkundig genootschap de Aldenborgh herdenkt dit jaar dat het 85 jaar geleden in hotel De Engel aan de Korenmarkt te Weert is opgericht. Het jubileumjaar werd op 15 januari jl. geopend met een feestelijke avond met diner bij Brasserie-Hotel Antje van de Statie.

De koks hadden zich bij de gerechten laten inspireren door een menu, dat 6 september 1937 werd gereserveerd ter gelegenheid van een bezoek van leden van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) aan Weert.

Welkomstwoord

De 150 gasten werden door bestuursleden van de Aldenborgh verwelkomd en naar de voor hen gereserveerde plaatsen begeleid. Voorzitter Peter Korten heette de gasten welkom en zei blij te zijn met de geweldige opkomst: een volgeboekt huis en een blijk van belangstelling voor de eigen historie en cultuur.

Hij heette in het bijzonder welkom pater Gerard Heesterbeek, franciscaan, Raymond Vlecken, burgemeester van Weert, Jacques van Rensch en Jos Schatorjé, voorzitter resp. vicevoorzitter van het Koninklijk LGOG, Lei Ramakers, de vaste buschauffeur bij excursies van de Aldenborgh, Arjanne van Voorst, beheerster van de website en de koks Paul Silverentand en Emmanuel Mertens.

Vervolgens gaf hij het woord aan pater Heesterbeek en burgemeester Vlecken om de opening van de feestavond te verrichten. Burgemeester Vlecken liet de eer om als eerste te spreken over aan de vertegenwoordiger van de geestelijke stand.

De openingstoespraken

Pater Heesterbeek opende met de Franciscaanse groet: pace et bene (vrede en alle goeds). Hij was op verzoek van Peter Korten in vol ornaat, de bruine Franciscaner pij, een langzamerhand verdwijnend verschijnsel in het straatbeeld van Weert, waar de Franciscaner orde zich in 1461 had gevestigd.

V. l. n. r.- pater Heesterbeek, burgemeester Vlecken, voorzitter Korten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wat betreft burgemeester Vlecken onthulde hij dat die in zekere zin ook een franciscaan is. Hij heeft immers zijn middelbare schoolopleiding genoten op het Bernardinus te Heerlen, van oorsprong een school van de franciscaanse broeders. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en wenste het genootschap succes en een mooie toekomst. Burgemeester Vlecken bevestigde dat hij franciscaans bloed in de aderen had. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en benadrukte het belang van de Aldenborgh voor de Weerter gemeenschap.

Kort na zij benoeming als burgemeester van Weert had hij op een bijzondere manier kennis gemaakt met de Aldenborgh. Hij had een uitnodiging gekregen om het ruiterstandbeeld van Philips de Montmorency in Bocholt op te halen. Uiteraard had hij gevolg gegeven aan de uitnodiging. Het beeld werd met een huifkar in Bocholt opgehaald. Behalve het beeld werden er ook enkele kratten gekoeld bier van de plaatselijke brouwerij aan boord gehesen. Tot zijn schrik bemerkte hij dat het bier snel op was en dat er bij de tocht naar Weert nauwelijks rekening werd gehouden met verkeersregels; en dat met hem als eerstverantwoordelijke voor openbare orde en veiligheid aan boord. Er waren bijvoorbeeld geen verkeersregelaars ingeschakeld. Peter Korten merkte op dat dat wel het geval was. nl. de schutterij van Bocholt, hetgeen tot enige hilariteit bij de gasten leidde. Maar de tocht verliep verder “vleckeloos”.

Het menu

Meesterkok Emmanuel Mertens

Meester-kok Emmanuel Mertens, geboren en getogen in het pand van Antje van de Statie, gaf een toelichting op het menu.

potage à la reine

Het voorgerecht: potage à la reine (koninginnensoep), oorspronkelijk gemaakt van paddenstoelenbouillon, gevogeltebouillon en amandelbouillon met groente. Deze avond staat een wat eenvoudiger potage à la reine op het menu.

rundertong

Het hoofdgerecht: rundertong of parelhoen. Rundertong wordt beschouwd als orgaanvlees maar is in feite spiervlees. De tong van een rund is immers de hele dag in beweging.

 

parelhoen
stoofpeertje met ganache en ijs

 

Het parelhoen is klaargemaakt op de wijze van Coq au vin. Het dessert: een stoofpeertje met ganache, zacht van structuur, en vanille-ijs.

 

De heildronk op 85 jaar de Aldenborgh.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na het uitbrengen van een heildronk opende Peter Korten de tafel, niet met een uitgebreid gebed zoals vroeger gebruikelijk was maar met een citaat van de legendarische pater Willem Sangers: “Heer, ge weet hoezeer wij u beminnen, laat ons daarom maar snel beginnen”.

De Rogstaekers

Na de potage werden de gasten verrast met een bezoek van de 78ste Stadspreens Ruud I  – kleinzoon van Daan Tuuënisse vanne Binnenmuuële – van De Rogstaekers met gevolg waaronder Vorst Jasper Heesakkers.

De Rogstaekers in vol ornaat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na het belang van De Aldenborgh als hoeder van het cultureel erfgoed benadrukt te hebben, onderscheidde de Rogstaekersprins Peter Korten met de Orde vanne Boonte Muuële. Peter overhandigde daarna een exemplaar van het boek “Parel van de heide” van Frits Nies aan de prins.

Bart Maes, President van de Samenwirkende Limburgse Vastelaovesvereniginge (S.L.V.), bracht naar voren dat in 1619 in Weert al vastelaovend gevierd werd. En nu, in 2024, is Weert de opvolgster van Keulen als Carnavalshoofdstad van Europa. Ook het S.L.V. verleende Peter Korten een onderscheiding van groot formaat.

De sectie Oeganda

De sectie Oeganda van de Aldenborgh

Vervolgens werden foto’s getoond met Jean Kiggen, een jongen uit Laar, die na zijn priesterwijding naar de missie in Oeganda is vertrokken. De bevolking van Weert bleef hem steunen en zorgde zelfs voor een kapelboot op de Nijl. Pater Jean Kiggen leek in het tijdperk van Amin Idi in vergetelheid te zijn geraakt te zijn. Gebleken is echter dat zijn naam in Oeganda nog voortleeft in de Fr. John Kiggen Memorial Colleges. Recent is zelfs ontdekt dat de Aldenborgh ook in Oeganda een afdeling heeft.

Deze sectie Oeganda feliciteerde in een filmpje met een enthousiaste, levendige dans de Weerter Aldenborgh met zijn 85-jarig jubileum.

Een danser droeg daarbij een bord met een in foutloos Wieërts geschreven felicitatieboodschap. Ze zouden zo lid kunnen worden van Veldeke Wieërt. Aan de uitspraak van het woord “gruuëts” moet nog wel wat aandacht worden besteed.

Nota Bene: het bestuur van de Aldenborgh overweegt om leden van de sectie Oeganda uit te nodigen voor het volgend jubileumdiner. De bestuursleden aarzelen nog over een bezoek aan Oeganda, bevreesd als zij zijn dat ze daar halfnaakt een dans moeten opvoeren.

De tafelredenaars

Een drietal “tenoren”- beter gezegd “nestoren” – van de Aldenborgh hield tussen de gangen door korte causerieën.

Herman Mathijsen

Mr. Herman Mathijsen vertelde dat hij in 1964 lid was geworden nadat hij in 1963 een

lezing had gehouden over de Sint Martinuskerk. Zijn hobby is genealogie. Hij verhaalde hoe hij in verloren gewaande familiearchieven van de adellijke familie de Riquet de Caraman die een speciale band met Weert heeft, onderzoek heeft gedaan. Deze familie verkocht in 1841 de ruïne van kasteel de Nijenborgh aan Louis Beerenbroek, voormalig burgemeester van Weert.

Ook hij onderstreepte het belang van de Aldenborgh voor Weert. Verder bracht hij enkele desiderata voor verder onderzoek naar voren, zoals dat naar het Frans kadaster. Hij pleitte ook voor het bewaren en toegankelijk maken en houden van het oeuvre van Emile Haanen. Peter Korten kon hem wat dat laatste betreft geruststellen.

 

Thijs Stultiëns

Mr. Thijs Stultiëns vertelde over het drukke leven van zijn vader als “köster” van de Sint Martinuskerk. Door de week waren er s`ochtends drie missen, om 6.30 uur, om 7.30 uur de kindermis en om 8.15 of 9.00 uur nog een mis. Vaak werden die dan gevolgd door een begrafenis- en/of huwelijksmis.

Begrafenismissen werden soms snel opgevolgd door huwelijksmissen. Het was dan een uitdaging om de parafernalia van de begrafenismis op te ruimen en voor de huwelijksmis de loper van het altaar tot de kerkdeur rimpelloos uit te rollen.

Er vonden ook nog zogenaamde stille missen in de zijkapellen plaats. Die werden opgedragen door priesterleraren van het Bisschoppelijk College en door missionarissen die tijdelijk in Weer verbleven. `s Middags was er haast iedere dag om 15.00 uur een doopplechtigheid en om 17.00 uur een lof.

`s Zondag begonnen de missen iets later en was er om 9.15 uur een plechtige hoogmis met drie heren, gevolgd door stille missen met preek. Aan priesters was er in die tijd geen gebrek. De taken van de koster waren onder meer het klaarleggen van de misgewaden en het heilig vaatwerk (kelk, pateen, ciborie), inspectie van het kerkgebouw en ophalen van de gezinsbijdragen. De scheiding tussen kerk en staat was in Weert niet helemaal doorgevoerd: de priesters kregen een stipendium van de gemeente.

Alfons Bruekers

Ir. Alfons Bruekers hield een verhaal met als titel: “Nog lang niet uitgeteld”. Als vroeger iemand de leeftijd van 80 jaar bereikt had, hield men op met tellen. Zo`n leeftijd kwam nauwelijks voor. Een dergelijk persoon werd octogenarius genoemd, ongeacht hoeveel jaren hij boven de 80 was. Dat gold niet voor de Aldenborgh. Die was het aan zijn stand als historische vereniging verplicht de juiste leeftijd bij te houden.

Hij vertelde dat de Nederweertenaren, die zich met vastelaovend Pinmaekers noemen, de uitvinders van de kalender waren. Als zij vroeger in de Peel turf gingen steken, staken zij iedere dag een houten pin in de gestoken turf. Als er zeven pinnen gestoken waren, was het zondag en tijd om naar de kerk te gaan.

Veel verder ging de telkunst in Nederweert blijkbaar niet, want bij de viering van een aantal jubilea in Nederweert zat men er wel eens flink naast, zoals bij de viering van 100 jaar aanwezigheid van de zusters Franciscanessen en de viering van 100 jaar muziekbeoefening. Ook de datering van de eerste steen van de Sint Lambertuskerk leverde de nodige jaartallen op.

In 1933 ontstond er in Nederweert een conflict tussen twee jonge vaders over het antwoord op de vraag wiens kind de 7000ste inwoner van de gemeente Nederweert was. De 7000ste inwoner zou een spaarbankboekje met 25 gulden krijgen. De vraag was wat telde: het tijdstip van de geboorte of van de geboorteaangifte bij de gemeente.  Burgemeester Van Uden besliste dat het tijdstip van de aangifte doorslaggevend was. Dat viel bij de vader, wiens kind het spaarbankboekje misliep, niet in goede aarde. De kwestie liep zo hoog op dat er met een hagelgeweer op de burgemeester, die in zijn blote bast voor een raam stond, werd geschoten. Hij overleefde die aanslag maar wel met een enigszins korrelig lijf.

Alfons sloot af met drie conclusies:

1. tellen lijkt niet de sterkste kant van inwoners van het Land van Weert;

2. maar dat geldt niet voor de Aldenborgh. Die kan wel goed tellen;

3. de Aldenborgh als octogenarius-plus is springlevend en nog lang niet uitgeteld.

De jubilarissen

Na het voortreffelijk dessert was het woord aan mr. dr. Jacques van Rensch, voorzitter van het LGOG. Hij prees zich gelukkig een groot aantal leden van het LGOG te mogen feliciteren met hun langjarig lidmaatschap van het LGOG. Hij spelde hen een LGOG -speldje op voor hun 25, 40 en 50-jarig lidmaatschap. Een bijzonder woord was er voor Herman Mathijsen. Die was 60 jaar lid, een zeldzaamheid. Zo zeldzaam dat er zelfs geen LGOG-speldje voor bestond. Het LGOG had daarom speciaal voor deze jubilaris een oorkonde laten vervaardigen, die hij aan Herman Mathijsen overhandigde.

Groepsfoto met de jubilarissen

De jubilarissen van het LGOG zijn:

60 jaar

mr. H.J.M.E. Mathijsen

 

50 jaar

F.W.J.H. van Tuel sr.

L.A.M. Stroekxs van den Broek

P.M. Roost

 

40 jaar

J. van Cauteren

H. LInskens

P.M.M. van Wegberg

A.M.G.C. van Wegberg-Veugen

H.P.B. Haex

F. Veugen

P.J.G.A. Hermans

 

25 jaar

A.H.M. Verheggen

G.J.E. van Diepen

J.H.M. Peeters

F.H.A. Peeters-Munnecom

Na het eerbetoon aan de jubilarissen eindigde de feestelijke en geslaagde avond, waarvan de bezoekers hebben genoten en goede herinneringen aan hebben overgehouden.

N.B. Veel dank aan het personeel van Antje van de Statie dat er op een voortreffelijke manier in geslaagd 150 gasten van heerlijke spijzen en dranken te voorzien.

 

Slot

De avond kan niet beter beschreven worden dan met de woorden in een reactie van een bezoeker uit het verre, kille Holland.

“Het was een geweldig feest, echt een groot feest. De organisatie was perfect, de toespraken humorvol en informatief. En het menu was een feest; 85 jaar geleden wisten ze hoe het moest en op 15 januari 2024 was dat nog altijd zo”.

 

Een gewelddadige overval in 1846 op het Maxet – Wil Filott

 

Kaart met ligging Maxelt tussen Leveroy en Heythuysen rond 1850. Kadaster Apeldoorn

Maxet is een buurtschap, gelegen in de gemeente Leudal tussen Leveroy en Heythuysen, met verspreid liggende bebouwing. Maxet omvat het gebied ten westen van Heythuysen en ten oosten van Leveroy. In het noorden wordt het begrensd door de Leveroyse beek en in het zuiden door de Tungelroyse beek. Er wonen bijna 500 mensen.

Tussen 1850 en 1860 woonden er op Maxelt, zoals het in de 19de eeuw genoemd werd, 57 gezinnen. Van de beroepsbeoefenaren waren er 36 werkzaam in de landbouw, 13 dagloners, 1 scheper, 1 koopman, 2 linnenwevers, 1 klompenmaker en 1 smid. Maxet met omgeving telde toen ongeveer 450 inwoners.[1]

 

Wat gebeurde er in 1846 op Maxet?

Op 3 januari 1846 vond er op `s avond tussen half tien en twaalf uur een gewelddadige roofoverval plaats op de afgelegen boerderij van de familie Willekens op Maxet, een kleine kilometer ten noorden van Leveroy. Slachtoffers waren Jeanne Aan de Berg, weduwe van Jacob Willekens, haar zoon Mathieu Willekens, diens echtgenote Hélène Kirkels en hun knecht André Stempkens. De overvallers, vier mannen en een vrouw, hadden hun gezichten zwart gemaakt om herkenning te voorkomen.[2] Zij waren gewapend met pistolen, een geweer en een stok. De overvallers waren uit op de opbrengst van dertig eikenbomen die Mathieu Willekens had verkocht.

Nadat ze het huis van de familie Willekens waren binnengedrongen, knevelden zij de bewoners en bedreigden hen met de dood als zij ook maar het minste geluid zouden maken of zouden weigeren hen brood en geld te geven. Eenmaal binnen beroofden zij de familie van een groot aantal bezittingen. Rond vier uur `s morgens slaagde Mathieu Willekens erin zich van zijn boeien te ontdoen en zijn familieleden te hulp te schieten.

 

De buit

De volgende zaken werden door de overvallers buitgemaakt: drie broden, enkele appels, drie stuks linnen, een beddenlaken, een tafelkleed, een hemd, 27 Franse kronen, een bedrag ter waarde van ongeveer 40 Nederlandse guldens in munten van een, twee en vijf franken uit een kistje van de weduwe Willekens, wat geld dat de weduwe in een linnen zakje bewaarde, 7 stuks gezouten spek, 4 worsten die zij van de zoldering haalden, 3 munten van 5 francs, een paar zwarte linnen kousen van Mathieu Willekens, 2 gestreepte japonnen, een zilveren ring, koralen en zijden linten van de weduwe, een zilveren horloge, 3 francs, een zijden das en een aantal voorwerpen uit de slaapkamer van het echtpaar Willekens, 8 verschillende broden, andere levensmiddelen uit de kelder en een geweer dat zij in de keuken vonden.[3]

 

Ligging boerderij Willekens- uitsnede Kadastrale kaart 1811-1832- minuutplan Heythuysen, Limburg, sectie G, blad 01 (MIN11040G01)

Drie verdachten gearresteerd

Pas na enige tijd werden na naarstig onderzoek onder leiding van een officier van Justitie van de rechtbank te Roermond drie personen opgespoord die verdacht werden van betrokkenheid bij de overval. Dat waren Jan Jacob Creutz of Cruytz, 46 jaar, geboren en wonende in Weert, van beroep dagloner, Johannes Timmermans, 25 jaar, geboren in Haarlem en wonende op Roeven, gemeente Nederweert, van beroep dagloner, en Catharina Smolenaars, 25 jaar, geboren te Weert en woonachtig op Leuken, gemeente Weert, van beroep arbeidster. Zij werden gearresteerd. De andere dieven bleven buiten bereik van Justitie.[4]

[i] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.

 

De zaak voor het Provinciaal Geregtshof in Limburg

De drie gearresteerde personen werden voor het Provinciaal Geregsthof in Limburg te Maastricht gedagvaard. De twee mannelijke verdachten werden beschuldigd van een gewapende overval in de nachtelijke uren met bedreiging van geweld door vijf personen op de familie Willekens op Maxelt; de vrouw van heling van gestolen goederen. Er waren niet minder dan 112 getuigen in de zaak opgeroepen, waarvan er er 108 werden verhoord. Het verhoor van de getuigen en de verdachten nam 10 dagen in beslag. De getuigen moesten van Maxet, Weert, Nederweert en omgeving naar Maastricht reizen; geen sinecure in die tijd zonder treinverbinding, auto en fiets.

Het Geregtshof deed op 7 juni 1847 uitspraak. Jan Jacob Creutz en Johannes Timmermans werden schuldig verklaard aan: “diefstal, gepleegd, bij nacht in een bewoond huis, door vijf personen, die zich zwart hadden gemaakt en waarvan er vier openlijk wapenen bij zich droegen, en zulks met geweldoefening en bedreiging van hunnen wapenen te gebruiken”. De omstandigheden waaronder de diefstal had plaatsgevonden, waren van groot belang in verband met de strafmaat. De veroordeling vond plaats op grond van artikel 381 van het Wetboek van Strafregt: diefstal met vijf verzwarende omstandigheden.

Jan Jacob Creutz die reeds eerder een aantal malen was veroordeeld wegens diefstal, smokkelarij en mishandeling, werd veroordeeld tot de doodstraf, uit te voeren door middel van de guillotine binnen de stad Maastricht. Johannes Timmermans kwam er iets genadiger vanaf. Hij werd veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken met de letters T.P. [5] Catharina Smolenaars werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan de diefstal door het bewust helen van een gedeelte van de gestolen voorwerpen. Zij werd veroordeeld tot vijf jaren dwangarbeid.[6] Volgens het Algemeen Handelsblad hadden de veroordeelden het vonnis met klaarblijkelijke onverschilligheid aangehoord en te kennen gegeven in cassatie te zullen gaan.[7]

 

De zaak voor de Hoge Raad

Zoals ze al bij het Provinciaal Geregtshof hadden aangekondigd, tekenden Creutz en Timmermans cassatieberoep bij de Hoge Raad aan tegen hun veroordeling.

Namens Creutz werd naar voren gebracht dat de uitspraak van het Geregtshof niet geheel overeenstemde met de tenlastelegging. Die behelsde niet alleen diefstal met verzwarende omstandigheden maar ook medeplichtigheid daaraan. In de uitspraak van het Geregtshof was die medeplichtigheid niet vermeld. De Hoge Raad was van mening dat dit een futiliteit was. Het zou ongerijmd zijn als op basis daarvan de uitspraak van het Geregtshof vernietigd zou worden.

Namens Timmermans werd bezwaar gemaakt tegen de overweging van het Geregtshof dat volgens verklaringen van meerdere getuigen Timmermans, die een onechte zoon van de vrouw van Creutz was, veel omgang met Creutz had gehad en ook meermalen in het huis van Creutz was gezien. De Hoge Raad was van mening dat nu de overweging op meerdere getuigenverklaringen berustte, er sprake was van wettig bewijs. Het cassatieberoep van beide heren werd op 28 september 1847 verworpen.[8] Daarmee werden de straffen definitief.

 

De tepronkstelling van de veroordeelden

Op 30 april 1848 werden Jan Jacob Creutz uit Weert, Johannes Timmermans uit Nederweert en Catharina Smolenaars uit Weert op het Marktplein te Maastricht te pronk gesteld. De doodstraf van Jan Jacob Creutz was bij Koninklijk Besluit van 8 april 1848 omgezet in eeuwigdurende dwangarbeid en een uur tepronkstelling.

In de het Wetboek van Strafregt stond dat dat een tot dwangarbeid veroordeelde alvorens zijn straf te ondergaan gedurende een uur op een openbare plaats te pronk gesteld moest worden. Boven het hoofd van de veroordeelde moest een bord geplaatst worden waarop met grote, leesbare letters zijn naam, beroep, woonplaats, misdaad en straf vermeld waren. De tepronkstelling had een dubbele functie. Op de eerste plaats was het de bedoeling dat de veroordeelde publiekelijk werd vernederd en te schand gezet. Het publiek kon de veroordeelde beschimpen of op een andere wijze van zijn afkeer doen blijken. Op de tweede plaats moest er een afschrikwekkende werking voor de burgers van uit gaan en een aansporing om zich aan de wet te houden.

 

Voorbeeld van een tepronkstelling. Avgb.be

Bleven de andere verdachten buiten schot?

Zoals we gezien hebben, waren er aanvankelijk maar drie van de daders van de gewelddadige overval op 3 januari 1846 op Maxet opgepakt en veroordeeld. De overige daders bleven behoorlijk lang uit handen van Justitie maar uiteindelijk werden zij ook opgepakt. Het gerucht ging dat zij verraden waren door de veroordeelden.

Op 19 april 1849, meer dan drie jaar na de overval, stonden voor het Provinciaal Geregtshof te Maastricht terecht: Jacobus Smolenaars, een broer van de reeds veroordeelde Catharina Smolenaars, Mathea Feijen, echtgenote van Johannes Timmermans, en haar moeder Elisabeth Feijen. Er waren 32 getuigen opgeroepen.

Het Geregtshof veroordeelde Jacobus Smolenaars, orgelspeler uit Nederweert, tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken wegen nachtelijke diefstal met geweld, gepleegd door meer gewapende personen in een bewoond huis. Mathea Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, werd veroordeeld tot vijf jaar opsluiting en tepronkstelling wegens medeplichtigheid aan de diefstal.

Diezelfde straf kreeg Elisabeth Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, ook wegens medeplichtigheid. Op 4 november 1849 vormde de Grote Markt te Maastricht de schouwplaats voor de tenuitvoerlegging van de tepronkstelling van deze drie veroordeelden.[9] Het brandmerken van Jacobus Smolenaars vond niet plaats omdat koning Willem II hem daarvoor gratie had verleend.

 

De relatie tussen de veroordeelden

Johannes Timmermans is op 3 augustus 1820 te Haarlem geboren als onwettige zoon van de ongehuwde Petronella Timmermans, geboren op 13 mei 1798 op Roeven, Nederweert.  Petronella is op 30 augustus 1826 te Bloemendaal getrouwd met Jan Jacob Creutz, geboren op 6 mei 1801 te Weert.[10]

Johannes Timmermans is op 4 februari 1846, een maand na de roofoverval, te Nederweert getrouwd met Mathea Feijen, geboren op 1 september 1820 te Nederweert, een onwettige dochter van Elisabeth Feijen.

Jacobus Smolenaars is geboren op 7 april 1818 op Leuken, Weert; zijn zus Catharina Smolenaars is geboren op1 juli 1821 op de Moosdijk te Weert. Uit eerder vermelde gegevens blijkt dat de overval op Maxet een aangelegenheid was van twee families.

 

Hoe ging het verder met de veroordeelden?

Jan Jacob Creutz, Jacob Smolenaars en Johannes Timmermans waren, zoals we gezien hebben, veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, in de praktijk langdurige dwangarbeid. Zij moesten deze straf ondergaan in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden.

De leefomstandigheden in deze overbevolkte gevangenis waren zwaar. Dat was overigens niet alleen het geval in Leeuwarden maar ook in andere gevangenissen en arresthuizen. Zo klaagde de commandant van het Huis van Reclusie en Tuchtiging in Leeuwarden in 1849 over de “steeds voortdurende armoedige en ziekelijke toestand der gevangenen, die van elders werden aangebragt” en “de bedoelde gevangenen zijn allen zonder onderscheid, door ongedierte geteekend en bovendien door koude en ontbering zoodanig verzwakt dat velen hunner, dadelijk na aankomst, in de ziekenzalen moeten worden opgenomen”.[11] In 1849 waren er op 31 december 818 gevangenen in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden ondergebracht. In dat jaar waren er 100 overleden.

De vrouwelijke veroordeelden, Elisabeth Feijen, Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, zijn op 16 november 1849 ingesloten in de gevangenis te `s Hertogenbosch en een dag later overgebracht naar de vrouwengevangenis te Gouda.

Jan Jacob Creutz heeft niet lang in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging doorgebracht. Hij is daar op 50-jarige leeftijd op 28 april 1852 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij arbeider was, geboren en wonende te Weert en dat overigens niets van hem bekend was.

Overlijdensakte Johannes Timmermans. Bron- https-::allefriezen.nl

Ook Johannes Timmermans heeft niet lang in de gevangenis gezeten. Hij is daar op 22 juli 1854 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij dagloner was, geboren te Haarlem en wonende te Weert, dat hij de man van Mathea Fee (!) was en dat hij een zoon was van Petronella Timmermans, arbeidster, woonachtig te Weert.

Jacobus Smolenaars is eveneens overleden in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging en wel op 4 maart 1852. In de overlijdensakte staat dat hij orgelspeler was, geboren in Weert en wonende te Nederweert, en dat er verder niets van hem bekend was.

Elisabeth Feijen moest, evenals haar dochter Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, haar straf ondergaan in de speciale vrouwengevangenis in Gouda. De leefomstandigheden daar waren uitermate slecht. Er was sprake van overbevolking; de vrouwen sliepen in hangmatten in drie rijen boven elkaar met weinig ruimte en zonder verlichting.

Men had ook te maken met ongedierte en stank van een open riool vlakbij de gevangenis. Het was er `s winters zeer koud en `s zomers erg warm. In 1847 overleden er als gevolg van de hitte 300 gevangenen.[12] Ook Elisabeth Feijen heeft het verblijf in de gevangenis niet overleefd. Zij is op 30 maart 1850 op 56-jarige leeftijd overleden in de vrouwengevangenis te Gouda. Zowel van Mathea Feijen als van Catharina Smolenaars heb ik geen gegevens gevonden hoe het hen verder is vergaan.

 

Epiloog

Misdaad loont niet. Dat gezegde heeft zeker gegolden voor de overvallers op de boerderij van Willekens op Maxet in 1846. De meeste daders hebben hun daad uiteindelijk met de dood moeten bekopen, zij het niet op het schavot maar in de gevangenis.

 ————————————————————————————————————————————————–

Dank aan Alfons Bruekers voor het kritisch beoordelen van een eerdere versie en het geven van nuttige adviezen.

 

Bronnen

[1] www.heemkunde-leivere.nl

[2] Journal du Limbourg, 11 januari 1846.

[3] Journal du Limbourg, 21 mei 1847.

[4] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.

[5] Als bijkomende straf werd een tot eeuwigdurende dwangarbeid veroordeelde op een publieke plaats met een gloeiend ijzer op de rechterschouder gebrandmerkt met de letters T.P.. Deze letters staan voor travaux perpétuels: de Franse woorden voor eeuwigdurende dwangarbeid.

[6] Weekblad van het regt, 17 juni 1847.

[7] Algemeen Handelsblad, 10 juni 1847.

[8] Weekblad van het regt, 28 november 1847.

[9] Journal du Limbourg, 4 november 1849.

[10] Jan Jacob Creutz en Petronella Timmermans waren binnenlandse arbeidsmigranten. Zij werkten als blekersknecht resp. blekersmeid in de regio Haarlem. Voor meer informatie: www.keesfloor.nl wimmenum, Blekerijen, en “Parel van de heide…in de 19de eeuw”, Frits Nies, pag. 56.

[11] Algemeen Handelsblad, 19 oktober 1849.

[12] Samh.nl/uitgelicht/bijzondere-verhalen-uit-het-bevolkingsregister-een-vrouwengevangenis.

 

 

 

Consternatie op De Mildert in 1891 – Wil Filott

De Mildert is een kleine buurtschap gelegen in het uiterste zuiden van de gemeente Nederweert, redelijk ver verwijderd van andere kernen in die gemeente. De dichtstbijzijnde ´grotere` plaats is Swartbroek in de gemeente Weert. Bij onderzoek in kranten en tijdschriften uit de 19de eeuw zijn weinig bijzondere zaken over De Mildert naar voren gekomen.

Ik beperk me tot een gebeurtenis in 1891, die consternatie in de kleine gemeenschap veroorzaakte. Hoewel in feite een onbeduidend fait divers besteedden landelijke en regionale kranten daar aandacht aan.

Foto: Gemeente Nederweert 1866 met beneden Mildert. Kuyperkaart

 

 

Wat was die consternatie veroorzakende gebeurtenis?[1]

De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891.

Volgens de Nieuwe Koerier vervoegde zich op 5 november 1891 tegen de avond een vreemdeling bij het huis van de 57-jarige weduwe Van Gelooven, landbouwster op De Mildert.[2] Hij gaf door gebaren te kennen dat hij honger had. De vrouw gaf hem een flinke boterham. Hij wierp zich voor de vrouw op de knieën. Deze schrok daarvan zo hevig dat zij naar buiten liep en om hulp riep. Enkele buren kwamen op het geschreeuw af, zetten de onbekende buiten de deur en dienden hem een paar oorvijgen toe.

Vervolgens bonden ze hem vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee van Weert haastte zich naar de Mildert waar zij de vreemdeling vastgebonden aan de boom aantroffen. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Weert. Hoewel niemand hem kon verstaan, bleek uit zijn papieren dat hij Weranof heette en uit Rusland of Polen afkomstig was. Hij was op reis naar Amerika. De passagebewijzen voor de overtocht had hij bij zich. Hij werd richting Antwerpen gedirigeerd.

De Maas- en Roerbode schetste een ietwat ander beeld van de gebeurtenissen. Nadat de vrouw hem een boterham had gegeven, greep hij een kopje en schepte wat melk uit een bij het vuur staande roompot. De vrouw zei dat hij dat niet mocht doen. Toen bedreigde hij haar met een mes en wilde haar grijpen. De vrouw ontvluchtte hem en riep de buren om hulp. Een paar stevige kerels grepen hem vast en bonden hem aan een boom. De marechaussee uit Weert werd ontboden. Die bracht hem dezelfde avond geboeid naar Weert. De aanrander droeg in de mouw van zijn jas twee messen.

De Mildert (Millert) rond 1898. Het merendeel van de bebouwing lag ten zuiden van de spoorlijn Weert – Roermond. Kadaster Apeldoorn [3]

In de Maasbode werd een bericht aangehaald dat uit Swartbroek naar de Limburger Koerier was gestuurd. Volgens dat bericht werd het anders zo vreedzame gehucht Swartbroek in rep en roer gebracht door een persoon die aan een vrouw een stuk brood vroeg.

De vrouw gaf hem wat brood en nadat hij dat verorberd had, wilde hij de vrouw aanpakken. Deze begon te schreeuwen, waarop meerdere buren te hulp kwamen. Maar de man wilde die ook te lijf gaan, maar dat werd hem verhinderd. Omdat niemand de man verstond en men meende dat hij de vrouw, die hem het brood had gegeven, wilde mishandelen, gaf men de arme man een flink plak slaag en bond hem daarna vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee uit Weert nam de vreemde sinjeur mee.

Stationsgebouw Vlodrop bij de afbraak. Bron: Roerstreekmuseum

Bij het onderzoek bleek dat de vreemdeling een Russische uitgewekene was, die op weg was naar Amerika.[4] Hij had om een of andere reden de trein in Vlodrop verlaten[5] en was te voet op weg naar Antwerpen.[6] Op die reis was hij uitgehongerd en vermoeid te Swartbroek gekomen.

Om zijn dank aan de vrouw, die hem brood had gegeven, te betuigen had hij naar Oosterse gewoonte de voeten van de vrouw willen kussen en zich voor haar op de knieën geworpen.[7] Ook te Weert had hij dat herhaaldelijk gedaan toen men hem daar eten en wat geld gegeven had. De man zou over de grens gebracht worden.

 

Kaart met De Mildert, Swartbroek, Kelpen en Leveroy rond 1891. Kadaster Apeldoorn

Hoewel de inhoud van de krantenberichten verschillend is, meen ik dat de gebeurtenis heeft zich afgespeeld op De Mildert en niet in Swartbroek.[8] Mogelijk is de vermelding van Swartbroek een gevolg van het feit dat De Mildert dichter bij Swartbroek ligt dan bij andere dorpen zoals Leveroy, waar het kerkelijk toe behoorde.

Met het over de grens zetten van de Rus eindigde de gebeurtenis, die in november 1891 voor consternatie op De Mildert gezorgd had.

 

Bronnen

[1] De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891. Met dank aan Alfons Bruekers, die mij erop attendeerde dat de gebeurtenis op De Mildert heeft plaatsgevonden en niet in Swartbroek, zoals enkele kranten meldden.

[2] De weduwe is Maria Elisabeth Kuppens (gemeente Nederweert, 24 februari 1834 – gemeente Nederweert, 11 oktober 1901), gehuwd op 30 april 1862 te Nederweert met Petrus Joannes van Gelooven (Hunsel, 5 maart 1824 – gemeente Nederweert, 23 januari 1881).

[3] Na de aanleg van het kanaal Wessem-Nederweert in 1929 kwam de bebouwing van De Mildert ten oosten van dat kanaal te liggen.

[4] Mogelijk was deze man een van de vele Russische Joden die in het antisemitische, tsaristische Rusland na de verdrijving van de Joden medio 1891 uit Moskou en andere grote steden hun heil probeerden te zoeken in de Verenigde Staten.

[5] Buiten Vlodrop lag toendertijd een treinstation, Vlodrop Statie, aan de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en Rheidt in het Ruhrgebied. De Mildert ligt aan de IJzeren Rijn, aangelegd tussen 1875 en 1879. Mogelijk dat de Rus op weg naar Antwerpen vanaf Vlodrop Statie het tracé van de spoorlijn heeft gevolgd.

[6] Naast Rotterdam was Antwerpen een belangrijke vertrekhaven voor emigranten (landverhuizers) naar de Verenigde Staten. Een belangrijke rederij voor het vervoer van landverhuizers was de Red Star Line. Een kwart van die landverhuizers bestond uit Joden.

[7] Een in onbruik geraakte Nederlandse uitdrukking is “iemand de voet kussen”.: onderdanig zijn, iemand als zijn meerdere erkennen. De paus wast en kust op Witte Donderdag als teken van nederigheid de voeten van mensen die het niet zo goed getroffen hebben in de maatschappij, in navolging van Christus bij het laatste avondmaal.

[8] Dat er een nauwe relatie tussen Swartbroek en De Mildert bestond moge ook blijken uit de overeenkomst die de gemeenten Weert en Nederweert in 1899 sloten op grond waarvan kinderen van De Mildert werden toegelaten tot de openbare school te Swartbroek.