Klooster ursulinen aan de Langstraat te Weert. Foto uit collectie Erfgoed Kloosterleven.
Ongeveer honderdvijftig jaar geleden streken maar liefst 45 Duitse kloostergemeenschappen op Limburgse bodem neer. Zo vestigden zich in 1876 de zusters ursulinen uit het Duitse Dorsten zich in Weert, waar zij ongeveer een eeuw onderwijs voor meisjes hebben verzorgd, op alle niveaus: van kleuteronderwijs via lagere en middelbare school tot avondonderwijs.
Zusters ursulinen in Weert rond 1878. Foto uit collectie Erfgoed Kloosterleven.
De komst van de Duitse kloosterlingen had te maken met een strijd tussen de Pruisische overheid en de rooms-katholieke kerk in Duitsland die bekend is geworden als de Kulturkampf.
Wat was de voorgeschiedenis van die strijd en waarin uitte het conflict zich? En waarom werden de pijlen juist op de kloosters gericht? En vervolgens: waarom vestigden zich zoveel Duitse kloostervluchtelingen in de Nederlandse provincie Limburg? En welke betekenis hebben zij hier gehad? Een belangrijk deel van de Duitse katholieke kerkgeschiedenis heeft zich namelijk op Limburgse bodem afgespeeld.
Deze vragen komen aan bod in de lezing die Peter Nissen op maandag 13 januari 2025 om 19.30 uur zal verzorgen.
De Aldenborgh bezocht op zondag 20 december 2015 Dorsten Met Weerter vlaai in het midden burgemeester Tobias Stockhoff van Dorsten. Foto Ada Schaad.
Spreker Peter Nissen
Peter Nissen.
Kerkhistoricus en theoloog Peter Nissen, geboren in Swalmen en opgegroeid in Linne, is hoogleraar kerkgeschiedenis, spiritualiteitsstudies en oecumenica geweest aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en de Universiteit van Tilburg.
Behalve over zijn vakgebied publiceerde hij ook veel over de regionale geschiedenis van Limburg en Noord-Brabant, waaronder, samen met Hein van der Bruggen, een stadsgeschiedenis van Roermond.
Cursisten Weerterlogie – najaar 2024 – foto Johan Horst
Geboeid luisterden de Weerterlogen in spé onlangs naar docent Frits Nies. In de laatste les van de cursus Weerterlogie ging het over de geschiedenis van Weert na de Tweede Wereldoorlog. Over hoe Weert uit haar slaap ontwaakte. Van stichtstad veranderde in een industriestad. Bedrijven zoals De Bera tricotagefabriek, Verkade, Weerter luciferfabriek De Zwieëgel, meelfabriek, gasfabriek, Wertha brouwerij, scheepswerf, Landbouwbelang etc. vestigden zich hier. Het geheim? Opnieuw was Weert een kruispunt van wegen geworden. Denk aan de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, de IJzeren Rijn, intercitystation en de snelweg A2.
Cursisten vertellen
Tot de cursisten behoort de 65-jarige geboren en getogen Weertenaar Johan Sijm. Zijn vader was militair en gelegerd in Weert. Johan heeft altijd in de gezondheidszorg gewerkt. Nu in België. “Doordat ik minder ben gaan werken, heb ik meer tijd. Het boeit me hoe Weert zich door de eeuwen heeft ontwikkeld. Een klein kneuterig stadje, dat tegelijkertijd onderdeel was van de wereldgeschiedenis. Zelf had ik het mooi gevonden als Weert meer met de historische mogelijkheden had gedaan.”
In de zaal zit ook Loeki van Maaren (78), de eerste vrouwelijke burgemeester van Weert. Ze heeft genoten van alle acht de lessen. “Iedere les was boeiend. Mede door de afwisseling van docenten, die het allemaal op hun eigen manier geweldig deden. Je denkt dat je alles weet, maar dat is niet zo.” Nu ze het rustiger aandoet, heeft ze meer tijd om zich in de eigen geschiedenis te verdiepen en boeken te lezen.
Dennis Verstappen (58), geboren en getogen Weertenaar, is facilitair manager op de Philips van Horne. Hij is vooral geïnteresseerd in het ontstaan van Weert in de oudheid. “Het is leuk om te horen wat er allemaal is gebeurd. De cursus is de moeite waard. Zeker als je hart hebt voor Weert.” Zelf wil hij het geleerde graag als stadsgids delen met anderen.
De vriendinnen Mariëtte Stevens en Liliane Heuts vinden het leuk dat ze de cursus samen hebben gevolgd. “Het is leuk om iets van de stad te weten waar je woont. Ongelooflijk hoeveel er is afgebroken.” Elly de Vreeze (74) sprak de middeleeuwen het meeste aan. “Als je van Weert houdt, is het leuk als je er meer over weet.”
“Anders kijken naar je omgeving”
Aan het eind van de avond overhandigde Peter Korten, voorzitter van de geschied- en oudheidkundig genootschap De Aldenborgh de getuigschriften aan de cursisten. “Door de cursus te volgen, ga je anders naar je directe omgeving kijken. Ook ontdek je dat de Weerter geschiedenis meerdere kanten heeft.”
De cursisten mogen zich nu officieel Weerterlogen noemen en zich scharen bij ruim 700 al bestaande Weerterlogen.
Nieuwe cursus Weerterlogie
In februari 2025 start weer een nieuwe cursus. Dit keer op maandagavonden.
03 februari 2025:
dr. Henk Hiddink – prehistorie en oudheid
10 februari 2025:
drs. John van Cauteren – middeleeuwen / 80-jarige oorlog
24 februari 2025:
dr. Jos Wassink – 17de en 18de eeuw
17 maart 2025:
Peter Korten – 19de eeuw
24 maart 2025:
drs. John van Cauteren – Weerter kunst
31 maart 2025:
dr. Joost Welten – Franse tijd
07 april 2025:
drs. Theo Schers – twee wereldoorlogen en interbellum
14 april 2025:
drs. Frits Nies – opbouw en afbraak na WO II
Praktische informatie
wat:
cursus Weerterlogie – voorjaar 2025
wie:
stichting De Aldenborgh
waar:
8x maandagavonden, start 3 februari 2025
aanvang:
19.00 – 21.00 uur
waar:
C-wartier, Beekstraat 54, 6001 GJ Weert
kosten:
121 euro
deelname:
door overmaking van € 121 op bankrekening NL31RABO0176968334
t.n.v. stichting De Aldenborgh Weert onder vermelding van ‘cursus’ en uw naam
[gravityform id=”4″ title=”true”]
De nieuwe Weerterlogen – najaar 2024. Foto’s Arjanne van Voorst
Timmie van Diepen in gesprek met Evertjan van Roekel en filmfragmenten van Peter Crins
Foto`s: Jack Duijf, tekst: Wil Filott
Inleiding
Aanleiding voor deze avond was de geplande openbaarmaking van de archieven van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) via internet. Deze wijze van openbaarmaking is echter voorlopig opgeschort. Niettemin was er voor deze bijeenkomst veel belangstelling. De organisatie had de zaal van het Munttheater gehuurd. Naar schatting van uw verslaglegger waren er tussen de 175 en 200 bezoekers, niet alleen uit Weert en omgeving, maar ook uit verder weg gelegen plaatsen, zoals Brussel en Den Haag. Een teken dat het het onderwerp actueel is en veel mensen aanspreekt.Het gespreksonderwerp van deze avond was de naoorlogse behandeling en berechting van ‘foute’ Nederlanders.
De avond begon met een filmfragment van Peter Crins, waarin Fien Slabbers wijze woorden sprak over collaborateurs. Zij vertelde dat zij niets wist van de beweegredenen van deze mensen. Misschien waren zij wel gedwongen door de omstandigheden om met de Duitsers samen te werken. Zij gaf aan niet te kunnen oordelen over die mensen. Een toonzetting voor een genuanceerde benadering van de kwestie.
Opening
Peter Korten
Peter Korten zei dat de voorgenomen openbaarmaking via internet van de oorlogsarchieven aanleiding tot veel discussie gaf. De Aldenborgh is in 1939, een jaar voor de Duitse inval in Nederland, opgericht. In 1945, na de oorlog, werd een bijeenkomst gewijd aan de annexatie van Duitse gebieden door Nederland. Dat bleek een gevoelig onderwerp te zijn. Ook de Aldenborgh kende `foute` leden. De oorlogssituatie in Weert heeft volgens Peter zeker niet model gestaan voor de musical ´Soldaat van Oranje`. In Weert woonden bijvoorbeeld geen Joden en Roma.Hij deed een oproep aan het gemeentebestuur van Weert om onderzoek te laten doen naar de oorlog in Weert.
Peter was verheugd dat Evertjan van Roekel uit Wageningen bereid was gevonden naar Weert te komen om te vertellen over de naoorlogse berechting. Dat zou jij doen in een interview met Timmie van Diepen, auteur van het recent verschenen boek ‘Razzia’.
Ook dankte hij Peter Crins voor de filmfragmenten en het Munttheater, dat zo flexibel was geweest om in een laat stadium de zaal van het Munttheater voor deze bijeenkomst beschikbaar te stellen.Ter bestrijding van de kosten van deze bijeenkomst en voor de gemoedsrust van de penningmeester vroeg hij aan de bezoekers om na de bijeenkomst een vrijwillige bijdrage te geven. Tot slot wenste hij iedereen een leerzame avond toe.
Evertjan van Roekel
Timmie van Diepen.
Nederlandse SS-ers
Evertjan van Roekel vertelde dat ongeveer 25.000 Nederlandse mannen vrijwillig dienst hebben genomen in het Duitse leger. Hun motieven waren verschillend. Een klein aantal deed dat uit idealistische motieven. Anderen waren onder de indruk van de Duitse militaire kracht. Weer anderen waren het Groot Germaanse gedachtengoed toegedaan. De werving in Nederland voor de SS begon al in mei 1940, maar kreeg een forse impuls na de inval van Duitsland in Rusland in 1941: de strijd tegen het Bolsjewisme.
Op de vraag van Timmie van Diepen over het waarheidsgehalte van de gedachte dat de vrijwilligers voor de SS met name katholieke plattelandsjongeren waren, antwoordde Evertjan, dat dat een mythe is. Uit onderzoek is gebleken dat uit het westen en noorden van Nederland relatief meer vrijwilligers voor de SS afkomstig waren. Zij behoorden vaak tot de lagere middenklasse.
Thieu Jonkers
De inmiddels uit films van Peter Crins wereldberoemde Thieu Jonkers vertelde openhartig dat zijn moeder geen Joden in huis wilde hebben. Hij maakte zich nog boos op de Duitsers die op zijn broer Wullem hadden geschoten: die Pruusse hadden ze kapot moeten schieten.
Gerardus Mooyman
Gerardus Mooyman
Als voorbeeld van een vrijwillige Nederlandse SS-er werd Gerardus Mooyman ten tonele gevoerd. Hij meldde zich in 1941 aan bij de SS en werd ingezet aan het Oostfront. In Rusland schakelde hij op een dag 13 Russische tanks uit. Hij werd als eerste Nederlander onderscheiden met het IJzeren Kruis. De Duitsers gebruikten zijn portret als wervingsmateriaal. Volgens Evertjan: een poster boy. Mooyman heeft de oorlog overleefd en is ook gestraft, maar niet al te zwaar.
Veel Nederlandse SS-ers zijn als Waffen-SS-ers ingezet aan het Oostfront. Of zij zich daar op grote schaal schuldig hebben gemaakt aan oorlogsmisdaden is niet duidelijk. Uit dagboeken van oud SS-ers blijkt dat er incidenteel door hen Joden werden vermoord. Het aspect van misstanden is bij de berechting onderbelicht gebleven. Een belangrijke reden voor de veroordeling van Nederlandse SS-ers was het feit dat zij dienst hadden genomen bij de SS, niet wat zij tijdens hun diensttijd hadden gedaan.
Beoordeling houding Nederlanders tijdens de oorlog
Evertjan van Roekel vertelde dat er in Nederland lange tijd geen ruimte was voor een genuanceerde benadering van de oorlogstijd. De nadruk lag op oorlogshelden.Feit is dat vanuit Nederland meer dan 100.000 joden zijn gedeporteerd en vermoord, relatief meer dan in België en Frankrijk. Een van de oorzaken daarvan was de houding van overijverige Nederlandse ambtenaren.Andere feiten zijn dat er veel collaboratie was en weinig verzet. Het aantal verzetsstrijders was tijdens de oorlog klein maar na de oorlog groot. De boeken van Lou de Jong over de Tweede Wereldoorlog hebben veel invloed gehad op de beeldvorming.
Timmie van Diepen vertelde dat naar schatting in België 2% van bevolking had deelgenomen aan het verzet en dat 3% gecollaboreerd had met de Duitsers. In België zijn collaborateurs relatief zwaar gestraft, met name Vlamingen.
Kritiek was er op de musical “40- 45, de musical”. In de musical wordt het stoppen van een trein met Joden door het verzet gesitueerd in Nederland, terwijl dat in werkelijkheid niet in Nederland heeft plaatsgevonden, maar in België.
In boeken van Chris van der Heijden, zoon van een NSB-er, over de Tweede Wereldoorlog wordt een meer genuanceerd beeld over de houding van de Nederlanders geschetst.
Timmie van Diepen in gesprek met Evertjan van Roekel (l)
Henk Kistemaker
Henk Kistemaker is de enige Nederlandse vrijwillige Waffen SS-er, die in een boek zijn leven bij de Waffen-SS heeft beschreven. Hij heeft gedurende vier jaar aan het Oostfront gediend. Na de oorlog werd hij tot een betrekkelijk geringe gevangenisstraf veroordeeld. Hij werd opgesloten in kamp Amersfoort. Vanuit dat kamp is hij gaan werken bij de staatsmijn Emma in Limburg. Zijn effectieve gevangenisstraf heeft slechts anderhalf jaar geduurd. Volgens Van Roekel is dit een voorbeeld van de enigszins willekeurige behandeling van ex-SS-ers na de bevrijding.
Frans van de Laar uit Weert: ‘de Beul van Amersfoort’
Frans van de Laar uit Weert was een handelaar en smokkelaar. Hij werd door de Duitsers opgepakt wegen smokkelen en in kamp Amersfoort opgesloten. Volgens Van Roekel was Frans van de Laar een handige jongen. Hij werd al snel Lagerälteste, een gevangene die door de Duitsers was aangesteld om de orde in het kamp te handhaven. Na de oorlog werd hij beschuldigd van martelpraktijken en mishandeling. Daarvoor werd hij veroordeel tot vier jaar gevangenisstraf. Maar de werkelijkheid was genuanceerder. Hij had zijn positie ook gebruikt om gevangen van de transportlijst te halen en hen daarmee voor een wisse dood behoed.
Willem Rutjens en Chris Saes, twee criminelen uit Weert in kamp Amersfoort
Willem Rutjens en Chris Saes waren volgens Van Roekel doorgewinterde criminelen. Hij kenschetste Saes als een agressieve mafkees. Saes en Rutjens werden in de oorlog veroordeeld voor het zonder bonnen en zonder te betalen afhandig maken van schoenen bij een schoenenwinkelier in Nederweert. Zij kwamen in kamp Amersfoort terecht. Willem Rutjens is op 5 mei 1945, de dag waarop in Wageningen de overgave van het Duitse leger in Nederland werd ondertekend, door Duitse militairen in Groningen doodgeschoten. Hij is begraven op het Duitse oorlogskerkhof te IJsselstein.
Ooggetuigen
Jan Truyen vertelde in een filmfragment over de behandeling van een collaborateur uit Weert, de NSB-er Kruytzer. Deze werd op 22 september 1944, de dag waarop Weert bevrijd werd, al opgepakt. In de Maasstraat werd hij mishandeld en op de noodbrug over het kanaal kreeg hij klappen van twee jongens uit Hushoven.
Jos Frenken verhaalde hoe Deutschfreundliche meisjes werden opgehaald. Dat ging er niet altijd zachtzinnig aan toe. Bij het stadhuis werden ze kaalgeknipt en uitgejouwd.
De heer Mathijssen, directeur van de Wertha-brouwerij, was met een Duitse vrouw getrouwd. Hoewel hij noch zijn vrouw van Duitsgezindheid beticht konden worden, vreesden zij toch slachtoffer te worden van de “zuiveringsacties”. Zij doken daarom een tijd onder bij de Advekoat.
In een ander filmfragment kwam een meisje ter sprake dat zich zowel met Nederlandse als Duitse soldaten had opgehouden. IJverige leden van de O.D (ordedienst) wilden het meisje komen ophalen bij een man, waar het meisje toevallig was. De man pakte een riek en zei tegen de O.D.-ers dat als zij het meisje wilden aanhouden, zij eerst kennis zouden maken met de tanden van de riek. Daarop dropen de O.D.-ers af. Volgens de verteller was het een goed meisje.
Drukte in de foyer tijdens de pauze.
Hoe zal het gaan met de openbaarheid van de archieven?
Op de vraag van Timmie van Diepen of de archieven wel openbaar gemaakt moeten worden, ging Evertjan van Roekel eerst in op de omstandigheden na de oorlog. De eerste maanden heersten er chaos en onduidelijkheid. De behandeling van collaborateurs verschilde van plaats tot plaats. De afrekening was relatief mild. Er zijn geen grote uitwassen geweest. Wat wel een rol heeft gespeeld is de uitspraak van koningin Wilhelmina vanuit het relatief veilige Londen dat in het nieuwe Nederland geen plaats was voor landverraders.
Om de zaak enigszins in perspectief te plaatsen, gaf Van Roekel enige cijfers.Er zijn na de oorlog tegen 500.00 personen aanklachten ingediend. Er was een schreeuwend tekort aan personeel en deskundigheid om die aanklachten diepgaand te behandelen. Er zijn 250.000 aanklachten onderzocht. Veel aangeklaagden werden ondergebracht in een van de 500 interneringskampen. De behandeling was daar vaak slecht. Wraakgevoelens overheersten. Men sprak zelfs van Duitse methoden. In Harskamp, waar ex SS-ers waren opgesloten, heersten tot in 1946 ernstige misstanden. Bewakers die over de schreef zijn gegaan, zijn niet veroordeeld.Er zijn uiteindelijk 64.482 vonnissen geweest, waarvan zo`n 6800 tegen SS-ers. Uiteindelijk zijn 37 veroordeelden geëxecuteerd.
Bij de bestraffing tekende zich ook een zekere willekeur af. Naarmate de oorlog verder weg kwam te liggen, werden de vonnissen milder. Daarbij speelde ook de koude oorlog met een dreiging vanuit de Sovjet-Unie (communisme) een rol.Van Diepen merkte op dat in België strenger werd gestraft en dat er veel meer executies hebben plaatsgevonden.
Terug naar de vraag over de openbaarheid van de archieven dacht Van Roekel dat van uitstel geen afstel komt. De openbaarheid via internet zal er volgens hem wel komen, wellicht met restricties. Vanuit de maatschappij is er de roep naar digitalisering. Ook historici zijn erbij gebaat. Het papieren archief is moeilijk toegankelijk. Er is geen inventarislijst. Het maken van foto`s is verboden. Bij binnenkomst bij het Nationaal Archief moeten telefoons en camera`s worden ingeleverd. Bij nabestaanden van collaborateurs en slachtoffers kan de mogelijkheid van inzage door iedereen via internet wel gevoelig liggen. Ook kan bij raadpleging van één dossier de historische duiding en context ontbreken. Daar zou rekening mee gehouden kunnen worden.
Slotwoord Peter Korten
Peter Korten haakte in op het mogelijk ontbreken van historische duiding. Hij vertelde dat hij in het archief documenten van de NSB-Burgemeester van Weert heeft ingezien. Daarbij constateerde hij dat “één dossier geen dossier is”.Hij bedankte Evertjan van Roekel, Timmie van Diepen en Peter Crins voor hun bijdragen aan deze geslaagde avond. Die dank werd onderstreept door applaus van de aanwezigen in de zaal. De bezoekers aan deze leerzame avond hadden voldoende stof tot napraten en overdenken.
Wieërter oorlogslaeve belaeve
Ten slotte kondigde Peter Korten aan dat op 10 en 11 mei 2025, exact 85 jaar na de Duitse inval in Nederland, in het Franciscushuis aan de Biest een bijzonder evenement plaatsvindt onder de titel Wieërter oorlogslaeve belaeve. Er zijn onder meer optredens van het Mannenkoor Eendracht uit Swartbroek, de harmonie Heilig Hart uit Altweerterheide en het Weerter Mannenkoor. Er is een re-enactment groep in militaire uniformen en er komen persoonlijke verhalen over de oorlogstijd aan de orde.
Binnenkort kan iedereen op zoek in het grootste oorlogsarchief Nederland. Dan worden waarschijnlijk de oorlogsarchieven van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) online gezet. Er is momenteel veel kritiek over het openbaar maken van deze archieven, die ook een nieuw licht gaan werpen op de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse periode van Weert.
De oorlog en de nasleep daarvan is nog steeds een gevoelig thema voor veel Weerter families. Dat bleek in 2012 toen drs. Emile Haanen (1947-2014) “Bezetting en bevrijding: Weert 1939 – 1945 De kroniek van Pierre Linssen” uitgaf.
De Aldenborgh pleit al jaren bij het gemeentebestuur van Weert voor een wetenschappelijke studie naar de Tweede Wereldoorlog in Weert, waarbij de rol van het toenmalig bestuur ook nader onderzocht dient te worden.
De binnenkort toegankelijke oorlogsarchieven bieden een unieke mogelijkheid om deze periode nader te onderzoeken, maar openheid brengt ook risico’s met zich mee. De openbaarmaking kan namelijk leiden tot het boven water komen van tot nu toe onbekende ‘geheimen’ en twijfelachtige getuigenissen, en mogelijk leiden tot reputatieschade voor betrokkenen.
Direct na de oorlog waren de veelheid aan dossiers en het gebrek aan onderzoekers de reden, waardoor dossiers soms kort door de bocht werden beoordeeld. In veel gevallen werd er met tegenstrijdige verklaringen en magere bewijsvoering gewerkt, wat de archieven niet altijd een betrouwbare weergave van de werkelijkheid maakt.
Tijdens de bijeenkomst zal worden ingegaan op de mogelijk misleidende impact van sommige informatie en de gevaren van (te) snel getrokken conclusies. Dit thema raakt niet alleen de geschiedenis van Weert, maar heeft ook betekenis voor veel families die de herinnering aan gebeurtenissen uit deze periode nog steeds met zich meedragen. Dat is natuurlijk de actuele kern van de problematiek van de openbaarmaking en reden voor De Aldenborgh deze avond te organiseren. Het verhaal van SS’ers zal centraal staan ter illustratie van de relatief grote groep die onderworpen is aan de bijzondere rechtspleging.
Wervingsbrochure SS. (collectie Evertjan van Roekel)
We zijn bijzonder verheugd dat Timmie van Diepen, historicus en journalist bij Het Belang van Limburg, op deze avond in gesprek wil gaan met Evertjan van Roekel.
Evertjan van Roekel
Evertjan van Roekel
Historicus en jurist Evertjan van Roekel (Wageningen, Nederland, 9 juni 1984) richt zich als onderzoeker en auteur voornamelijk op de Tweede Wereldoorlog als onderzoeksgebied. Hij studeerde Nederlands Recht (Met Genoegen, Universiteit Utrecht, 2008) en Geschiedenis, Holocaust- en Genocidestudies (Cum Laude, Universiteit van Amsterdam, 2009).
In 2010 werd zijn masterscriptie over Nederlandse vrijwilligers in de Waffen-SS genomineerd voor de Erik Hazelhoff Roelfzema Aanmoedigingsprijs. Op basis van deze scriptie verscheen in 2011 zijn eerste boek ‘Jongens van Nederland’.
Evertjan van Roekel publiceerde diverse artikelen in verschillende geschiedenistijdschriften waaronder Historisch Nieuwsblad, Geschiedenis Magazine, Biografie Bulletin en Wereld in Oorlog. Voor Wereld in Oorlog was hij ook drie jaar columnist (2011-2014). Van Roekel schreef het hoofdstuk over Nederland in het door David Stahel samengestelde en geredigeerde verzamelwerk ‘Joining Hitler’s Crusade: European Nations and the Invasion of the Soviet Union, 1941′, uitgegeven in 2017. Zijn omvangrijke en goed ontvangen werk ‘Veldgrauw’ over Nederlandse Waffen-SS-vrijwilligers verscheen in 2019. De Engelstalige versie ‘As Political Soldiers We Face Moscow’s hordes’ verscheen in 2021.
Sinds februari 2022 is Van Roekel tevens als onderzoeker verbonden aan Nationaal Monument Kamp Amersfoort. Hij werkte als deskundige mee aan de succesvolle podcastserie ‘De Verdwenen SS’er’ die meer dan anderhalf miljoen keer werd beluisterd.
In 2023 verscheen zijn boek ‘Wewelsburg’ over de mysterieuze geschiedenis van Kasteel Wewelsburg en de occulte kant van de SS. In 2024 verscheen ‘De Rode Pimpernel: Kees Mulder’ over het leven van verzetsstrijder Kees Mulder tegen de achtergrond van oorlog en verzet in Van Roekels woonplaats Wageningen, de stad die meermaals frontgebied was en zwaar beschadigd raakte, maar voor Nederland hét symbool van de bevrijding werd.
Van Roekel werkt op dit moment aan twee nieuwe onderzoeksprojecten voor Nationaal Monument Kamp Amersfoort die met name zijn gericht op Nederlandse (Waffen-)SS-vrijwilligers, de bijzondere rechtspleging en naoorlogse interneringskampen.
Gespreksonderwerpen van deze avond zijn:
Nederlandse Oostfrontvrijwilligers in het algemeen
Zowel in absolute als relatieve aantallen vormden Nederlanders het grootste contingent vrijwilligers uit de Noordwest-Europese bezette gebieden. Hoe is deze vrij sterke collaboratie te verklaren? Hoe verhoudt dit zich tot andere landen waaronder België?
Wervingsaffiche SS. (particuliere collectie)Nationaal dagblad voor het Nederlansche volk 10 april 1942Kanton Weert, 13-06-1947
Herkomst van Nederlandse Waffen-SS vrijwilligers
De mythe dat vooral katholieke plattelandsjongen voor de SS tekenden, blijkt niet waar te zijn. De herkomst van deze SS-ers is vrij gelijkmatig verdeeld over Nederland. Qua sociale klassen lijkt de lagere middenklasse oververtegenwoordigd. In absolute aantallen zijn Limburg en Brabant minder vertegenwoordigd. Dat is deels te verklaren door de situatie dat deze gebieden eerder bevrijd waren en er in het noorden in de winter van 44-45 zich nog veel ‘Broodgermanen’ aanmeldden, veelal gedreven door materiële motieven. Echter voor september 1944 lijkt er in Limburg ook minder animo geweest te zijn voor de Waffen-SS dan met name in de Randstad. Hoe is dit te verklaren?
Höherer SS- und Polizeiführer Rauter, rijkscommissaris Seyss-Inquart en NSB-leider Mussert tijdens een bijeenkomst op 1 augustus 1943 in Weert. Alle drie werden ze na de oorlog ter dood veroordeeld. (foto particuliere verzameling Nijmegen).
De nieuwe koerier; Maas- en Roerbode: provinciaal Limburgsch dagblad 30-07-1943
Frontinzet van Nederlandse Oostfronters en oorlogsmisdaden
Waar raakten deze Oostfronters in betrokken? Tijdens de Bijzondere Rechtspleging was hier eigenlijk nauwelijks aandacht voor.
Daderschap in het algemeen
Hoe kijken we daar tegenaan? Wat is er qua nuancering veranderd in de laatste jaren? Zwart-wit tegenover grijs. Nivellering daders/slachtoffers?
Het Parool, 28-10-1946
De Bijzondere Rechtspleging
Wat hield die in? Hoe werd er omgegaan met de grote aantallen (vermeende) collaborateurs en hoe zag berechting eruit? Hoe veranderde de strafmaat naarmate de tijd vorderde en de wraakgevoelens bekoelden? Het werd al snel opportunistisch. Een voorbeeld daarvan zijn de mijnen in Limburg. Veel oud-SS’ers kregen de kans om hier te gaan werken en zich zodoende nuttig te maken. Met name in Hoensbroek kwamen nogal wat SS’ers terecht. Men richtte zich op het werk en het verleden werd daar vaak vrij snel vergeten.
Gazet van Limburg 09-12-1947
Hoe verhield de Bijzondere Rechtspleging in Nederland zich tot de naoorlogse situatie in België?
België was de naoorlogse afrekening wellicht iets bloediger dan in Nederland.
De Witte Brigade en de Binnenlandse Strijdkrachten komen weer in actie, De op 22 September losgelaten meisjes en vrouwen, die omgang hebben gehad met Duitschers, worden, ‘s-middags weer opgehaald en ondergebracht in het Pensionaat St. Louis. Dit gebouw, door de Duitsers op beestachtige wijze bevuild en beschadigd moeten de dames reinigen. Menig meisje uit de betere stand zag men daar bij schrobben en water dragen. Een verdiende straf. Het meubilair, wat in de woningen der N.S.B-ers en Rijksduitsers nog aanwezig is, wordt door de gemeentepolitie en werklieden opgehaald en opgeborgen.
Bron: Dagboek van Weert, door P. Linssen, 1939 – 1944
Foto’s boek Twan Scheepers (sr.) De Tweede Wereldoorlog die niet aan het gehucht Moesel voorbijging
Kaalscheren
Aanstaande openbaarheid CABR
Wat treffen we doorgaans aan in dergelijke dossiers? Waarom is openbaarmaking nu precies zo beladen? Discussie over de keuze tot openbaarmaking in het algemeen. Is het nodig? Moest er misschien langer worden gewacht?
Enkele filmbeelden van cineast Peter Crins
Tijdens de avond worden enkele fragmenten van interviews met ooggetuigen zoals Fien Slabbers-Stribos, Jan Frenken, Thieu Jonckers en Twan Schoenmakers, getoond van de aanpak van collaborateurs.
‘Dao kân oeëver zoeën gevâl neme zegke, ze hebbe dit of det verkieërdj gedaon.
In feite hebbe ze ’t verkieërdj gedaon, mer ge mótj uch ouch aafvraoge:
woeërum, waat és de oeërzaak, en wi-j kaome ze daotów?’
Fien Slabbers-Stribos (1914-2019)
Wij hopen u op deze speciale bijeenkomst te mogen begroeten!
Praktische informatie
wat:
lezing Oorlogsdossiers; zwart-wit tegenover grijs
wie:
Timmie van Diepen in gesprek met Evertjan van Roekel
waar:
maandagavond 16 december 2024
aanvang:
19.30 uur
waar:
Munttheater Weert, Collegeplein 3 6001 HN Weert
deelname:
gratis voor LGOG-leden, vrienden van de Aldenborgh en Weerterlogen.
Voor anderen rekenen we op een vrijwillige bijdrage. Aanmelden is niet nodig.
Komende weekend verschijnt het boek Weert in Glas, een bijzonder hardcover boek van 192 pagina’s dat de geschiedenis van de binnenstad van Weert vastlegt door middel van de oudste foto’s van Weert uit de periode 1890 tot circa 1930. Het boek bevat uitsluitend historische beelden van het centrum van de stad, waarmee het een unieke blik biedt op een tijd waarin Weert volop in verandering was. Deze foto’s geven de lezer een kijkje in het leven en de architectuur van de stad zoals het er toen uitzag, voordat stadsvernieuwingen veel van de oorspronkelijke straten en gebouwen veranderden of verdwenen.
Foto’s
De foto’s in het boek zijn verzameld door ons lid Bart Maes. Dankzij de schenkingen van families zoals Smeets-Dor, Lamberigts, Werz en Coumans, evenals als de onlangs verkregen unieke Argus-glasnegatievencollectie van fotograaf Frits Niessen, kon Maes deze kostbare beelden digitaliseren en behouden voor toekomstige generaties. Het gemeentearchief Weert stelde ook glasnegatieven beschikbaar. Deze historische glasnegatieven bieden een zeldzaam inzicht in de vroegere Weerter binnenstad, waar complete straten en gebouwen nu enkel nog in herinnering bestaan.
Tekeningen
Wat dit boek extra bijzonder maakt, is de samenwerking met illustrator Gerard van Heugten, die de huidige locaties van de historische foto’s heeft getekend. Zo kunnen lezers de transformatie van Weert door de jaren heen visueel volgen. Het boek is daarmee niet alleen een waardevol document van Weerts verleden, maar ook een kunstzinnig eerbetoon aan de veranderingen die de stad heeft ondergaan.
Weert in Glas is een boek dat een rijk en gedetailleerd beeld schetst van de binnenstad van Weert tussen 1890 en circa 1930. Het boek is een reis door de tijd, gevuld met oude foto’s die het dagelijkse leven, de straten, en de gebouwen van een stad in transformatie vastleggen.
Het boek is vanaf maandag 18 november 2024 verkrijgbaar in de Weerter boekhandel of online hier. De prijs is € 32,50.
Tentoonstelling
Bij gelegenheid van de presentatie van het boek is er een expositie die elke zondag van 17 november t/m 8 december 2024 te bezoeken is van 14.00 tot 17.00 uur. Dit in de Paterskerk, Biest 43 te Weert.
U wordt vriendelijk uitgenodigd op de opening van de tentoonstelling ‘Oorlogsdagboek september 1944 gevechten bij Bocholt en Bree’ en de voorstelling van het gelijknamige boek op donderdag 31 oktober 2024 in de Sint-Laurentiuskerk van Bocholt om 20.00 uur. Aansluitend wordt een receptie aangeboden.
De tentoonstelling loopt van 1 tot en met 17 november 2024, elke dag van 10.00-17.00 uur in de Sint-Laurentiuskerk aan het Kerkplein in Bocholt. ‘s Avonds zullen nog enkele lezingen gehouden worden rond het thema oorlog in onze streek. Dit wordt allemaal gratis aangeboden.
Oorlogsdagboek ‘september 1944 : gevechten bij Bocholt en Bree (België)’
‘Oorlogsdagboek september 1944: gevechten bij Bocholt en Bree’
Het boek handelt over de Duitse verdediging aan de Zuid-Willemsvaart bij Bocholt en Bree, de achterhoede in de grensstreek bij Kinrooi en Weert. De Britse verkenningen en de afleidingsmanoeuvres voor en tijdens de Operation Market Garden, de eerste Duitse en Britse gevechtsberichten bij Opitter, Waterloos (Neeroeteren) en Bocholt komen aan bod.
U kan er de verhalen lezen van ooggetuigen, de Britse, de Belgische en de Duitse betrokken eenheden. Een analyse aan de hand van originele en unieke documenten afkomstig van de 6. Kompanie van het Fallschirmjäger-Regiment Menzel die uit de nalatenschap van Jan Truyen van het Geheim Leger uit Bocholt komen.
De Britse zijde werd uit de zogenaamde War Diaries aangevuld in chronologische volgorde, waaruit een nog nooit eerder verschenen gevechtsbericht samengesteld werd. Overzichtskaarten, foto’s en de originele documenten werden opgenomen om het voor jongere en oudere lezers duidelijk te maken.
Vreugde en verdriet
De vreugde en het verdriet in de oorlog worden belicht. Het bloedbad op 15-17 september in Kinrooi en het vreselijk oorlogsdrama in Bree worden zeer uitvoerig beschreven. Het Geheim Leger van Bocholt, militairen uit onze streek in de Brigade Piron en het leed van de Bocholter burgerbevolking in de septemberdagen krijgen een afzonderlijk hoofdstuk in het boek.
Boek
Het boek is tot stand gekomen door de samenwerking van Philip Moreau, de Geschied- en Heemkundige Kring Bocholt, de Erfgoedcel Bree, de Kerkraad Sint-Laurentius Bocholt, Wim Cuppens, Adelin Bilsen, Jo Corstjens, René Neyens, Bert Stoffels, Stef Bakkers, Rudi Vandenweyer, Filip Keunen, Bram Dierckx, Tim Theunis, Kris Michiels, Harie Heynen en Rik Vandekonijnenburg. De tentoonstelling en het boek zijn allesbehalve een verheerlijking van de oorlog, maar een gedetailleerd relaas van de feiten.
Het boek van ongeveer 300 pagina’s kost 20 euro en is verkrijgbaar op de tentoonstelling of bij de Geschied- en Heemkundige Kring Bocholt en de Erfgoedcel Bree.
Tentoonstelling
De tentoonstelling omvat infopanelen en materiaal over de bevrijding en de voorafgaande schermutselingen in de periode tussen 11 en 22 september 1944 in Bocholt en Bree. Historische objecten van het Britse en Duitse leger uit 1944, uit de privéverzamelingen van Stef Bakkers, Filip Keunen, Bram Dierckx, Tim Theunis, Kris Michiels en Philip Moreau, kleden het geheel aan.
Op 7oktober 2024 vond in de goedgevulde foyer van het Munttheater een lezing plaats over een actueel onderwerp, namelijk over het funerair erfgoed in Limburg en in het bijzonder over de begraafplaats aan de Molenpoort in Weert. Actueel omdat de nieuwe deken van Weert, Jack Honings, recent zijn zorgen had uitgesproken over de kosten van onderhoud van die begraafplaats en het gebrek aan vrijwilligers.
Peter Korten.
Peter Korten heette de spreker, dr. Maurice Heemels, welkom. Hij deelde mee dat het bijna 25 jaar geleden was dat Maurice voor de Aldenborgh een lezing over de begraafplaats aan de Molenpoort had gehouden. Maurice zou vandaag wel eens nerveus kunnen zijn omdat zijn schoonouders in de zaal zaten.
Dr. Maurice Heemels.
Maurice Heemels
Maurice Heemels is voorzitter van de stichting “funerair erfgoed in Limburg”. Hij is gepromoveerd op een proefschrift ‘Op den akker des doods, waar allen gelijk worden. Begraafcultuur in Roermond 1870-1940’.
Wat is funerair erfgoed?
Funerair is afgeleid van het Latijnse woord funus: sterfgeval. Funerair is alles wat te maken heeft met de dood en de lijkbezorging. Erfgoed kan omschreven worden als datgene wat we van vorige generatie hebben gekregen en dat het waard is om bewaard te blijven voor volgende generaties.
De letterlijk meest zichtbare funeraire erfgoederen zijn begraafplaatsen. Er wordt echter steeds minder begraven. In Nederland wordt thans ongeveer 70% van de overledenen gecremeerd. Begraafplaatsen worden steeds minder gebruikt en door ruimingen van graven ontstaan er open plekken op veel begraafplaatsen: een gebit met gaten. Dat zorgt voor de nodige uitdagingen. Als er niets gebeurt, is er over 50 jaar weinig over van de begrafeniscultuur in Limburg. Volgens Maurice valt het in Weert aan de Molenpoort overigens nog wel mee wat betreft lege plekken.
Functies van een begraafplaats
Maurice gaf aan dat een begraafplaats, behalve voor het begraven, verschillende functies heeft zoals:
historisch: informatie over levenswijzen, gebruiken, maatschappelijke positie, religie van overledenen in een stad of streek. Een begraafplaats is als het ware een stenen archief;
sociaal: samenbrengen van mensen: nabestaanden, vrijwilligers, onderzoekers, liefhebbers van rust en groen. In Roermond probeert men daar invulling aan te geven door o.a. een lichtjestocht met Allerzielen en concerten op de begraafplaats;
maatschappelijk rendabel: niet zozeer in financieel opzicht maar meer vanwege rust voor mensen en flora en fauna. Een begraafplaats mag geld kosten;
educatief: een begraafplaats kan prima als uitgangspunt dienen voor geschiedenislessen, niet alleen over lokale en regionale onderwerpen, maar zelfs op wereldniveau. In Roermond vormt het kerkhof in zekere zin een afspiegeling van de vroegere sociale standen in de stad. Op veel begraafplaatsen plaatsen liggen de graven van de dikköp in het midden van de begraafplaats op een goed zichtbare plaats. Aan de hand van het graf van een NSB’er kan een beeld worden geschetst van de oorlogsjaren.
Het wegkwijnen van een eeuwenoude begraafcultuur
Kerkhof Maasbracht.
Door het rücksichtslos opruimen van graven en grafmonumenten dreigt een kaalslag, door Maurice betiteld als het ruimen met een blinddoek. De belangrijkste reden voor ruimen is dat nabestaanden van een overleden niet meer bereid zijn om voor een graf te betalen.
Gelukkig zijn er ook initiatieven om de achteruitgang te vertragen of te stoppen door de functies van een begraafplaats uit te breiden en de begraafplaats aantrekkelijker te maken. Bijvoorbeeld door een parkachtige, rustgevende omgeving te creëren en elders geplaatste oorlogsmonumenten daar naartoe te verplaatsen.
Belangrijk is dat die initiatieven ontplooid en gedragen worden door de lokale bevolking. Maurice ziet daar een mooie taak voor heemkundeverenigingen.Voorbeelden van dergelijke initiatieven zijn te vinden in de gemeente Maasgouw.
In Maasbracht heeft men gewerkt aan de vergroening van het wel heel leeg geworden kerkhof en het plaatsen van informatiebordjes bij de graven. In Horn zijn ze bezig het kerkhof tussen de kerk en het kasteel op te knappen. In Heel is men actief met het behoud van bijzondere graven en het vastleggen van verhalen daarover. In Beegden worden kruisen en grafmonumenten hersteld met subsidie van de provincie Limburg en ondersteuning door de stichting funerair erfgoed Limburg.
Mogelijke oplossingen voor het probleem
inventariseren van bijzondere graven en grafmonumenten;
-status van ”parochieel monument” toekennen;
-grafmonumenten alleen verwijderen bij gevaar;
-stimuleren van begraven, het plaatsen van urnen en herbegraven van andere begraafplaatsen;
-actief onderhoud door vrijwilligers;
-opschrijven en publiceren van verhalen over begraafplaatsen en begraven personen.
Intermezzo van Peter Korten over de situatie in Weert
Mensen in de zaal luisteren aandachtig
Peter ging na de pauze kort in op de situatie in de gemeente Weert. Weert kent behalve de begraafplaats aan de Molenpoort begraafplaatsen in Stramproy, Altweerterheide (met Bolle Jan), Tungelroy, Swartbroek (kaalslag, Britse militairen), op Leuken, Keent (na-oorlogse, eenvormige witte kruisen), Boshoven, Laar en Maasstraat (zusters Birgitinessen). De samenwerking met de gemeente Weert is goed. De gemeente informeert de Aldenborgh over een voorgenomen ruiming van een graf, waarna de situatie samen bekeken wordt.
De begraafplaats aan de Molenpoort
De begraafplaats aan de Molenpoort was volgens Maurice een voorbeeld hoe de omgang met begraafplaatsen zou kunnen en moeten zijn.
Hij somde een aantal bijzonderheden op zoals:
Toegangspoorten begraafplaats Molenpoort Weert.
de ingangspartij met de poort,
Oorspronkelijke toegangspoorten.
de oorspronkelijke toegangspoorten, met de teksten”Gisteren mij, heden u”, een al dan niet opzettelijk onjuiste vertaling van of een knipoog naar het Latijnse Hodie Mihi, Cras tibi: “heden ik, morgen gij”;
Monument voor Franse vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog.
het monument voor Franse vluchtelingen in de Eerste Wereldoorlog;
Graf van bemanningsleden van een neergestorte Halifax.
het graf van bemanningsleden van een neergestorte Halifax.
Graven Franciscanen.
De begraafplaats aan de Molenpoort is deels een parochiële, katholieke begraafplaats en deels een gemeentelijke begraafplaats. Op het katholieke gedeelte zijn behalve “reguliere“ katholieken ook zusters Ursulinen en Franciscanen (van de Biest) begraven. Ongedoopte kinderen werden in ongewijde aarde begraven.
Graf Molukker, gestorven in Tungelroy
Op het gemeentelijke gedeelte zijn graven te vinden van Molukkers, KNIL-militairen, Protestanten, Chinezen en Islamieten.
Graf KNIL-militairen.Grafmonumenten van vroegere prominente Weerter families.
Op de begraafplaats bevinden zich grafmonumenten van vroegere prominente Weerter families, met name uit de periode 1850 – 1950. Maurice vestigde bij een virtuele rondgang over de begraafplaats de aandacht op de verschillende stijlen zoals de ruimvertegenwoordigde art deco uit de periode 1900-1915 en de nieuwe zakelijkheid na de Tweede Wereldoorlog.
Christushoofd-met-doornenkroon.
Ook de aanwezigheid van ijzeren hekwerken (kettingen) om een aantal graven was volgens hem bijzonder. Ook vestigde hij de aandacht op uitingen van het christelijk geloof, zoals Christushoofden met doornenkronen.
Christushoofd-met-doornenkroon.
Ook wees hij op de afkortingen R.I.P. en INRI, het woord PAX en de Griekse letter Alpha en Omega. Veel jongere mensen weten niet meer wat die betekenen.
Voor het gemak heeft uw verslaggever hierna de betekenis weergegeven.
R.I.P = requiescat in pace: rust in vrede
INRI = Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum: Jezus van Nazareth, koning der joden
Pax: vrede
Alpha en Omega, eerste en laatste letter van het Griekse Alfabet: symbool voor het begin en einde van het leven.
Monumentale grafmonumenten
Maurice toonde veel foto`s van grafmonumenten op de begraafplaats en vertelde daar bijzonderheden over: te veel om in dit verslag op te nemen. Volstaan wordt met foto`s van een klein selectie van monumentale en bijzondere graven. Zie onderaan.
Maurice eindigde zijn lezing met de opmerking dat het zijn bedoeling was als voorzitter van de stichting funerair erfgoed Limburg met deze lezing een bijdrage te leveren aan de bewustwording van de waarde van het funerair erfgoed in Weert. Frits Nies had in het verhaal van Maurice de kwestie van de eigendom gemist. De kerk verkocht graven, naar hij in een document had gezien, in eeuwige eigendom. Deel van het probleem is volgens hem dat er voor die “eigendom” geen regeling is.
Een begin van een oplossing zou kunnen zijn dat parochies de eigendom van de begraafplaats overdragen. Als voorbeeld noemde hij de overdracht van de begraafplaats aan de Daalseweg in Nijmegen aan de stichting In Paradisum.
Peter dankte Maurice voor zijn interessante lezing. Het funerair erfgoed in Weert heeft de aandacht van de Aldenborgh en zal dat ook blijven houden. Uw verslaglegger meent dat Maurice er ruimschoots in is geslaagd het belang van behoud van funerair erfgoed in Weert voor het voetlicht te brengen.
Uitsnede van het “Hameau Tongelroy” uit minuutplan Kadastrale kaart 1811-1832. Bron: https://aezel.eu/onderzoeken/ada/NL-LI-WEE01-100-001-1842-h02.jpg
Tungelroy telde volgens de volkstelling van 1839 445 inwoners, waarvan bijna de helft jonger was dan 20 jaar.[i] De meesten waren werkzaam in de agrarische sector als landbouwer, dienstknecht of dienstmeid. De bebouwing was niet aaneengesloten maar verspreid over een betrekkelijk groot gebied. Wel was er een kerkje, gebouwd in de jaren 1792-1793. Op de voormalige schans was in 1820 een schooltje gebouwd. Tungelroy behoorde van oudsher als buitenie bij Weert.
Scheiding tussen Nederlands en Belgisch Limburg
Ligging Visserweert.
Na de Franse tijd kwamen Weert en Tungelroy rond 1815 te liggen in het nieuwgevormde Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf 1830 tot 1839 behoorde de huidige Nederlandse provincie Limburg bijna geheel tot het Koninkrijk België. In 1839 vond de scheiding tussen Nederlands en Belgisch Limburg plaats. In onze regio werd de definitieve staatsgrens tussen Nederland en België pas enkele jaren later vastgesteld. Een staatsgrens betekende in die tijd onder meer dat de grens bewaakt werd en dat er belastingen werden geheven op im- en export van goederen.
De douane was belast met de controle op personen en goederen en het innen van invoer- en uitvoerrechten. Een van de plaatsen waar dat gebeurde was de grensovergang tussen Stramproy en Molenbeersel. Een zekere Johannes Arnoldus Swillens was daar in 1844 douaneambtenaar der derde klasse.[iii] Joannes Arnoldus Swillens is rond 1800 geboren in Visserweert, een klein gehucht aan de Maas, behorende tot de gemeente Roosteren.
Wat deed deze Johannes Arnoldus Swillens in Tungelroy?[iii]
Johannes Arnoldus Swillens was in 1844 in pension bij de herbergier Heidlauf in Tungelroy. Op donderdag 1 februari 1844 kreeg hij in Weert zijn traktement uitbetaald. Hij besteedde dat aan drank. Het was bekend dat hij onaangenaam kon worden, als hij veel gedronken had. In zijn pension overlaadde hij Heidlauf met zoveel beledigingen en bedreigingen dat men hem te verstaan gaf maar een ander pension te zoeken. Swillens stemde daarin toe en betaalde zijn schuld.
Johann Baptist Heidlauf is geboren op 30 januari 1803 te Sättelose, een gehucht van enkele boerderijen een paar kilometers ten noordoosten van Liggersdorf, in Baden-Württemberg. Hij is op dezelfde dag gedoopt in Mindersdorf.[iv] Op 12 april 1843 is hij in de gemeente Weert getrouwd met Aldegondis Strijbos, een weduwe met vier jonge kinderen. Bij hun huwelijk verklaarden de echtelieden dat zij al een kind hadden, genaamd Catharina, ingeschreven in het geboorteregister van Weert op 25 februari 1843. Zij erkenden en wettigden bij hun huwelijk deze Catharina. In de huwelijksakte is van Heidlauf geen beroep vermeld. Als beroep van Aldegondis Strijbos is winkelierster vermeld. Hoe en waarom Heidlauf in Tungelroy verzeld is geraakt, is mij niet bekend.
Aldegondis Strijbos is op 14 november 1799 in Weert geboren en daar op 70- jarige leeftijd overleden op 21 februari 1870. Zoals hiervoor vermeld, was Aldegondis Strijbos bij haar huwelijk weduwe. Zij is op 9 mei 1829 getrouwd met Wilhelmus Goevaerts. Deze is geboren op 2 juli 1796 te Stramproy en op 44-jarige leeftijd op 8 februari 1841 overleden te Weert. In de huwelijksakte is als zijn beroep schoenmaker vermeld. Als beroep van Aldegondis Strijbos is dagloonster vermeld. In zijn overlijdensakte staat dat Wilhelmus Goevaerts winkelier was. In die akte staat ook: “Wilhelmus Goevaerts, laatstelijk zijnen naam geschreven hebbende Govers”.
Het echtpaar Goevaerts-Strijbos heeft vier kinderen gekregen. Volgens de kadastrale kaart 1811-1832 was de weduwe Goevaerts eigenaresse van de percelen H 780 (huis) en H 781 (tuin) in het Kimpeveld te Tungelroy.[vi] Als beroep van Willem Goevaerts is in de oorspronkelijk aanwijzende tafel herbergier vermeld.
Een schot in het café van Van Kimmenade
Eerder op de dag had Swillens geld uitgegeven in het café van Van Kimmenade. Hij beklaagde zich bij Heidlauf dat hij geen geld meer had en dat Van Kimmenade hem dat geld moest teruggeven. Hij dreigde anders in het café de boel kort en klein te zullen slaan. Heidlauf probeerde Swillens te kalmeren en ging met hem mee naar het huis van Van Kimmenade. Swillens was gewapend met een geladen pistool en karabijn. Bij Van Kimmenade aangekomen eiste hij zijn geld terug, waar hij aan toevoegde “anders schiet ik u dat u de damp uit de keel komt”. De hevig geschrokken vrouw van Van Kimmenade, Gertrudis Willekens, zei tegen haar dertienjarige zoon een gulden aan Swillens te geven.[vii] Swillens nam dat geld niet aan en beweerde dat hij recht had op meer. Hij schoot vervolgens met zijn karabijn van korte afstand op Gertrudis Willekens. De kogel raakte de vrouw niet maar boorde zich op een hoogte van 102 centimeters in de muur. Iedereen in het café ging ervan door. Antonetta Vos, de vrouw van Mathieu Willekens, bleek door het schot gewond te zijn aan een vinger. Later kon men Swillens ontwapenen en arresteren. Na zijn arrestatie beweerde Swillens in het café van Van Kimmenade aangevallen te zijn door Heidlauf en Mathieu Willekens toen hij zijn karabijn laadde. Daardoor zou het schot afgegaan zijn. Swillens kreeg kost en inwoning in een pension van de overheid in Roermond, namelijk in het huis van bewaring
Gertrudis Willekens is geboren op 9 augustus 1799 te Maarheeze. Zij is een dochter van Arnoldus Willekens en Joanna Maria Moonen. Gertrudis Willekens is op 15 november 1830 te Weert getrouwd met Pieter Cornelis van Kimmenade. Zij woonde toen in Weert. Als haar beroep is in de huwelijksakte landbouwster vermeld. Zij is op 14 oktober 1876 op 77-jarige leeftijd overleden te Weert. De kinderen van Arnoldus Willekens waren volgens de kadastrale kaart 1811-1832 eigenaar van een tuin en huis op de percelen 155 en 156 in het Kimpeveld te Tungelroy.
Pieter Cornelis van Kimmenade is op 30 brumaire an 13 van de Franse republiek (21 november 1804) geboren te Laar, Weert. Hij is een zoon van Jacobus van Kimmenade en Anna Maria Hubrechts.
In zijn geboorteakte zijn Pierre Corneille als zijn voornamen vermeld. In de huwelijksakte is als zijn beroep landbouwer vermeld. Pieter Cornelis van Kimmenade is op 13 oktober 1882 op 77 -jarige leeftijd overleden te Weert.
Ligging herberg en café. 1. Herberg Goevaerts/Heidlauf 2. Café Van Kimmenade/Willekens 3. Kerk 4. Schans. De Dijkstraet is thans de Kemperveldweg.
Antonetta Vos is op 11 november 1811 geboren te Soerendonk. Zij is getrouwd met Mattheus Willekens, een jongere broer van Gertrudis Willekens. Zij is op 9 maart 1884 op 72-jarige leeftijd overleden te Hunsel. Mattheus Willekens is op december 1810 te Weert geboren en op 5 januari 1880 op 69-jarige leeftijd overleden te Hunsel. Als zijn beroep is winkelier vermeld. Het echtpaar Willekens – Vos woonde in februari 1843 in Tungelroy woonde. Hun zoon Arnold is op 10 februari 1843 geboren te Tungelroy. Later zijn zij verhuisd naar Hunsel. Hun dochter Joanna Maria is op 5 augustus 1844 geboren te Hunsel.
Swillens in het huis van bewaring te Roermond
In afwachting van een beslissing over zijn berechting werd Swillens opgesloten in het huis van bewaring te Roermond. De rechter-commissaris daar bereikten geruchten dat er twijfels waren over de geestestoestand van Swillens. Hij benoemde daarom op 3 maart 1844 twee artsen uit Roermond, de heren Lenn en Vanhalter, om Swillens te onderzoeken en een verslag uit te brengen over de toestand van zijn verstandelijke vermogens. Op 9 april 1844 rapporteerden zij dat zij Swillens hadden onderzocht en dat zijn lichamelijke en geestelijke toestand in orde was. Hij leed volgens hen niet aan krankzinnigheid.
Swillens voor het Provinciaal Hof van Limburg
Swillens moest zich voor zijn daad verantwoorden voor het Provinciaal Hof van Limburg. Hij werd ervan verdacht op 1 februari 1844 in Tungelroy met voorbedachten rade schuldig te zijn aan:
1) een poging tot moord op Gertrudis Willekens, echtgenote van Pieter Cornelis van Kimmenade, herbergier, door middel van een geladen karabijn, welke poging strandde door toevallige omstandigheden, onafhankelijk van de wil van Swillens;
2) verwonding van een ringvinger van Antonetta Vos, echtgenote van Mathieu Willekens, winkelierster te Tungelroy.
In zittingen van 29 en 30 juli 1844 werden 13 getuigen gehoord. Een aantal van hen legde verklaringen af over de gebeurtenissen op 1 februari 1844. Anderen, ondervraagd door de raadsman, mr. Lebens, van Swillens, spraken over de geestesgesteldheid van Swillens. Uit deze laatste verklaringen kwam naar voren dat Swillens sinds maart 1839 in somberheid en zwaarmoedigheid was vervallen. In die maand had hij met een geweerschot een van zijn kameraden, eveneens een douaneambtenaar, gedood. Hoewel er daarbij sprake was van wettige zelfverdediging, bleken de gevolgen daarvan voor hem zeer ingrijpend.
Gebouw Provinciaal Hof te Maastricht, voorheen Tweede Minderbroederskerk.
Volgens deze getuigen had Swillens gezegd dat hij zich sindsdien geen mens meer voelde. Hij beklaagde zich voortdurend dat iedereen het op hem gemunt had, vooral zijn meerderen. Ook had hij gedreigd 1500 mensen te doden die hij, naar zijn zeggen, wilde bevrijden van hun ellende in het ondermaanse. Swillens was in deze ziekelijke toestand aan de drank geraakt. Soms dronk hij zoveel dat dat bij hem hallucinaties en waanvoorstellingen veroorzaakten.
Hij verkondigde allerlei waanideeën, die hij in zijn jeugdjaren scheen te hebben meegekregen. Hij hield de inwoners van Tungelroy voor tovenaars, spoken en duivels. Hij geloofde dat hij zelf een tovenaar was en dat hij iedereen kon betoveren met een klein gebedenboek. Dat boekje had hij altijd bij zich. Hij meende daarmee te kunnen optreden tegen de boze geesten. Deze getuigen zeiden dat hij geestelijk de weg was kwijtgeraakt.
Een nieuw onderzoek naar de geestestoestand van Swillens
Tijdens de zitting van 30 juli 1844 stelde de advocaat van Swillens voor een nieuw onderzoek te laten doen naar Swillens. Het openbaar ministerie was het daarmee eens. Het Hof wees drie artsen uit Maastricht, de heren Thans, Batta en Grotendorst, aan om een tweede rapport uit te brengen voor de zitting van 12 september 1844. Deze artsen rapporteerden dat zij geen verstandsverbijstering bij Swillens hadden kunnen vaststellen. Door getuigen, die vaak met Swillens omgingen, was naar voren gebracht dat zijn verstand in de war raakte door het gebruik van sterke drank, hoe gering ook. In die toestand was hij geneigd om ruzie te zoeken. Verder moest men in ogenschouw nemen dat de dood van zijn kameraad bij Swillens had geleid tot verwarde ideeën, gepaard gaande met woede en razernij. De artsen meenden dat Swillens beschouwd moest worden als een gevaar voor de maatschappij.
Vervolgens werden twee getuigen gehoord. Deze brachten voorbeelden van absurd gedrag van Swillens naar voren. Een van hen verklaarde dat enkele maanden voor de gebeurtenissen in Tungelroy het gedrag van Swillens, die onder zijn gezag stond, zo onverdraaglijk was dat hij de leiding had verzocht Swillens de laan uit te sturen, zo niet dan zou hij ontslag nemen.
De eis van het openbaar ministerie
De procureur-generaal bij het Hof achtte de poging tot moord op Gertrudis Willekens en de verwonding van Antonetta Vos bewezen. Hij wees de daden van waanzin van Swillens toe aan het gebruik van sterke drank. De hersenschimmen, waar sommige getuigen over spraken, waren volgens hem een gevolg van bijgelovige denkbeelden. Hij beschouwde Swillens gezond van geest. Hij eiste de doodstraf tegen hem.
De verdediging aan het woord
De advocaat van Swillens, mr. Lebens, hield een uitvoerig betoog, waarin hij onder meer Swillens beschreef als een vreedzaam burger, een onberispelijke ambtenaar, wiens naam niet in de justitiële archieven voorkwam. De door het openbaar ministerie ten laste gelegde feiten ontkende hij niet. Wel zette hij vraagtekens bij de voorbedachten rade, die in de tenlastelegging was opgenomen en bij het oordeel van de artsen over de geestestoestand van Swillens.
Voorbedachten rade?
Dat Swillens met voorbedachten rade had gehandeld bestreed de advocaat. De gang van zaken was volgens hem de volgende geweest. Op 1 februari 1844 was Swillens na de middag naar het café van Van Kimmenade gegaan om zijn schuld te betalen. Hij gaf een gulden aan Gertrudis Willekens, de vrouw van Van Kimmenade, maar kreeg niets terug terwijl hij 12 cent moest terugkrijgen. Gertrudis Willekens beweerde dat dat hij deze 12 cent aan haar schuldig was voor 2 glazen bier die een boer een maand tevoren in gezelschap van Swillens had gedronken. Swillens herinnerde zich dat nog en vroeg de 12 cent terug omdat hij zich niet verplicht voelde voor die persoon te betalen. Nadat hij die 12 cent had gekregen had hij gezegd: “Nu staan we weer op goede voet”. Daarna was hij teruggegaan naar de herberg van Heidlauf. Daar aangekomen sprak hij over geld dat van hem door betovering in de café van Van Kimmenade gestolen was. Toen Heidlauf en Swillens op initiatief van Heidlauf naar het café van Van Kimmenade teruggingen, had Heidlauf Swillens gevraagd de wapens in het pension achter te laten. Swillens had toen geantwoord dat een douaneambtenaar zijn wapens altijd bij zich moest houden.
In het café eiste hij het geld terug dat men hem naar zijn bewering ontfutseld had. Hij dreigde te schieten als men het hem niet teruggaf. Ondanks dat men aanbood hem een gulden terug te geven, loste hij op enkele passen afstand van Gertrudis Willekens een schot zonder echter op iemand te richten. De kogel raakte niemand en boorde zich in de muur tegenover Swillens. Nadat de geschrokken aanwezigen haastig het pand verlaten hadden, verliet Swillens rustig het café om zijn post weer in te nemen. Hij ging liggen onder een afdak naast het huis van zijn meerdere, waar hij vredig in slaap was gevallen totdat hij werd gearresteerd. De advocaat vroeg zich af waar de voorbedachten rade om Gertrude Willekens te vermoorden op berustte. Hij kon niet de intentie hebben gehad om specifiek te schieten op vrouw Willekens. Alle getuigen die in het café aanwezig waren, hadden unaniem gezegd dat Swillens zich in algemene termen had uitgelaten zoals “Jullie gaan allemaal sterven; mijn geld of ik schiet dat u de rook uit de mond komt”. Ook de familie Van Kimmenade en de andere aanwezigen in het café hadden niet het idee dat Swillens de dood van een van hen beoogde. Anders zouden zij hem overmeesterd hebben en buiten de deur hebben gezet. De advocaat concludeerde dat er geen sprake was van voorbedachten rade.
Krankzinnigheid?
De advocaat betreurde dat het rapport van de artsen niet objectief was. De artsen schenen de verwarde geestestoestand van Swillens toe te schrijven aan overmatig gebruik van sterke drank.
Wat betreft de waanzin van Swillens, zou men de hele geschiedenis van zijn voorbije leven moeten kennen: de ontwikkeling van zijn intellectuele vermogens, zijn affecties, zijn emoties, zijn opvoeding, kortom alle omstandigheden die op enigerlei wijze op zijn geestelijke vermogens invloed hadden kunnen uitoefenen. De advocaat wees in dit verband naar de door hem veroorzaakte dood van zijn kameraad. Dat was de oorzaak van zijn triestheid. Sombere gedachten hadden ongemerkt geleid tot een staat van geesteszwakte met de neiging tot woede. Het gebruik van sterke drank lokte die neiging vaak uit.
Geleid door zijn instinct, was zijn vrije wil dan geheel uitgeschakeld. Hij was dan het slachtoffer van zinsbegoocheling, die bij hem tot de meest bizarre ideeën leidde, waarbij de werkelijkheid vervangen werd door hersenschimmen. Opgevoed met bijgelovige ideeën ontwikkelde deze neiging zich op grote schaal. De geringste opwinding leidde tot daden van woede. De advocaat concludeerde dat Swillens krankzinnig was en dat zijn zaak onder artikel 64 van de Code pénal viel.[vii]
Artikel 64 Wetboek van Strafregt/Code pénal.
Dat artikel bepaalde dat er geen sprake is van een misdaad als de dader ten tijde van zijn daad krankzinnig was. De advocaat bracht verder naar voren dat ingeval van twijfel daaraan de beschuldigde het voordeel van de twijfel moest krijgen. Verder moest een eventuele straf proportioneel zijn. In deze zaak was geen slachtoffer te betreuren, afgezien van de lichte verwonding aan de ringvinger van Antonetta Vos.
In het Franse keizerrijk, waartoe vanaf 1795 tot 1813/1814 ook de huidige Nederlandse provincie Limburg behoorde, was op 1 januari 1811 de Code pénal (wetboek van strafrecht) in werking getreden. De code bevatte afschrikwekkende en intimiderende straffen. De straffen waren streng en wreed. De rol van de rechter was bij de straftoemeting beperkt. Hij had de keuze tussen een in de wet vastgelegd minimum en een maximum. Er werd nauwelijks onderscheid gemaakt in zwaarte en omstandigheden van een misdrijf. Soms was er zelfs geen keuzemogelijkheid. Na de Franse tijd vaardigde Willem I in de hoedanigheid van Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden een besluit uit “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Regstuitoefening in de Vereenigde Nederlanden”: het zogenaamde “Gesel- en Worgbesluit”.[i] Daarin werd onder meer de Franse Code pénal “bij provisie “gehandhaafd ‘totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien”. Dat “bij provisie” heeft lang geduurd. Wel werden onder meer in het Gesel- en Worgbesluit wat mitigerende maatregelen voor de tenuitvoerlegging van straffen opgenomen. De terminologie in de Code pénal bleef echter gehandhaafd. Ook in rechterlijke uitspraken bleven deze termen in gebruik. De Code pénal bleef met wijzigingen tot 1886 in Nederland van kracht.
Oproep aan de rechters
De advocaat deed vervolgens in pathetische bewoordingen een beroep op de rechters. “De taak die vandaag op uw rust, is zwaar. U moet beslissen over de vrijheid, misschien zelfs over het leven van een man, die zonder haat, zonder woede, zonder belang, zonder wraakgevoelens het gemunt zou hebben op het leven van een medemens. U, vertegenwoordigers van de godheid op aarde, overdenk in uw geweten en in uw hart, dat van degene die nu in de beklaagdenbank zit om zich te verantwoorden voor een schuldige poging, overtuigend bewijs is gegeven van verstandsverbijstering. Deze poging kan, nee moet niet anders aangemerkt worden als het resultaat van een kracht, waaraan de patiënt geen weerstand kon bieden. Het oordeel dat u velt, zal eens bevestigd moeten worden door hem die over ons allen zal oordelen.”
Na het pleidooi van de advocaat zei de procureur-generaal dat hij bij zijn eis van de doodstraf bleef. De advocaat repliceerde daarop met “als het openbaar ministerie het hoofd wil van de beklaagde, welnu, laat het hem dan nemen.” Hij hoopte dat het hof zijn overtuiging zou delen en Swillens zou vrijspreken.
De uitspraak van het Provinciale Hof van Limburg
Het Hof deed op 20 september 1844 uitspraak in de zaak van Swillens, beschuldigd van een poging tot moord op Gertrudis Willekens. Het Hof nam de door het openbaar ministerie gestelde voorbedachten rade niet aan. Ook de krankzinnigheid van Swillens, door de verdediger aangevoerd, werd verworpen. Swillens werd schuldig verklaard aan poging tot manslag[ix] en veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid na eerst op een openbare plaats in Maastricht gedurende één uur te pronk gesteld te zijn met boven de schandpaal een bord waarop met grote, leesbare letters zijn naam, beroep, woonplaats, straf en misdaad vermeld moesten worden.[x] Tegelijkertijd moest met een gloeiend ijzer op zijn rechterschouder de letters T.P. gebrandmerkt worden.[xi]
Toepasselijke artikelen uit het Wetboek van Strafregt:Code pénal.
Het Algemeen Handelsblad schreef over de houding van Swillens bij het horen van de uitspraak het volgende:
“De onverschilligheid, welke bij den uitspraak van dit arrest door den beschuldigde aan den dag werd gelegd, zijn lijdelijke houding bij het hooren dezer verschrikkelijke straf, scheen min of meer het beweren van eenige der gehoorde deskundigen te bevestigen, dat namelijk de beschuldigde, tijdens het plegen van het misdrijf, zijner zinnen niet magtig is geweest. Naar men gelooft zal de veroordeelde zich tegen het gewijsde, in cassatie voorzien”.[xii]
De Utrechtse provinciale en stads-courant berichtte als volgt:
“Het provinciaal hof heeft uitspraak gedaan in de zaak van Swilliens, beschuldigd van een poging tot moord op de vrouw van Van Kimmenade. Het hof heeft den voorbedachtelijke moord niet aangenomen, maar ook de krankzinnigheid, door den verdediger aangevoerd, verworpen en Swilliens schuldig verklaard aan poging tot manslag en hem veroordeeld tot altijddurende dwangarbeid, te pronkstelling en brandmerk.[xiii]
Naar de Hoge Raad
Swillens tekende tegen het arrest van het Provinciale hof van Limburg cassatie aan bij de hoogste rechtelijke instantie, de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelde uitsluitend over de toepassing van het recht. De door de advocaat van Swillens beweerde schendingen van een aantal wetsartikelen werden door door de Hoge Raad niet gehonoreerd.[xiv] Het cassatieberoep werd dan ook verworpen en de uitspraak van het hof bleef in stand.
Een van de straffen in de Code pénal, Wetboek van Strafregt, was eeuwigdurende dwangarbeid. Dat ”eeuwigdurend” moet niet letterlijk worden opgevat. Eeuwigdurend duurt immers ook voort na de dood van een veroordeelde. Ook was in artikel 7 van het Gesel- en Worgbesluit bepaald dat “de straf van altoosdurende dwangarbeid (travaux forcés à perpetuité) wordt gesubstitueerd door confinement (opsluiting) in een rasp- of tuchthuis”, voor “eenen termijn … niet te bovengaande een tijd van twintig achtereenvolgende jaren”.
In de Code pénal stond ook dat dat een tot dwangarbeid veroordeelde alvorens zijn straf te ondergaan gedurende een uur op een openbare plaats te pronk gesteld moest worden. Boven het hoofd van de veroordeelde moest een bord geplaatst worden waarop met grote, leesbare letters zijn naam, beroep, woonplaats, misdaad en straf vermeld waren. De tepronkstelling had een dubbele functie. Op de eerste plaats was het de bedoeling dat de veroordeelde publiekelijk werd vernederd en te schand gezet. Het publiek kon de veroordeelde beschimpen of op een andere wijze van zijn afschuw doen blijken. Op de tweede plaats moest er een afschrikwekkende werking voor de burgers van uit gaan om zich aan de wet te houden.
De tepronkstelling
Afbeelding van een tepronkstelling. Avgb.be
Begin mei 1845 werd Swillens, geboren te Visserweert en laatstelijk gewoond hebbend in Tungelroy, in Maastricht op de het marktplein te pronk gesteld.[xv] Hij zou volgens het arrest van het hof ook met de letters T.P. op zijn rechterschouder gebrandmerkt worden. Dat leed is hem bespaard gebleven want bij Koninklijk besluit van 18 april 1845 had het Zijne Majesteit behaagd hem daarvoor gratie te verlenen.[xvi] Ook was de eeuwigdurende dwangarbeid omgezet in 20 jaar opsluiting.[xvii].
Hoe ging het verder met de veroordeelde Swillens?
Johannes Arnoldus Swillens was, zoals we gezien hebben, veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid; een straf die bij koninklijk besluit was omgezet in 20 jaar opsluiting. Hij moest deze straf ondergaan in het Huis van Opsluiting (Reclusie) en Tuchtiging te Leeuwarden.
Rijks Tuchthuis Leeuwarden. Bron- HCL Leeuwarden.
De leefomstandigheden in deze overbevolkte gevangenis waren zwaar. Dat was overigens niet alleen het geval in Leeuwarden maar ook in andere gevangenissen en arresthuizen.
Overlijdenakte Johannes Arnoldus Swilliens. Bron: https://allefriezen.nl.
Zo beklaagde de commandant van het Huis van Reclusie en Tuchtiging in Leeuwarden zich in 1849 over de “steeds voortdurende armoedige en ziekelijke toestand der gevangenen, die van elders werden aangebragt” en “de bedoelde gevangenen zijn allen zonder onderscheid, door ongedierte geteekend en bovendien door koude en ontbering zoodanig verzwakt dat velen hunner, dadelijk na aankomst, in de ziekenzalen moeten worden opgenomen”.[xviii] In 1849 waren er op 31 december 818 gevangenen in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden ondergebracht. In dat jaar waren er 100 overleden.
Johannes Arnoldus Swillens is ook het slachtoffer geworden van deze slechte leefomstandigheden. Hij is op 48-jarige leeftijd op donderdag 13 maart 1851 in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging overleden.[xix]
Op 31 december 1850 zaten er in het huis van van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden 780 criminele mannen gevangen. In 1851 overleden behalve Swillens nog 87 gevangenen. In de overlijdensakte staat dat hij gewezen ambtenaar was, geboren te Visscherweerd in Limburg, wonende te Tongelre, en dat verder niets van hem bekend was.
Epiloog
In Nederland wordt regelmatig geklaagd over te lage straffen. U hebt kunnen lezen dat dat in het midden van de 19de eeuw wel anders was. Of dat beter en rechtvaardiger was, is zeer de vraag.
Wat betreft de strafbaarheid van de daad van Joannes Arnoldus Swillens, tijdelijke inwoner van Tungelroy, en de hem opgelegde straf laat ik het aan de lezer over zich daarover een mening te vormen. Ik vermoed dat in de huidige tijd daar heel anders over geoordeeld zou worden.
Bronvermeldingen
[i] https://www.erfgoedtungelroyonline.nl/artikelen/De%20volkstellingen%20van%20Tungelroy.pdf [ii] In de geraadpleegde stukken wordt ook de naam Swilliens gebruikt. [iii] De inhoud van dit verhaal is, tenzij anders blijkt, gebaseerd op krantenartikelen in het Franstalige Journal du Limbourg van 18 en 19 september 1844. [iv] waibel-wittlich.de [v] De vermelding 1811-1832 kan wellicht verwarring oproepen. De verklaring van die data is dat de vastlegging van percelen in en plattegronden van gemeenten in kadastrale kaarten in Nederland begonnen is rond 1811 en afgerond is in 1832, echter met uitzondering van de huidige Nederlandse provincie Limburg die van 1830 tot 1839 bij het koninkrijk België hoorde. Pas in 1844, een aantal jaren na het Verdrag van Londen (1839), waarbij de scheiding tussen Nederland en België definitief geregeld werd, kwam ook in de toen nieuwgevormde Nederlandse provincie Limburg het kadaster tot stand. De minuutplannen en oorspronkelijk aanwijzende tafels geven de situatie in 1843/1844 weer. [vi] Deze zoon is Arnoldus van Kimmenade, geboren 19 december 1830. [vii] Artikel 64 Wetboek van Strafregt/Code pénal is te vergelijken met artikel 39 in het thans geldende Wetboek van Strafrecht, luidende: “Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dat hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend.” [viii] Het Gesel- en Worgbesluit heeft zijn benaming te danken aan de volgende bepaling (artikel 7) in het besluit: “De straf van altoosdurende dwang-arbeid (travaux forcés à perpétuité) …wordt gesubstitueerd (vervangen) door de straf van geeseling, met de strop om den hals, aan de galg vastgemaakt…”. De straf “met de strop om de hals aan de galg vastgemaakt” stond symbool voor worgen [ix] Voor een goed begrip van de straf is van belang dat in artikel 2 van de Code pénal een poging tot een misdaad gelijkgesteld werd met de misdaad als de uitvoering van de misdaad niet had plaatsgevonden ten gevolge van omstandigheden buiten de wil van de dader. In dit geval oordeelde het hof dat Swillens een geladen karabijn op Gertrudis Willekens had gericht en een schot had gelost. Dat de kogel haar niet geraakt had maar in de muur terecht was gekomen, was volgens het hof een omstandigheid buiten de wil van Swillens. [x] In de Code pénal was als straf “aan de kaak stellen” opgenomen. Deze straf was in het Gesel- en Worgbesluit vervangen door geseling of “te Pronkstelling op het schavot”: een in onze ogen nogal eufemistische term voor een vernederend gebeuren. [xi]Als bijkomende straf werd een tot eeuwigdurende dwangarbeid veroordeelde op een publieke plaats met een gloeiend ijzer op de rechterschouder gebrandmerkt met de letters T.P.. Deze letters staan voor travauxperpétuels: de Franse woorden voor eeuwigdurende dwangarbeid. [xii] Algemeen Handelsblad, 24 september 1844. [xiii] Utrechtse provinciale en stads-courant, 25 september 1844. [xiv] Weekblad van het regt, 9 maart 1845. [xv] In 1854 zijn de straffen tepronkstelling, brandmerken en geseling afgeschaft. [xvi] Deze majesteit was koning Willem II. [xvii] Journal du Limbourg, 4 mei 1845. [xviii] Algemeen Handelsblad, 19 oktober 1849. [xix] Bron: www. blokhuispoort.nl/online-museum/huis-van -opsluiting/overledenen.
Onlangs werden 130 negatieven van schoolfoto’s uit de periode 1936 ~ 1948 gevonden. Alphons Timmermans, die toen leerkracht en later schoolhoofd was van basisschool St. Jozef in Altweerterheide, maakte deze bijzondere foto’s.
Hij legde zowel leerlingen als enkele leerkrachten vast, waarbij de beelden een breed scala aan emoties tonen, variërend van vrolijk spel tot serieuze momenten van straf. Daarbij bieden de foto’s een fascinerend inkijkje in het dagelijks leven op school in die tijd.
Alphons Timmermans gaf de negatieven vele jaren geleden aan Ressie Haex (93). Omdat een deel van de foto’s uit haar eigen schooltijd stamt, hadden de beelden ook persoonlijke waarde. Tijdens een verhuizing ontdekte haar nichtje, Marja Clement, samen met haar achterneef Dion Huiberts deze negatieven opnieuw. Ze besloten ze te digitaliseren en te vergroten. Daarbij bleek al snel hoe uitzonderlijk goed de fotokwaliteit voor die tijd is.
Help mee gezichten te herkennen
Op maandag 30 september 2024 om 19.30 uurworden deze unieke schoolfoto’s tentoongesteld in de Heilig Hartkerk aan de Bocholterweg in Altweerterheide. Bezoekers worden uitgenodigd om te helpen, zodat de gezichten van de leerlingen en leerkrachten op de foto’s geïdentificeerd kunnen worden. Neem daarbij vooral oude foto’s van familieleden mee om vergelijkingen te maken en zo namen aan de gezichten te koppelen.
Samenwerking
Dit evenement is georganiseerd door de Dorpsraad Altweerterheide in samenwerking met de Geschied- en Oudheidkundige Kring “De Aldenborgh”. De toegang is gratis, en elke vorm van hulp wordt zeer gewaardeerd. Bovendien is iedereen welkom om bij te dragen aan het identificeren van deze historische gezichten, zodat de geschiedenis van basisschool St. Jozef nog completer wordt.
Het begraven op een parochiekerkhof is tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend. Een natuurbegraafplaats in Weert en Nederweert, een toekomstige islamitische begraafplaats aan de Geuzendijk, twee crematoria in Weert en Nederweert. De afgelopen 10 jaar zijn de locaties waar mensen uit de regio hun laatste rustplaats vinden, uitgebreid.
We zijn bijzonder verheugd dat dr. Maurice Heemels als voorzitter van Stichting Funerair Erfgoed Limburg (SFEL) ons komt vertellen over het werk van deze stichting. SFEL zet zich in voor het behoud van ‘funerair erfgoed’ in de provincie Limburg. Wat is funerair erfgoed en waarom zouden we het moeten beschermen? Welke functies kan een begraafplaats of kerkhof vervullen en hoe kunnen lokale vrijwilligers zich gezamenlijk inzetten voor het behoud van het funeraire erfgoed in hun dorp of stad?
In het tweede deel van de lezing zal hij ingaan op de begraafplaats aan de Molenpoort in Weert. Wat zijn haar bijzondere kenmerken? Aan de hand van een aantal concrete voorbeelden zal duidelijk worden gemaakt welke (soorten) grafmonumenten op de begraafplaats getypeerd kunnen worden als ‘funerair erfgoed’. Ook zal Maurice uitleggen hoe dit funeraire erfgoed een rol kan spelen bij het vastleggen van de geschiedenis van Weert en hoe met het zal kunnen bewaren voor ‘toekomstige generaties’.
Maurice Heemels
Maurice Heemels
Maurice Heemels (Melick 1971) studeerde geschiedenis aan de Hogeschool Katholieke Leergangen Sittard en de Katholieke Universiteit Nijmegen. In 1997 studeerde hij cum laude af of een scriptie over rooms-katholieke begraafcultuur in Roermond tussen 1920 en 1985. In 2016 promoveerde hij op een studie naar begraafcultuur in Roermond tussen 1870 en 1940.
Heemels is historicus, lerarenopleider en coördinator van de opleiding tot leraar geschiedenis bij Fontys Lerarenopleiding Sittard. Hij is daarnaast onder meer lid van het hoofdbestuur van het LGOG – waarvoor hij leidinggeeft aan de herziening van de Canon van Limburg –, medeoprichter en vicevoorzitter van Stichting Oude Kerkhof Roermond en voorzitter van de Stichting Funerair Erfgoed Limburg. Hij publiceert regelmatig over met name funeraire cultuur en regionale geschiedenis.
Praktische informatie
wat:
lezing ‘Funerair erfgoed aan de Weerter Molenpoort’