Na de verassend grote opkomst op 11 augustus 2025 in Geldrop hadden zo`n 200 liefhebbers van regionale cultuurhistorie op deze mooie avond de weg naar het Heppeneert gevonden. De deelnemers aan ”Gluren bij de Buren” werden ontvangen in de plaatselijke kerk. Het aantal zitplaatsen in de kerk was niet toereikend voor alle bezoekers. Dit grote aantal deelnemers is weer een bewijs dat het beproefde concept na 20 jaar nog steeds actueel is en veel belangstellenden trekt. Geschiedenis is niet alleen verleden, maar ook heden en toekomst.
Een volle kerk met deelnemers
Ontvangst in de kerk
Jos Henckens, voorzitter van de Pater Sangerskring, verontschuldigde zich voor het beperkte aantal zitplaatsen in de kerk. Heppeneert is maar een klein dorp met een dito kerk. Hij zei dat Gluren bij de Buren in Heppeneert de laatste bijeenkomst was van de 20ste jaargang van Gluren bij de Buren.
Peter Korten heette de bezoekers namens De Aldenborgh, de kring Weert van het LGOG en de GHK “Land van Thorn” welkom in Heppeneert. Hij memoreerde dat op 18 augustus 2015 al een Gluren bij de Buren in Heppeneert had plaatsgevonden. Voorde editie Gluren bij de Buren 2027 waren er al aanmeldingen om die te mogen organiseren.
Hij bracht het ruimen van graven op het kerkhof onder de aandacht. Hij riep schepen Fransen van Maaseik op het funeraire erfgoed in stand te houden.
Hij dankte de gidsen, de pater Sangerskring en de kerkfabriek voor hun medewerking aan deze avond. De naamgever van de kring, pater Willem Sangers, is 40 jaar geleden begraven op het kerkhof van Heppeneert.
De bezoekers hadden kunnen zien dat er al flink gewerkt wordt aan een nieuwe brug over de Maas. Peter sprak de hoop uit dat ook de nieuwe brug de naam Sangersbrug zou krijgen en dat op die brug het symbool van de verbondenheid tussen de beide Limburgen, twee paar handen die een knoop aantrekken, weer een plaats zou krijgen.
Ine Fransen, schepen van cultuur van de stad Maaseik, heette namens het stadsbestuur de aanwezigen welkom. Zij wenste de organiserende verenigingen proficiat met Gluren bij de Buren, inmiddels een vaste waarde in het regionale cultuurhistorische landschap. Heppeneert is een eeuwenoud bedevaartsoord met daarenboven als kenmerken natuur en gastvrijheid. Zij bracht ook de stad Maaseik onder de aandacht met zijn mooie markt, de gebroeders van Eijck en het museum.
Jos Henckens dankte de initiatiefnemers van Gluren bij de Buren, Peter Korten en Thieu Wieërs, voor het fantastische intiatief, 20 jaar geleden, om Gluren bij de Buren te organiseren. Heemkundeverenigingen zijn vaak gefocust op de eigen plaats. Gluren bij de Buren is een uitstekende mogelijkheid om over gemeente- en landsgrenzen heen te kijken. Hij deed een oproep aan de besturen van heemkundeverenigingen om meer regionaal samen te werken. Hij hoopte dat Maaseik volgend jaar Gluren bij de Buren zou organiseren.
Enige historie
Jos Henckens zei dat Heppeneert voor het eerst in 1202 werd genoemd. Heppeneert behoorde tot Maaseik, dat in 1244 stadsrechten kreeg van de Graaf van Loon. Heppeneert had wel een eigen burgemeester en een eigen schutterij. In de loop der tijd vond er landaanwas plaats door verplaatsing van de rivierbedding van de Maas. Heppeneert ligt daardoor nu niet meer aan de Maas maar aan de uiterwaarden van die rivier. Die landaanwas is nog zichtbaari n een sloot op de plaats waar de oude Maas liep.
In 1567 werd Heppeneert een zelfstandige parochie, bediend door de Kruisheren.
In de 17de en 18de eeuw had Heppeneert veel te lijden van oorlogen.
In de tweede helft van de 18e eeuw zou een koster van de kerk een bokkenrijder zijn geweest die terecht werd gesteld.
Tijdens de Franse tijd werden kerkelijke goederen geconfisqueerd. In Heppeneert werden kerkelijke gewaden, kelken en ander kerkelijke goederen “geroofd” voordat confiscatie zou plaatsvinden. Nadat de toestand voor de kerk enigszins genormaliseerd was, kwamen de “geroofde” goederen weer tevoorschijn en kregen zij hun plaats terug in de kerk.
In 1842 werd Heppeneert weer een zelfstandige parochie.
De pastorie
De eerste statie van de groep, waarin uw verslaglegger was ingedeeld, was de pastorie. Het gebouw dateert uit het einde van de 19e eeuw. De reden voor die betrekkelijk late bouw is gelegen in het feit dat de kruisheren die de parochie bedienden, verplicht de nacht in het klooster in Maaseik moesten doorbrengen. Voor de pastorie staat een muurtje, gebouwd met Maaskeien en Maaszand, met daarop de tekst “Laad me met rust”. De “d” aan het einde van ”laad” is geen fout maar een bewuste keuze. Laad heeft hier de betekenis van inladen, vervullen. Bijzonder is dat de zitbank verwarmd is.
Tekst “Laad me met rust” op de bank
Aan de overzijde van de pastorie is in 1926 na een grote overstroming van de Maas een muur gebouwd als waterkering. In 2021 bleek de muur te laag te zijn. Hij werd opgehoogd met zandzakken; dat hielp. Heppeneert kreeg toch natte voeten. Niet door de Maas in het oosten maar door overstroming van de Zanderbeek aan de westzijde van het dorp.
De pastorie van Heppeneert
Sint Gertrudiskerk
De tweede statie was een bezoek aan de Sint Gertrudiskerk. Op het linker zijaltaar van de kerk staat een beeldje van Onze Lieve Vrouw van Rust. Het beeldje is een fragment van een retabel dat waarschijnlijk In Antwerpen is vervaardigd. Opvallend zijn de kunstige draperieën van de gewaden van Maria en Joannes. Het beeldje is in 1948 opnieuw gepolychromeerd.
Het verhaal wil dat het beeldje oorspronkelijk In de Maas bij Elen is aangedreven. In 1794 heeft pastoor Coopmans het beeldje verborgen voor de Fransen. In 1801 is het in Heppeneert terechtgekomen.
Beeldje O.L.V. van Rust
Het rechter zijaltaar is gewijd aan de patroonheilige van de kerk, Gertrudis van Nijvel, dochter van Pepijn van Landen en abdis van de abdij in Nijvel. Zij zou gastvrij geweest zijn voor pelgrims. Zij werd aanbeden tegen besmettelijke ziekten en tegen muizen en ratten.
Aan een muur op het koor bevinden zich beelden van 3 vrouwelijke maagden: Genoveva Bertilia en Eutropia.
De drie maagden
Op de binnenmuren van de kerk zijn veel votieftegels aangebracht. Een van die tegels, enigszins verborgen, is afkomstig van de familie van de Vlaamse schrijver Gerard Walschap, wiens boek “Houtekiet” jarenlang op de index van de katholieke kerk heeft gestaan. Het kan verkeren.
Votieftegels
Het kerkhof
De derde statie voerde naar het kerkhof. Eind 18de eeuw werd het verboden doden in of bij een kerk te begraven. De doden moesten buiten de omwalling begaven worden. Heppeneert had geen omwalling en kon de begraafplaats bij de kerk behouden. Deze was alleen bestemd voor mensen uit Heppeneert en Kruisheren en Ursulinen uit Maaseik. De Kruisheren en de Ursulinen werden overigens op een apart gedeelte van het kerkhof begraven.
In 2019 is er bij het kerkhof een strooiweide aangelegd waarop de as van gecremeerden, ook van buiten Heppeneert, uitgestrooid kan worden.
Een groep deelnemers op het kerkhof
De gids stond stil bij graven van twee personen. Het eerste was dat van pater Sangers, een groot voorvechter en propagandist van de grensoverschrijdende Limburgse cultuur en historie.
Grafkruis Willem Sangers, kruisheer
Het tweede graf was dat van Gerty Vanhoef, een parochiane van Heppeneert, die op 28 augustus 2018 in haar huis vermoord werd. Deze moord is tot op heden niet opgelost.
Grafsteen Gerty Vanhoef
Mariapark met kaartridder
De vierde statie was het Mariapark, gewijd aan de zeven smarten van Maria. Daar werd de legende van de kaartridder fantastisch verteld door een man, die met lof afgestudeerd leek te zijn van een gerenommeerde toneelschool. De legende luidt als volgt:
“Ridder Riddart bezat een groot kasteel, Borckhof. Hij was getrouwd met een mooie vrouw. Zijn vrouw stierf jong. De ridder was ontroostbaar. Hij verloor het geloof in God, die hem zijn vrouw op zo jonge leeftijd had ontnomen. Hij raakte verslaafd aan gokken, kaartspelen en liederlijke braspartijen. Hij verloor daarmee al zijn geld. De duivel kwam hem te hulp. Deze beloofde hem alles te geven wat hij nodig had in ruil voor zijn ziel. Tijdens een groot feestmaal vertelde de ridder zijn vrienden dat de duivel op zijn ziel wachtte bij een bruggetje. Riddardt vertrok te paard naar het bruggetje. Ongemerkt voor de ridder reed de heilige Gertrudis achter hem mee. Toen de duivel haar opmerkte, verdween hij. Riddardt keerde terug naar zijn kasteel en leidde vanaf die gebeurtenis een sober en deugdzaam leven zonder kaarten, gokken en braspartijen. Het bruggetje heet sindsdien het Duvelsbrökske.
Standbeeld van de kaartridder
Gasthof
De vijfde statie was bij het Gasthof van Onze Lieve Vrouw van Rust. Na het vertrek van de Fransen nam de Mariadevotie toe, vooral in de tweede helft van de 19de eeuw. In 1854 werd door paus Pius IX het dogma van Maria onbevlekte ontvangenis afgekondigd. Dat wil zeggen dat Maria vrij is van de erfzonde. In 1858 vond in Lourdes de verschijning plaats van Maria aan Bernadette Soubirous.
Vanaf 1883 wist pastoor Froyen van de kerk van Heppeneert, waar het beeldje van Onze Lieve Vrouw van Rust stond, een centrum van Mariaverering te maken. In 1886 bleef een kind van twee jaar van de familie Severijns-Jennen op wonderbaarlijke wijze ongedeerd onder een omgehakte boom. Dat werd aan Onze Lieve Vrouw van Rust toegeschreven want het kind had een medaille met haar beeltenis om. De pastoor buitte de gebeurtenis uit door daarover artikelen te schrijven voor een groot aantal kranten. Dat leidde tot een forse toename van pelgrims naar Heppeneert. Voor de huisvesting daarvan werd in 1895 het Gasthof van O.L. Vrouw van Rust gebouwd.
Gasthof van O.L. Vrouw van Rust
Na afloop van de rondleiding werden de twee horeca-etablissementen die het kleine Heppeneert rijk is, druk bezocht voor een gezellige nazit.
De stichtingen Martinus Monument en De Aldenborgh organiseren samen een boeiende middag met als thema ‘De namen achter de ramen van de St. Martinuskerk’.
De meeste glas-in-loodramen in de St. Martinuskerk dateren uit de periode 1907–1928. De gebroeders Jean en Piet den Rooijen uit Roermond vervaardigden maar liefst 27 ramen voor de kerk. Welgestelde Weerter families maakten deze ramen financieel mogelijk en lieten hun naam in het glas vereeuwigen. Maar wie waren zij? En welke verhalen gaan schuil achter deze bijzondere kerkvensters? Verschillende sprekers, onder wie John van Cauteren, Peet Mertens, Hariët Blaas, Alfons Bruekers en Peter Korten, nemen je mee in deze geschiedenis.
Praktische informatie
Datum en tijd: 15.00 – 17.00 uur op donderdag 27 augustus 2026
Locatie: Theatercafé van het Munttheater
Inloop: vanaf 14.30 uur
Na afloop: gelegenheid om onder het genot van een drankje na te praten.
Let op: Er is plaats voor maximaal 130 bezoekers. Vol = vol. Daarom adviseren we je tijdig aanwezig te zijn.
Alweer het vijfde symposium tijdens de Cultuurhistorische Zomer, ditmaal rond een bijzonder actueel thema. Door de huidige oorlogen en internationale spanningen worden kazernes opnieuw uitgebreid en militaire oefenterreinen weer intensiever gebruikt. Daarmee groeit ook de belangstelling voor de historische rol van defensie in onze grensstreek.
Hoe heeft de militaire aanwezigheid het landschap, de samenleving en het dagelijks leven in Limburg en Brabant gevormd? Tijdens het symposium Tussen Heide en Garnizoen nemen deskundigen Martin M. Bogaert, Bèr Geelen, Jac. Biemans en Robert Bomans het publiek mee door twee eeuwen militaire geschiedenis van de grensregio.
Van het imposante Kamp Beverlo-Leopoldsburg, dat uitgroeide tot een van de belangrijkste militaire opleidingscentra van Europa, tot de ontwikkeling van Weert als garnizoensstad waar leger en bevolking generaties lang met elkaar verweven raakten. Ook de geschiedenis van de kazerne van Kaulille en de strategische betekenis van de Duitse legerplaats Budel komen aan bod.
Daarnaast is er aandacht voor de luchtmacht en de Koude Oorlog, met bijzondere focus op de NAVO-context van vliegbasis Kleine Brogel, een site die tot vandaag een belangrijke rol speelt binnen de Europese veiligheidsarchitectuur.
Het symposium brengt niet alleen militaire geschiedenis samen, maar ook erfgoed, landschap en herinneringscultuur. Hoe veranderden kazernes en oefenterreinen de heidegebieden? Welke sporen liet defensie na in steden en dorpen? En hoe gaan we vandaag om met dit bijzondere militaire erfgoed?
Tussen Heide en Garnizoen biedt een unieke blik op een regio waar heide, geschiedenis en defensie al twee eeuwen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Parkeersuggestie: ruime parkeergelegenheid rond de kerk.
Heppeneert is een langgerekt kerkdorp nabij Maaseik, gelegen op de Maasdijk langs de oever van de Oude Maas. De oudste vermelding van het dorp dateert uit 1202, toen het werd aangeduid als Heppenardt. Toch gaat de geschiedenis van deze streek veel verder terug: archeologische vondsten uit het neolithicum en de bronstijd tonen aan dat hier al duizenden jaren bewoning was.
Oorspronkelijk lag Heppeneert rechtstreeks aan de Maas, maar door de eeuwen heen verlegde de rivier haar loop geleidelijk meer oostwaarts. Tal van heerlijke rechten, zoals het veer- en visrecht, waren in handen van de abdij van Thorn. Die rechten zouden in de 10de eeuw geschonken zijn door graaf Ansfried.
Al vóór 1202 beschikte Heppeneert over een kerk, die onder de parochie van Neeroeteren ressorteerde. Het gebied viel bestuurlijk gedeeltelijk onder de abdij van Thorn en gedeeltelijk onder het gezag van de graaf van Loon.
Onze-Lieve-Vrouw van Rust
Heppeneert groeide uit tot een geliefd bedevaartsoord dankzij de verering van het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Rust. Oorspronkelijk werd dit Mariabeeld vereerd in de kapel van de Kapellerhof in Elen, de middeleeuwse Hof aen die Capelle. Volgens de overlevering spoelde het beeld daar eeuwen geleden aan tijdens een overstroming van de Maas.
In 1706 kwamen de pachthoeve en de kapel in handen van de kruisheren van Maaseik, onder wier invloed de Mariadevotie sterk toenam. Tijdens de Franse periode bracht pastoor Coopmans uit Heppeneert het beeld in veiligheid. In 1801 kreeg het een plaats in de Sint-Gertrudiskerk van Heppeneert.
Hoewel de bedevaart naar Elen bleef bestaan, maakte pastoor Froyen in 1883 van Heppeneert het centrale bedevaartsoord voor de verering van Onze-Lieve-Vrouw van Rust. Tot op vandaag blijft deze traditie levendig aanwezig.
Wat de uitdrukking “In Heppeneert bakke ze de kook (pannekoek) aan eine kant” betekent, zult u deze avond wel horen. En wat heeft Max Verstappen, de legendarische “van de brug en paeperkook” pater Sangers (1915-1987) met Heppeneert te maken? U hoort het allemaal tijdens de laatste Gluren bij de Buren van het seizoen.
In De Nieuwe koerier, Provinciale en Roermondse courant, van donderdag 9 mei 1889 verscheen een bericht over een onttrekking aan het ouderlijk gezag. Het begin van het bericht luidt als volgt:
“Weert, 7 mei. Een zeldzaam geval heeft zich alhier voorgedaan. Door zekere G. werd aan den rijksveldwachter den 28 april jl. aangifte gedaan, dat zekere H.S.-koopman te gehucht Zwartbroek onder deze gemeente, zijne minderjarige dochter H.G. aan zijn gezag had onttrokken. Door den rijksveldwachter werd een onderzoek ingesteld, dat ten gevolge had, dat bovengenoemde G., H.S en H.G., werden opgeroepen om voor den heer rechter-commissaris bij de rechtbank te Roermond te verschijnen en wel op heden”.
Een geval van schaking: een meisje dat tegen de zin van haar vader was ontvoerd.
Een dergelijk bericht wekt nieuwsgierigheid op, althans bij de schrijver van dit verhaal. Was onttrekking aan het gezag strafbaar? Wie was de rijksveldwachter? Wie zijn de met hun initialen aangeduide personen? Waarom werd in deze zaak een minderjarige aan het gezag onttrokken? Was de schaking tegen de wil van het meisje? Hoe is die aangifte van onttrekking aan het gezag afgelopen?
Op basis van de summiere gegevens in vorenvermeld citaat heb ik onderzoek verricht met als resultaat dit verhaal.
Onttrekking aan het gezag strafbaar?
In het in 1886 in werking getreden Wetboek van Strafrecht was in artikel 279 het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het gezag strafbaar gesteld. In die tijd was men tot het bereiken van het 23ste levensjaar minderjarig.[i]
[i] Artikel 385 van het toen geldende Burgerlijk Wetboek luidde: “Minderjarigen zijn zij, die den ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben vervuld, en niet vroeger in den echt zijn getreden”.
Artikel 279 Wetboek van Strafrecht
Wie was de rijksveldwachter?
De rijksveldwachter aan wie door G. aangifte van de onttrekking aan het gezag was gedaan, bleek Jannis Jacobus Zonnevijlle te zijn, geboren op 9 december 1857 te Groede.[i]
Jannis Jacobus Zonnevijlle is op 31 juli 1884 te Hulst getrouwd met Clementina Maria Rotteveel, geboren op 7 juli 1859 te Hulst. Hij was toen zonder beroep; zijn bruid was naaister. Bij gelegenheid van dat huwelijk heeft hij Maria Johanna Petronella Rotteveel, de op 5 mei 1884 te Hulst geboren dochter van de ongehuwde Clementina Maria Rotteveel erkend. De geboorteaangifte van die dochter was gedaan door de vroedvrouw Josephina Coleta Anthonia van Aerde.
Een jaar later, in 1885, is Jannis Johannes Zonnevijlle benoemd tot rijksveldwachter te Hoogeloon. Op 1 mei 1885 is in de gemeente Hoogeloon, Hapert en Casteren dochter Natalia Elisabeth Maria geboren [ii]
In 1886 wordt Zonnevijlle benoemd tot rijksveldwachter in Weert. Daar is hij op 12 maart 1886 ingeschreven in het bevolkingsregister. Hij woonde met zijn gezin op de Biest in de woning met het toenmalige huisnummer 513.
In dat huis aan de Biest woonde ook korte tijd Josephina Maria Clementina Rotteveel, een zus van de vrouw des huizes. Zij is volgens het bevolkingsregister op 5 november 1887 vertrokken naar “Hautmont Lievin bij Alost”. Dat blijkt Sint Lievens Houtem bij Aalst, België, te zijn.
Op 7 februari 1894 is in het gezin een neefje, Jan Jacob Zonnevijlle, opgenomen, geboren op 28 april 1892 te Schoondijke, Zeeuws-Vlaanderen. Deze is op 14 februari 1916 te Venlo getrouwd met de 17-jarige Adriana Johanna Rommers, geboren in Oudenbosch.
In 1898 werd Jannis Jacobus Zonnevijlle, brigadier-titulair der rijksveldwacht te Weert, bevorderd tot brigadier. Per 12 april 1898 werd hij benoemd tot commandant van de brigade Venlo.[iii] Hij is op 15 september 1923 op 65-jarige leeftijd overleden te Venlo. In de overlijdensakte is als zijn beroep brigadier der rijksveldwacht vermeld.
Wie waren G. en zijn dochter H.G?
G, die aangifte had gedaan van onttrekking aan het gezag, is Joannes Mathias Geelen. Deze Joannes Mathias Geelen is op 9 juni 1835 geboren te Weert. Zijn vader Jean Mathieu Geelen was hoefsmid. Jean Mathieu Geelen woonde met zijn echtgenote Maria Helena Verdonck en zijn gezin in de Maaspoort. Johannes Mathias Geelen was evenals zijn vader smid in de Maaspoort.
[i] Groede is een plaats in westelijk Zeeuws-Vlaanderen.
[ii]Brabant Historical Information Centre in Brabant, Civil registration birth. Part: 4445, Period: 1885, Hoogeloon, Hapert en Casteren, archief 50, inventory number 4445, May 1, 1885, Geboorteregister Hoogeloon, Hapert en Casteren 1885, record number 17
Met een punaise aangegeven ligging van de woning van Geelen in de Maaspoort
Johannes Mathias Geelen is op 2 mei 1859 te Weert getrouwd met Maria Elisabeth Driessen, geboren op 20 juni 1829 te Weert en op 12 mei 1870 overleden te Weert. Het echtpaar
Geelen-Driessen heeft vier kinderen gekregen, waarvan er een jong gestorven is. Bijzonder is dat twee dochters volgens hun geboorteakten exact dezelfde voornamen, Maria Helena, hebben gekregen.[i] Een is geboren op 12 december 1867 en de ander op 28 december 1868. De roepnamen zullen wel verschillend zijn geweest.
Na het overlijden van Maria Elisabeth Driessen is Joannes Mathias Geelen vier maanden later op 9 september 1870 in tweede huwelijk getrouwd met Joanna Maria Vreijs, geboren op 8 december 1830 te Weert en overleden op 2 september 1896 te Weert.
Het echtpaar Geelen-Vreijs woonde met de twee hiervoor vermelde Maria Helena`s in de Maaspoort met als toenmalig huisnummer 543, mogelijk op hetzelfde adres als vader Jean Mathieu Geelen.
[i] Het geven van dezelfde voornamen aan kinderen uit een gezin kwam wel meer voor, maar dat was meestal het geval als het eerste kind was overleden. Dat was hier echter niet het geval.
Bevolkingsregister gemeente Weert 1880-1900, waarin wat ‘geknoeid’ is met de voornamen van de dochters
De aangifte van onttrekking aan het gezag betrof de jongste, op 28 december 1868 geboren Maria Helena (roepnaam: Leen) Geelen.
Wie was H.S?
Na enig onderzoek bleek de vermeende dader Henricus Josephus (roepnaam: Driek) Smeets te zijn, geboren op 27 juli 1863 op de Millert (Mildert), gemeente Nederweert.[i]
Ten tijde van de aangifte van onttrekking aan het gezag woonde hij met zijn moeder, Maria Elisabeth Koolen, weduwe van Joannes Smeets, en zijn broer en een zus in Swartbroek.
Maria Elisabeth Koolen is op 3 maart 1824 op Swartbroek geboren. Zij is een dochter van Jacobus Koolen, landbouwer op het gehucht Swartbroek, en zijn vrouw Maria Gertrudis Kuppens.[i]
Volgens het kadaster stonden op 31 december 1845 19 percelen grond in en rond Swartbroek op naam van Jacobus Koolen.[ii] Hij was dus niet onbemiddeld. Jacobus Koolen en zijn gezin woonden in Swartboek tegenover de toenmalige Corneliuskapel.[iii] Maria Elisabeth Koolen is op 10 november 1855 te Weert getrouwd met Joannes Smeets, geboren 18 augustus 1822 te Swartbroek.
Zij is na het overlijden van haar man op 11 januari 1883 te Leveroy, met haar kinderen, waaronder Driek, in februari 1884 verhuisd naar een woning in Swartbroek.
[i] De aangifte van de geboorte werd op 6 maart 1824 gedaan.
Zoals in het hiervoor geciteerde krantenbericht vermeld, waren vader Johannes Mathias Geelen, zijn dochter Leen Geelen en Driek Smeets opgeroepen om op 7 mei 1889 te verschijnen voor de rechter-commissaris van de rechtbank te Roermond om gehoord te worden over de onttrekking aan het gezag.
Zij melden zich die dag samen bij de rechtbank aan. Dat verbaasde de rechter-commissaris. Maar tot zijn grote verrassing deelden de jongelieden hem mee dat zij op 2 mei 1889 te Weert voor de wet getrouwd waren. Vader Johannes Mathias Geelen had aan zijn dochter toestemming voor dat huwelijk gegeven. Op de ochtend voor hun bezoek aan de rechtbank in Roermond waren Driek en Leen overigens ook kerkelijk getrouwd in de Sint Martinuskerk te Weert.
Deel huwelijksakte Henricus Josephus Smeets en Maria Helena Geelen van 2 mei 1889
Van strafrechtelijke onttrekking aan het gezag was toen geen sprake meer. Door het huwelijk was Leen Geelen wettelijk meerderjarig geworden.[i] Haar vader had daardoor het ouderlijk gezag over haar verloren. Maar daar kwam een andere gezagsverhouding voor in de plaats. Volgens het toen geldende Burgerlijk Wetboek stond een gehuwde vrouw onder het gezag van haar man en was zij handelingsonbekwaam.
In de wet stond onder meer:
“*De man is het hoofd der echtvereniging.
* De vrouw is haren man gehoorzaamheid verschuldigd.
* Zij is verplicht met hem te wonen, en hem te volgen naar alle plaatsen, alwaar hij het nodig oordeelt zijn verblijf te houden.
* De vrouw kan zonder toestemming van haren man geen overeenkomsten aangaan.”[ii] ,[iii]
De toekomstige echtelieden Smeets-Geelen hadden echter daarop in zekere zin geanticipeerd. Op 2 mei 1889 hadden zij, enkele uren voor het sluiten van het burgerlijk huwelijk, bij notariële akte, verleden voor notaris Clerckx te Weert, huwelijkse voorwaarden gemaakt. Daarin werd iedere gemeenschap van goederen uitgesloten en werd vastgelegd dat Helena Geelen zich het vrije beheer van haar roerende en onroerende goederen en het genot van haar inkomsten voorbehield.
Waarom vader Geelen op 28 april 1889 aangifte had gedaan van onttrekking aan het gezag van zijn dochter en vier dagen later toestemming voor haar huwelijk heeft gegeven, is niet bekend. Was die aangifte een opwelling na een hevige ruzie? Vond hij de huwelijkspartner te min? Vreesde hij voor het familievermogen? We weten het niet. Van een schaking tegen de wil van Leen Geelen was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Het lijkt er meer op dat zij het ouderlijk huis ontvlucht is en naar haar vrijer in Swartbroek is gegaan.
Hoe ging het verder met het echtpaar Smeets-Geelen?
Het echtpaar Smeets-Geelen heeft wat kinderen betreft een vruchtbaar huwelijk gehad. Zij hebben niet minder dan dertien kinderen gekregen. Alle kinderen zijn in Swartbroek geboren.
Driek Smeets was een zakenman. In geboorteakten van zijn kinderen zijn als zijn beroepen vermeld: landbouwer, winkelier en koopman. Het echtpaar Smeets-Geelen exploiteerde in Swartbroek een winkel en herberg.
Driek Smeets is op 9 april 1914 op 50-jarige leeftijd te Swartbroek overleden. Als zijn beroep is in de overlijdensakte koopman vermeld.
[iii] De handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw is pas per 1 januari 1957 opgeheven.
Overlijdensregister Weert 1914
Leen Geelen is op 10 februari 1933 op 64 -jarige leeftijd te Swartbroek overleden. Als haar beroep is in de overlijdensakte herbergierster vermeld.
Resumé
De aanleiding voor dit artikel is een bericht in een krant in 1889 over de aangifte van onttrekking aan het gezag van een minderjarige. Die aangifte kreeg een vervolg met een verrassende ontknoping; de vermeende ontvoerder en de ontvoerde bleken namelijk getrouwd te zijn. In dit verhaal heb ik verder aandacht besteed aan de bij die aangifte betrokken personen.[i]
[i] Meer informatie over het echtpaar Smeets-Geelen is te vinden in het boek ‘De Kroniek ”SMEETS’, pag. 218 e.v.., J.F. Coolen, Heel. Van de in dit verhaal beschreven schaking wordt echter geen melding gemaakt.
Na onze geslaagde excursie van afgelopen mei naar Dordrecht nodigen de Geschied- en Heemkundige Kring “Het Land van Thorn”, de Kring Weert van het Koninklijk L.G.O.G. en de Aldenborgh u met veel genoegen uit voor een nieuwe excursie. Deze keer ligt onze reisbestemming in België.
Doel van onze excursie, die plaats vindt op zaterdag 12 september a.s., is Lier, provincie Antwerpen.
Vertrek vanuit Weert: 08.15 uur, Sint Jozefskerkplein 3 Weert (Keent)
Er is op beide vertrekplaatsen voldoende gratis parkeergelegenheid
In de ochtend zullen we eerst kunnen genieten van koffie/thee en een Liers vlaaike, een erkend Vlaams streekproduct. Daarna maken we onder leiding van deskundige gidsen een historische stadswandeling. Vervolgens is er ruim gelegenheid om te lunchen. In de namiddag brengen we een bezoek aan het Zimmermuseum en de Zimmertoren. We sluiten het bezoek aan Lier af met een boottocht op de Binnennete.
Over het reisdoel het volgende
De stad Lier ligt ten zuidoosten van de stad Antwerpen. Lier heeft ongeveer 38.000 inwoners. De stad ligt aan de samenvloeiing van de Grote Nete en de Kleine Nete. De inwoners van Lier hebben, evenals die van Dordrecht, als spotnaam schapenkoppen. De oorsprong daarvan is in Lier anders dan in Dordrecht. Tijdens de stadswandeling zal daar ongetwijfeld aandacht aan worden besteed.
Het schapenkoppenmonument. Garnhami, CC BY-SA 4.0
De stad Lier heeft als bijnaam “Lierke Plezierke, een verwijzing naar het gezellige, feestelijke en bourgondische karakter van de stad. De benaming ‘Lierke Plezieke’ is bedacht door de bekende Lierse schrijver Felix Timmermans.
De eerste bebouwing van Lier begon waarschijnlijk in de 7de of 8ste eeuw. Lier kreeg in 1212 stadsrechten van hertog Hendrik I van Brabant.
In de 14de en 15de eeuw kende Lier een grote bloei dankzij het privilege van de veemarkt en de lakennijverheid. In 1496 vond in Lier het gearrangeerde huwelijk plaats tussen Filips de Schone en Johanna van Castilië. De toekomstige echtelieden hadden elkaar nog niet eerder gezien, maar het was letterlijk liefde op het eerste gezicht. Of het echtpaar in Lier een of twee keer in de echt is verbonden, hoort u tijdens de rondleiding. Het huwelijksfeest was een groots en luisterrijk evenement met helaas een dramatische afloop voor een deel van de Lierse bevolking.
De historische stadswandeling
Lier is redelijk ongeschonden de beide wereldoorlogen doorgekomen. De stad kent daardoor nogal wat historische gebouwen. Op de Grote Markt zijn het stadhuis en het Belfort te bewonderen. Het Belfort stamt uit de 14de eeuw en staat op de Werelderfgoedlijst.
De Grote Markt met het stadhuis en het Belfort.
In Lier bevindt zich een van de oudste begijnhoven van België. Het begijnhof is geheel omsloten en telt 162 begijnhuizen in 11 straten. Op het begijnhof bevindt zich de Sint -Margarita kerk met een fraai interieur. Veel huisjes in het begijnhof zijn gerestaureerd.
De huizenrij van het begijnhof aan de Grachtkant
Een van de vele kerken in Lier is de Sint-Gummaruskerk. De toren van de kerk is de oudste toren van Brabant. De bouw is gestart in 1378. Het interieur van de kerk bevat onder meer een mooi hoofdaltaar en de zogenaamde Colibrantriptiek. Verder heeft de kerk een van de grootste beiaarden van West-Europa. In de kerk zijn ook glas-in-loodramen te bewonderen, daterende van de 16de eeuw tot de huidige tijd.
De 83 meter hoge Sint-Gummarustoren
Het Zimmermuseum en de Zimmertoren
Een van de blikvangers van Lier is de Zimmertoren, genoemd naar de uurwerkmaker Louis Zimmer. Deze schonk in 1928 aan de stad Lier een ingenieus uurwerkmechanisme dat werd ondergebracht in de oude Corneliustoren.
De Zimmertoren met de zogenaamde Jubelklok
De boottocht op de Binnennete
Als afsluiting van een dag Lier staat een tocht met rondvaartboten op de Binnennete op het programma. U zult verhalen over de historie van de stad en anekdotes horen. Zo kunt u stad vanuit een ander perspectief bewonderen.
08.15 uur: Vertrek vanuit Weert, Sint Jozefskerkplein 3 Weert (Keent)
09.45 uur: Aankomst Lier, Leuvensevest; wandeling naar Het Moment, Grote Markt 40, Lier
10.00 uur: Het Moment: koffie en Liers vlaaike
10.45 uur: Historische stadswandeling onder leiding van gidsen
12.45 uur: Einde stadswandeling; gelegenheid tot lunchen
14.30 uur: Bezoek Zimmermuseum en Zimmertoren, Zimmerplein 18 en 19, Lier
15.30 uur: Einde bezoek museum en toren
15.45 uur: Boottocht op de Binnennete, vertrek Jan Hendrickx-steiger aan het einde van de Schapekoppenstraat
16.30 uur: Einde boottocht
17.00 uur: Vertrek vanaf Leuvensveste naar Weert en Thorn
18.30 uur: aankomst Weert
19.00 uur: aankomst Thorn
Deelnamekosten en aanmelding
Deelnemers die lid zijn van de GHK “Het Land van Thorn”, het LGOG of vriend van de Aldenborgh betalen een bedrag van € 52,50, niet-leden betalen € 57.50.
Museumkaart is niet geldig.
De aanmelding voor deelname aan de excursie dient te geschieden op één manier en wel bij de penningmeester van de G.H.K. “Het Land van Thorn” door overschrijving van het deelnamebedrag op bankrekening NL75 RABO 0151 0192 66 ten name van Geschied- en Heemkundige Kring “Het land van Thorn”.
Uw betaling geldt als aanmelding. U dient bij de omschrijving duidelijk te vermelden:
1) Na(a)m(en) van de deelnemer(s)
2) Lier
3) Uw opstapplaats
U krijgt geen bevestiging van uw betaling/aanmelding. Zonder tegenbericht gaat de excursie door!
In de deelnemersbijdrage zijn begrepen de kosten van de bus, koffie/thee met Liers vlaaike, historische stadswandeling met gidsen, bezoek Zimmermuseum, boottocht en fooi voor de chauffeur.
Er zijn voor deze excursie slechts 50 plaatsen beschikbaar. Bij overboeking hanteren we de volgorde van aanmelding. Gezien de te verwachten belangstelling is aanmelding per omgaande aan te bevelen. Doe het dus liever vandaag dan morgen, maar in elk geval uiterlijk vóór 29 augustus a.s.. Aanmeldingen na 29 augustus kunnen niet meer in behandeling genomen worden.
Indien u na aanmelding/betaling om de een of andere reden alsnog moet afzien van deelname en indien de organisatie geen deelnemers op de wachtlijst heeft staan, dient u zelf voor vervanging te zorgen.
Teruggave van de deelnemersbijdrage is niet van toepassing.
Deze excursie is namens de GHK “Het Land van Thorn”, het L.G.O.G, Kring Weert en de Aldenborgh georganiseerd door Hub aan den Boom en Wil Filott. Zij zijn respectievelijk bereikbaar onder telefoonnummer 06-18845998 en 06-83138322.
Deelname geschiedt voor eigen risico. De organisatie is niet aansprakelijk voor schade of verlies. Tijdens de excursie kunnen opnamen gemaakt worden voor publicatie.
Op de 21ste juli hadden zich zo`n 270 liefhebbers van regionale cultuurhistorie begeven naar Lozen voor de tweede “Gluren bij de buren” van de editie 2026 van de cultuurhistorische zomer.
Deze dag was voor de Belgische deelnemers wel heel bijzonder. Niet alleen was het de nationale feestdag in België, maar Remco Evenepoel had ook de tijdrit in de Tour de France gewonnen. “Gluren bij de buren “ in Lozen voelde voor hen als de spreekwoordelijke kers op de taart.
De deelnemers werden in de Sint Benedictuskerk ontvangen. Het aantal zitplaatsen in de kerk was niet toereikend voor het grote aantal bezoekers. Alle stoelen en banken, ook in de zijbeuken, waren bezet. Een aantal deelnemers moest zich tevredenstellen met een staanplaats achter in de kerk. Passend in deze omgeving werd ook kort het orgel bespeeld. Dit grote aantal deelnemers is een bewijs dat het beproefde concept na 20 jaar nog steeds actueel is en veel belangstellenden uit de wijde omgeving trekt.
Een volle Benedictuskerk in Lozen
Peter Korten heette namens de Aldenborgh, de kring Weert van het koninklijk L.G.O.G en GHK Thorn de bezoekers welkom. Hij memoreerde dat Lozen 13 jaar geleden ook al “Gluren bij buren” had georganiseerd.
Hij dankte de kerkfabriek van Lozen en de gemeente Bocholt voor hun medewerking.
Hij deed een dappere, maar niet helemaal geslaagde poging om de achternaam van de pastoor uit te spreken. Voor de nieuwgierige lezer: de voornaam en achternaam van deze uit Rwanda afkomstige priester is: Gaspard Bijyiyobyenda.
Peter bracht ook dank aan de organisatie en de begeleiding. De organisatie was in handen van de Heemkundekring Bocholt. De begeleiding van de groepen gebeurde door leden van de Landelijke Gilden.
Hij kondigde een collecte aan voor een vrijwillige bijdrage ter dekking van de kosten en het onderhoud van de kerk.
Wat betreft de nationale feestdag deelde hij mee dat op deze dag gevierd wordt dat op 21 juli 1831 de inhuldiging van Leopold I, de eerste koning der Belgen, plaatsvond. Ter gelegenheid van die feestdag had in Brussel een militaire parade plaatsgevonden, met in het zwerk straaljagers van de Belgische luchtmacht. Deze stonden 10 minuten later weer aan de grond in Kleine-Brogel. Een kwestie van heimwee of een bewuste daad van de piloten om tijdig in Lozen voor “Gluren bij de buren” te kunnen zijn?
Marc Voets, schepen van Bocholt, vertelde over de geschiedenis van Lozen. Lozen heeft altijd deel uitgemaakt van Bocholt. Het was een gehucht met in 1846 een dertigtal huizen. Voor de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, het kanaal, was het een moerassige streek. Een van de activiteiten van de bevolking was het delven van leem. Door de aanleg van het kanaal kwam er meer nering. Het gehucht ontwikkelde zich snel tot een dorp met winkels en herbergen. Die ontwikkeling werd sterk bevorderd door de zogenaamde stop van Lozen. Door de kleine sluizen in het kanaal was de wachttijd van schepen erg lang. De schippersfamilies deden dan inkopen in Lozen en de schippers verpoosden zich in een van de herbergen.
Het kanaal zorgde ook voor een verbetering van de landbouwstructuur. Lozen ligt op een relatief hoog punt. Het kanaal wordt gevoed door Maaswater. Daarmee konden grote gebieden bevloeid worden voor hooilanden. De eerste snee was voor de militairen, de tweede snee voor de boeren als veevoer voor de winter. Het belang van het kanaal is in de loop der tijd sterk afgenomen.
De Sint Benedictuskerk van Lozen
De ontwikkeling van Lozen is tot stand gekomen rond sluis 17 van het kanaal. Tot 1890 moest de bevolking van Lozen naar de kerk in Bocholt. In 1887 werd besloten in Lozen een kerk te bouwen. De grond daarvoor werd geschonken door een rijke dame. De architect, Johan Kayser, liet zich bij het ontwerp inspireren door de Noord-Duitse baksteengothiek. De kerk werd gebouwd door aannemer Urlings uit Maasbracht. Zij werd ingewijd in 1890
In 1931 werd in verband met de toegenomen bevolking de kerk uitgebreid met een nieuw koor en zijbeuken. Ook werd er een toren aan toegevoegd. Merkwaardigerwijs is er vanuit de kerk geen toegang tot de toren maar alleen van buiten. De bouwstijl van de nieuwbouw wijkt af van het oorspronkelijke deel.
In de zijbeuken bevinden zich altaren met gepolychromeerde beelden van Sint Benediktus en Maria Het altaar is voorzien van een tabernakel en een Christusbeeld .in messing.
Het tabernakel en Christusbeeld
De Leemskuil
Buiten de kerk werd verhaald over het ontstaan van de naam Leemskuil van het gemeenschapshuis. In vroegere tijden werd er in de omgeving van Lozen leem gedolven. Die werd gebruikt voor vloeren in boerenschuren. Leem is een beetje veerkrachtig. Daardoor werden bij het dorsen met een vlegel de korrels van het graan niet stukgeslagen.
In het midden van de 19de eeuw kwam er een verplichting tot ontginning van de woeste gronden. Daarvoor moest het moerassige gebied ontwaterd worden. Dat zou een probleem opleveren voor de Uffelse molen. Om dat te omzeilen werd een lossing aangelegd naar Maaseik. Een andere belangrijke ontwikkeling was de verharding van de weg naar Hamond met kasseien: de huidige Hamonder steenweg.
Later kwam er werkgelegenheid in iets verder gelegen industrieën zoals de mijnen en de zinkfabriek in Budel. Het vervoer naar de mijnen geschiedde met bussen: de zogenaamde klakkenbussen; een verwijzing naar de klak (pet) die de mijnwerkers droegen.
Het oude jaagpad
Op het oude jaagpad van het kanaal, thans geasfalteerd en in gebruik als fietspad, werd meer verteld over de totstandkoming van de Zuid-Willemsvaart. Eeuwenlang is er gedroomd over een verbinding over water tussen de Rijn, de Maas en de Schelde.
De Spanjaarden begonnen in 1626 met de onvoltooide aanleg van de Fossa Eugenia.
In de Oostenrijkse tijd werd het idee geopend een kanaal aan te leggen tussen Tongeren en `Den Bosch. De reden was dat de Maas tussen Maastricht en Den Bosch nauwelijks bevaarbaar was. Napoleon wilde een vaarweg tussen Antwerpen en de Rijn aanleggen. Dat werk werd aangevangen maar niet voltooid.
Koning Willem I van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bijgenaamd de kanalenkoning, wilde een verbinding over het water tot stand brengen tussen Maastricht en den Bosch ten behoeve van de industrie in Luik en de Hollandse havens. Omdat Lozen het hoogste punt in dat traject vormde, werd er een voedingskanaal tussen Maastricht en Lozen gegraven. Van dat kanaal is nu nog een klein stuk te zien.
Het besluit tot het graven van de Zuid-Willemsvaart werd in 1819 genomen, in 182nuen de werken en in 1826 werd het kanaal al geopend. De korte graaftijd werd mede mogelijk gemaakt dankzij oude studies. Het kanaal is 122 kilometer lang, waarvan 47 kilometer in België. In 1840 werd het kanaal al verbreed.
Zicht op het brede kanaal
In het zicht van de stop van Lozen
Bij de zwaaikom met zicht op sluis 17 werden weetjes en anekdotes, die een verband hebben met het kanaal verteld
Als het ten tijde van Napoleon geplande kanaal tot stand was gekomen, was het de bedoeling dat bij lozen één 25 beter hoog standbeeld van Napoleon geplaatst zou worden.
Aan het graven van het kanaal tussen 1822 en 1826 hebben 7000 mannen, maar ook vrouwen gewerkt. Dat samenwerken leidde wel eens tot meer dan graven: namelijk zwangerschappen. De pastoor hield in een memoriaal het aantal onwettige kinderen bij.
De opening van het kanaal op 24 augustus 1826, de verjaardag van koning Willem I, werd luisterrijk gevierd met veel bier: ongeveer 1,5 liter per persoon. De kosten daarvan waren voor rekening van de gemeente.
In april 1914, voor de Eerste Wereldoorlog, voer de Nederlandse torpedoboot Christiaan Cornelis via België door de Zuid -Willemsvaart naar Maastricht. De boot bleef in Maastricht. Op 13 mei 1940 werd hij door de eigen bemanning tot zinken gebracht om te voorkomen dat hij in Duitse handen zou vallen.
In de Tweede Wereldoorlog werden Nederlandse kunstschatten waaronder de Nachtwacht van Rembrandt via het kanaal naar Maastricht gebracht om veilig in grotten te worden ondergebracht. In 1948 werden de kunstschatten weer in omgekeerde richting via het kanaal naar Nederland teruggebracht. Een van de bezoeksters merkte op dat zij gezien had dat op de boot ook de gouden koets had gestaan. Uw verslaglegger heeft dat gecontroleerd maar het lijkt een wijd verbreid “broodje aap ”verhaal te zijn.
Zicht op sluis 17
Prisendoor
De aanleg van het kanaal had ook impact op de natuurlijke omgeving. Lozen was een typisch Kempisch dorp omgeven door heide, akkerland en grasland in de beekdalen. Tot de Franse tijd waren er gemene gronden. Deze werden door de boeren gebruikt voor het houden van schapen en het steken van plaggen. De plaggen werden in de potstal gebruikt. De potstal werd pas leeggemaakt als het vee het plafond bereikte. Het mengsel van de mest van de dieren en de plaggen werd als meststof voor het akkerland gebruikt
Door de aanleg van het kanaal ontstond de mogelijkheid om de heide te ontginnen door irrigatie via zogenaamde wateringen. Er werden vloeiweiden aangelegd voor hooi. De eerste snee van het gras was bestemd voor de kazerne van Leopoldsburg de tweede snee pas voor de boeren. Het doel was 200.000 hectare te ontginnen. Dat was irreëel. Daarvoor was er veel te weinig water in de Maas. Er is slechts 3000 hectare ontgonnen. De naam Prisendoor is een lokale verbastering van het Franse woord prise d`eau, waterinname.
Prisendoor
De ontginning van het moerassige land
In 1847 werden gemeenten wettelijk verplicht tot ontginning van woeste gronden over te gaan. Omdat de gemeente Bocholt daarvoor geen geld had, verkocht ze 2700 hectare grond aan de maatschappij Banque Générale pour Favoriser l`Agriculture et les Travaux Publics, een onderneming met Engels kapitaal. De ontwatering wilde de maatschappij laten verlopen via Nederlands grondgebied. Omdat de Nederlanders weigerden de stuw van de Uffelse molen open te zetten, moest naar een andere oplossing gezocht worden. Dat werd een lossing naar de Maas bij Maaseik. In 1880 waren er grote overstromingen langs die lossing. Dat leidde tot het faillissement van de maatschappij. De gronden werden toen gekocht door baron Charles Moreau de Bellaing, de burgemeester van Rotem. Deze deed er niet veel mee. Begin 20ste eeuw werd in samenwerking tussen de Belgische boerenbond en de Nederlandse Heidemaatschappij de ontwatering goed aangepakt. Tussen 1925 in 1938 werden alle gronden verkocht aan plaatselijke boeren. Er kwam een verkaveling tot stand en er werden wegen aangelegd.
Kamerverhuur
Dit verhaal werd verteld voor een groot, wit, leegstaand pand met de naam Café Royal. Nieuwsgierig geworden door het opschrift “Café Kamerverhuur” op een raam, vroeg een bezoeker wat dat betekende. De gids vertelde dat er vroeger een slagerij in gevestigd was. Later werd het een café. Het was het stamcafé van de inmiddels ter ziele gegaan zijnde voetbalclub van Lozen. In Lozen was er niet alleen een rood licht bij de sluis maar ook in dit pand hadden rode lichten gebrand. De betekenis daarvan liet hij over aan de fantasie van de bezoekers.
Daarmee eindigde de interessante en goed georganiseerde rondleiding door Lozen. Veel bezoekers gingen daarna naar het gemeenschapshuis de Leemskuil voor de nazit.
De nazit in gemeenschapshuis de Leemskuil
Komende activiteiten
De volgende edities van “Gluren bij de buren” 2026 zijn:
op dinsdag 11 augustus Geldrop, een dorp dat naar de woorden van Peter sinds 1913 per spoor is verbonden met – in de woorden vanPeter- de metropool Weert;
op 25 augustus Heppeneert, waar zich het graf van de bekende historicus pater Willem Sangers bevindt.
Op vrijdag 21 augustus vindt er in het Parochiehuis van Bocholt een symposium plaats over de militaire aanwezigheid in verleden en heden in de grensstreek.
Op maandag 31 augustus is er een excursie naar Neuss, een partnerstad van Weert.
Op zaterdag 12 september is er de jaarlijkse najaarsexcursie naar Lier bij Antwerpen.
In de bijbel staat dat Adam en Eva alle vruchten in het aards paradijs mochten eten, behalve de vruchten van de boom die in het midden van de hof stond. Eva werd door een slang aangezet om toch van die vrucht te genieten. Eva kon de verleiding niet weerstaan. De bijbel zegt daarover:
“En de vrouw zag dat het goed eten was van die boom en dat hij een lust was voor het oog en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.
Nu gingen hun ogen open en ze ontdekten dat ze naakt waren. Daarom hechtten zij vijgebladen aaneen en maakten daar lendenschorten van”.[i]
Op de Moesdijk stond in 1877 ook een boom in een hof. Geen appelboom zoals beweerd wordt van de boom in het aards paradijs. Op de paradijselijke Moesdijk stond een grote kersenboom.
Kersen zijn heerlijke vruchten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat rijpe kersen een grote aantrekkingskracht hebben met name op jeugdige personen. Dat was ook in 1877 het geval op de Moesdijk. In dit verhaal beschrijf ik wat er half juli van dat jaar daar gebeurde en de nasleep daarvan.
Verder vermeld ik enige genealogische gegevens van een aantal personen, die genoemd worden in dit verhaal.
Moesdijk, half juli 1877
In de tuin achter het huis van Jacob Lamers op de Moesdijk stond die bewuste kersenboom. Half juli waren de kersen rijp. De buurkinderen van Jacob Lamers, Godfried (12 jaar), Mathijs (15 jaar) en Catharina (14 jaar) Verwijlen, konden de verleiding van die kersen niet weerstaan.[ii] Zij dachten onopgemerkt te kunnen genieten van de voor hen verboden vruchten. Dat was echter een misrekening. Jacob Lamers kreeg hen in het vizier.
[i] Oude testament, Genesis, vers 6 en 7, Willibrordvertaling 1975.
[ii] De achternaam Verwijlen wordt in documenten, zoals in de in dit verhaal vermelde processtukken, ook als Verwielen vermeld.
Ligging Op de Moesdijk. Bron: Kuyperkaart Gemeente Weert
Aangifte en naar de rechtbank te Roermond
Jacob Lamers deed aangifte van het stelen van kersen.[i] De Weerter veldwachter Antoon van der Heiden maakte daarvan op 20 juli 1877 een proces-verbaal op. De kinderen Verwijlen werden voor de rechtbank te Roermond gedagvaard, een dagtocht van heen en terug van zo`n 40 kilometer. Bij de zitting bij de rechtbank erkenden zij dat zij kersen hadden geplukt en gegeten van de kersenboom in de tuin van Lamers. De rechtbank oordeelde dat dat een overtreding van artikel 471 onder 9 van het Wetboek van Strafregt opleverde. Maar de rechtbank oordeelde zelf niet over die overtreding maar verwees bij vonnis van 9 oktober 1877 de zaak naar het kantongerecht te Weert.
[i] De achternaam Lamers wordt in documenten ook vermeld als Laemers en Lammers.
Artikel 417 aahef en lid 9 Wetboek van Strafregt
Aangifte en naar de rechtbank te Roermond
Jacob Lamers deed aangifte van het stelen van kersen.[i] De Weerter veldwachter Antoon van der Heiden maakte daarvan op 20 juli 1877 een proces-verbaal op. De kinderen Verwijlen werden voor de rechtbank te Roermond gedagvaard, een dagtocht van heen en terug van zo`n 40 kilometer. Bij de zitting bij de rechtbank erkenden zij dat zij kersen hadden geplukt en gegeten van de kersenboom in de tuin van Lamers. De rechtbank oordeelde dat dat een overtreding van artikel 471 onder 9 van het Wetboek van Strafregt opleverde. Maar de rechtbank oordeelde zelf niet over die overtreding maar verwees bij vonnis van 9 oktober 1877 de zaak naar het kantongerecht te Weert.
[i] De achternaam Lamers wordt in documenten ook vermeld als Laemers en Lammers.
Kantongerecht Weert
Het kantongerecht te Weert maakte geen haast bij het behandelen van de zaak.[i] Deurwaarder Frans Geene betekende op 6 februari 1878 een dagvaarding aan de kinderen Verwijlen. Daarin werden zij beschuldigd van “tezamen en in vereeniging den 15 Julij 1800 zeven en zeventig uit de onafgesloten tuin, gelegen achter de woning en ten nadele van Jacobus Lammers, onder de gemeente Weert, arglistig te hebben weggenomen en zich toegeëigend een hoeveelheid kersen, de eerste beklaagde bovendien van terzelfder plaats op den twaalfden Julij 1800 zeven en zeventig en ten nadele van genoemden Lammers eene hoeveelheid kersen arglistig te hebben weggenomen en zich toegeëigend”.
De kinderen Verwijlen herriepen bij de kantonrechter de bekentenis voor de rechtbank te Roermond. Kantonrechter mr. Godfried Loix overwoog daaromtrent dat de kinderen Verwijlen weliswaar bij de zitting voor de rechtbank in Roermond erkend hadden op de in de dagvaarding vermelde tijd en plaats kersen afgeplukt en gegeten te hebben, maar dat die erkenning niet als bewijs voor de procedure bij het kantongerecht gold.[ii] Er stond immers niet in de wet dat een erkenning voor een rechter ook gold voor een andere rechterlijke instantie. Een dergelijke erkenning moest plaatsvinden voor de rechter die over de zaak inhoudelijk moest beslissen.
Die herroeping mocht de kinderen Verwijlen echter niet baten. De kantonrechter oordeelde dat voor die herroeping geen gronden waren aangevoerd en dat de bekentenis voor de rechtbank te Roermond van kracht bleef. Er werden verder twee getuigen gehoord.
Getuige Jacobus Lammers, eigenaar van de bewuste kersenboom, verklaarde onder ede dat hij gezien had dat op 15 juli Godfried en Mathijs Verwijlen in de kersenboom zaten. Catharina Verwijlen stond toen onder de boom, maar hij had niet gezien dat zij kersen at.
Getuige Hendrik Seerden verklaarde onder ede dat hij op 12 juli Godfried en op 15 juli Godfried en Mathijs in de kersenboom had zien zitten. Op 15 juli had hij gezien dat Catharina onder de boom stond. Hij had echter niet gezien dat zij kersen aten of plukten.
[i] Weert heeft van 1842 tot 1934 een kantongerecht gehad.
[ii] Kantonrechter mr. Godefridus Antonius Hubertus Loix, is geboren op 7 oktober 1824 te Stratum, Eindhoven, en overleden op 4 mei 1896 te Weert.
Schets van de situatie op 15 juli 1877
De kantonrechter overwoog dat de bij de rechtbank afgelegde bekentenis samen met de onder ede bezwarende verklaringen het wettig en overtuigend bewijs opleverden van de twee ten laste gelegde feiten. De feiten werden door de kantonrechter als volgt gekwalificeerd:
“1 Het door drie vereenigde personen plukken en eten van vruchten aan een ander toebehoordende op de plaats zelve zonder dat er eenige omstandigheid is, waaromtrent de wet voorziening doet.[i]
2 Het plegen van hetzelfde feit door een enkel persoon op een ander tijdstip, beide feiten gepleegd te Weert, overtredingen voorzien en strafbaar gesteld bij art. 471 aanvangen no.9 van het Srafwetboek…”.
Vonnis
Kantonrechter Loix velde op 6 april 1878 het volgende vonnis:
“ In naam de Konings rechtdoende, verklaren de drie beklaagden overtuigd van en schuldig aan het in de eerste plaats gequalificeerde feit en bovendien de gedaagde Godfried Verwielen aan het in de tweede plaats gequalificeerde feit.
Veroordeelen de schuldig verklaarde Mathijs en Catharina Verwielen ieder in eene en Godfried Verwielen in twee boeten, elk van vijftig cent en allen hoofdelijk in de proceskosten, deze invorderbaar bij lijfsdwang”.[ii]
Of de boetes betaald zijn, is niet bekend, maar is wel aannemelijk.
Volgens het toen geldende strafrecht moest een jeugdige onder zestien jaar worden vrijgesproken tenzij hij met “het oordeel des onderscheids” had gehandeld. In dit geval heeft de kantonrechter blijkbaar geconcludeerd dat de kinderen Verwijlen met het “oordeel des onderscheids” hadden gehandeld. Zij wisten dat het verboden was kersen uit andermans tuin te plukken.
Waar woonden Jacob Lamers, de kinderen Verwijlen en Hendrik Seerden?
De hoofdpersonen in dit verhaal woonden vlakbij elkaar op de Moesdijk, meer precies aan het einde van het oostelijk deel van de huidige Koekoeksweg.
[i] De laatste bijzin betekent: “zonder dat daarbij sprake is van een bijzondere omstandigheid waarvoor de wet een afzonderlijke regeling bevat
Woning 2: Cornelis Meulen met gezin Verwijlen/Verwielen
Woning 3: Hendrik Seerden
Jacob Lamers woonde samen met zus Joanna Laemers, weduwe van Jacobus Kneepkens, in het laatste huis van de huidige Koekoeksweg, links voor de spoorlijn Weert – Roermond.[i]. Zijn moeder, Maria Gertruida Breuckers, weduwe van Joannes Francisus Laemers was op 22 februari 1873 overleden.
[i] De spoorlijn Weert- Roermond is een onderdeel van de in 1879 geopende zogenaamde IJzeren Rijn.
Woning Breuckers-Laemers. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860-1880
Op de plek van de woning Breuckers-Laemers staat thans het pand Koekoeksweg met de huisnummers 29 en 31. In de tuin van nummer 29 staat anno 2026 weer een kersenboom.
Pand Koekoeksweg 29 anno 2026
De veroordeelde kinderen Verwijlen/Verwielen woonden met hun ouders Christiaan Verwijlen en Maria Geertrui Meulen in de woning van hun grootvader Cornelis Meulen.
Jan Mathijs Verwijlen is op 17 juli 1861 geboren te Weert. Hij is op 28 september 1887 te Weert getrouwd met Joanna Verstappen. Het echtpaar Verwijlen-Verstappen heeft 10 kinderen gekregen. Op 22 mei 1945 is Jan Mathijs te Weert overleden
Anna Catharine Verwijlen is op 2 april 1865 geboren te Weert. Zij is op 6 april 1925 ongehuwd en kinderloos te Weert overleden.
Godefridus Verwijlen is op 9 december 1864 te Weert geboren. Hij is getrouwd met Margaretha Nouwkens uit Reppel (Bocholt). Margaretha Nouwkens is overleden op 2 maart 1938 in het gesticht te Hamont. Uit haar bidprentje blijkt dat Godefridus Verwijlen toen nog in leven was. Het echtpaar Verwijlen-Nouwkes is kinderloos gebleven. De overlijdensplaats en -datum van Godfridus Verwijlen heb ik niet achterhaald. Waarschijnlijk is hij in België overleden.
Bewoners woning Cornelis Meulen. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880, Leuken no 680
Hendrik Seerden woonde met zijn vrouw Petronella Verstappen en zoon Peter naast de woning van Meulen. Hendrik is op 4 juni 1823 geboren te Weert. Hij is op 25 mei 1853 te Grathem getrouwd met Petronella Verstappen. Henricus Seerden is 24 mei 1904 overleden te Weert.
Bewoners woning Hendrik Seerden. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880, Leuken no 681
Het stropen van fruit is nog steeds strafbaar als een vorm van diefstal. Meer specifiek bepaalt artikel 314 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht:
“Hij die …ongeplukte boomvruchten …wegneemt, met het oogmerk die zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt als schuldig aan stroperij, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van tweede categorie.”[i]
In vergelijking met 1877 is nu bij stropen van vruchten gevangenisstraf mogelijk maar het eten ter plaatse daarvan is niet meer strafbaar gesteld
Maar de soep wordt in de huidige praktijk niet zo heet gegeten als zij opgediend kan worden. Meestal wordt er geen aangifte van stroperij door kinderen gedaan. De eigenaar jaagt de plukkers weg of spreekt hen aan. Als er al aangifte wordt gedaan, wordt die vaak afgedaan met een waarschuwing of een gesprek bij het bureau Halt. Tot een rechtszaak komt het zelden.
Epiloog
Na deze rechtszaak – en wellicht ook daarvoor – zullen de verhoudingen tussen de bewoners van de laatste huizen aan de Moesdijk niet optimaal zijn geweest. Met buurman Jacob Lamers was het in ieder geval kwaad kersen eten.
[i] Een geldboete van tweede categorie bedraagt in 2026 maximaal € 5500.
Burenruzies en scheldpartijen zijn van alle tijden. Dit verhaal gaat over een scheldpartij in 1851 in de Hegstraat te Weert. Op zich geen wereldschokkende gebeurtenis. Het leek mij toch wel aardig om daar een artikel aan te wijden, mede gelet op de kring van de daarbij betrokken personen.
Wat was er op 19 augustus 1851 in Weert aan de hand?
Op 19 augustus 1851 vond er een ruzie met een hevige woordenwisseling in de Hegstraat in Weert plaats tussen de 49-jarige Maria Elisabeth Joosten, echtgenote van Willem Warnotte, en de 21-jarige Hendrik Gijbels.[i] De19-jarige zus van Hendrik Gijbels, Petronella Gijbels, bemoeide zich ermee. Ze zei tegen haar broer: “houd u stil, laat ze loopen, want zij stinkt een uur onder de wind”. Maria Elisabeth Joosten ging daarna tekeer tegen Petronella en schold haar uit voor canaille, tooi en loeder.
Dat gebeurde op de stoep voor de woning van Joosten in de Hegstraat. Petronella deed bij de politie aangifte van belediging. Johannes Petrus Pex, commissaris van politie van de stad Weert, maakte daar op 20 augustus 1851 een ambtsedig proces-verbaal van op.[ii]
De Hegstraat is een van de oudste straten van Weert. In het midden van de 19de eeuw was de bebouwing nog niet helemaal gesloten in tegenstelling tot de andere straten in Weert. De bewoners waren hoofdzakelijk ambachtslieden: wever, schoenmaker, bakker, smid, kleermaker.
De scheldende dames waren waarschijnlijk buren. Volgens het bevolkingsregister 1850-1860 woonde de familie Gijbels op het toenmalige adres Hegstraat 173. Van de woning van de familie Warnotte is in dat bevolkingsregister geen huisnummer vermeld. Mogelijk woonde zij in het huis dat volgens het kadaster in 1843 toebehoorde aan de Fundatie Berlo.
[i] De achternaam Gijbels wordt in documenten ook als Geijbels vermeld.
[ii] Joannes Petrus Pex is op 20 september 1797 geboren te Leiden, op 5 april 1823 te `s Hertogenbosch getrouwd met Clara Maria Wassing, op 9 november 1846 te Weert in tweede huwelijk getrouwd met Catharina Gertrudis Wilhelmina Erdwegh en op 20 november 1848 te Weert in derde huwelijk getrouwd met Wilhelmina Gubbels. Hij is op 4 februari 1874 op 76-jarige leeftijd te Weert overleden.
Het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht te Weert, vertegenwoordigd door commissaris Pex, dagvaardde Maria Elisabeth Joosten, huisvrouw van Wilhelmus Wernot, voor de kantonrechter te Weert.[ii] Haar werd overtreding van een aantal wetsartikelen inzake belediging, waaronder artikel 471 lid 11 Wetboek van Strafregt, ten laste gelegd.[iii] Het Openbaar Ministerie eiste dat Joosten daaraan schuldig werd verklaard en veroordeeld zou worden tot een boete van 50 cent tot 2 gulden 50 cent ten bate van de stad Weert, desnoods invorderbaar met lijfsdwang.
[i] Weert heeft van 1842 tot 1934 een kantongerecht gehad.
[ii] In de gerechtelijke stukken wordt als naam van de echtgenoot van Maria Elisabeth Joosten Wilhelmus Wernot vermeld. Na onderzoek bleek de juiste achternaam Guillaume Warnotte te zijn.
[iii] In het Franse keizerrijk, waartoe vanaf 1795 tot 1813/1814 de huidige provincie Limburg behoorde, was op 1 januari 1811 de Code pénal (wetboek van strafrecht) in werking getreden. Na de Franse tijd vaardigde Willem I een besluit uit “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Regstuitoefening in de Vereenigde Nederlanden”: het zogenaamde “Gesel- en Worgbesluit”. Daarin werd onder meer de Franse Code pénal “bij provisie “gehandhaafd ‘totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien’. Dat “bij provisie” heeft lang geduurd. De Code pénal/Wetboek van strafregt bleef met wijzigingen tot 1886 in Nederland van kracht.
Artikel 471 aanhef en lid 11Wetboek van Strafregt
Na het horen van een tweetal getuigen overwoog kantonrechter Hector Frederik Theodoor van Schaeck dat wettig en overtuigend was bewezen dat Maria Elisabeth Joosten “in den avond van den negentienden augustus laatstleden op de stoep harer woning op de openbare straat te Weert aan Petronella Gijbels heeft toegevoegd de woorden canaille, tooi en loeder”.[i] Niets leek een veroordeling van Maria Elisabeth Joosten meer in de weg te staan. Maar dat pakte anders uit.
De kantonrechter was van oordeel dat de belediging met het woord “loeder” van een zwaarder kaliber was dan canaille en tooi, namelijk een “ondeugd”. Daarop was een ander wetsartikel, namelijk 375 van het Wetboek van Strafregt, met een hogere geldboete, van toepassing en niet artikel 471 lid 11.
[i] Hector Frederique Theodore van Schaeck is op 22 oktober 1838 geboren in Mons, België, en overleden op 26 februari 1893 te `s Hertogenbosch. Hij is slechts gedurende korte tijd kantonrechter te Weert geweest.
Artikel 375 Wetboek van Strafregt
De beoordeling van die zwaardere belediging viel volgens de kantonrechter buiten zijn bevoegdheid, maar behoorde tot die van de rechtbank. De kantonrechter was ook van oordeel dat de beschuldiging van de scheldwoorden “canaille” en “tooi” dan ook maar door die rechtbank moesten worden beoordeeld. Kortom: hij verklaarde zich onbevoegd. Maria Elisabeth Joosten, zangeres van beroep, leek in deze zaak het hoogste lied te kunnen zingen, maar zij had buiten de waard, in dit geval commissaris Pex gerekend.
Commissaris Pex, in zijn hoedanigheid van waarnemer van het Openbaar Ministerie, kon zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter. Hij besloot in cassatie te gaan bij de Hoge Raad, maar alleen voor het woord “loeder”. Franciscus Geene, deurwaarder bij het kantongerecht Weert, betekende op 18 oktober 1851 het beroep in cassatie aan Maria Elisabeth Joosten, zangeres, persoonlijk in haar woning.[i]
De Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelde op 23 december 1851 dat de woorden canaille, tooi en loeder kunnen worden gekwalificeerd als scheldwoorden in de zin van artikel 471 lid 11 Strafregt. Het woord loeder kon weliswaar gezien worden als een ondeugd (belediging) in de zin van artikel 375 Strafregt, maar dat woord had in de dagelijkse volkstaal volgens de Hoge Raad in het algemeen betrekking op een gemeen persoon. De Hoge Raad verklaarde de cassatie gegrond, vernietigde de uitspraak van de kantonrechter en verwees de zaak terug naar dezelfde kantonrechter te Weert om de zaak alsnog te berechten [ii]
Kantongerecht Weert, tweede bedrijf
Maria Elisabeth Joosten moest dus weer terechtstaan voor kantonrechter Hector Frederik Theodoor van Schaeck op beschuldiging van de woorden canaille, tooi en loeder gebruikt te hebben tegen Petronella Gijbels.
De kantonrechter overwoog dat het door de beëdigde verklaringen van getuigen en de bekentenis van Joosten voor de kantonrechter wettig en overtuigend was bewezen dat op de avond van negentien augustus 1851 Joosten een hevige woordenwisseling had met Hendrik Gijbels. Ook stond vast dat de zus van Hendrik Gijbels zich met de ruzie bemoeid had en aan haar broer gezegd had “houd u stil, laat ze loopen, want zij stinkt een uur onder de wind”. Joosten verklaarde dat zij door die woorden “uitgetergd “was.[iii]
Getuige Petronella Pouwels, huisvrouw van Arnold Joseph Korten, verklaarde dat zij op de bewuste avond gehoord had dat Joosten met de broer van Petronella Gijbels een dispuut had. Petronella Gijbels had toen tegen Joosten gezegd “Gij stinkt een uur onder de wind”. Joosten had daarop gereageerd met “bemoei je er niet mee” Vanaf de stoep van haar woning had Joosten op de openbare straat Petronella Gijbels de woorden toegevoegd “canaille” en “tooi”. Zij had niet gehoord dat Joosten het woord “loeder” had gebruikt.
De kantonrechter was van oordeel dat Joosten door de woorden van Petronella Gijbels “uitgetergd” was tot het uiten van de woorden canaille en tooi aan Gijbels.[iv] Na een dergelijke “uitterging” vielen die woorden niet onder het bereik van het strafrecht. Wat betreft het woord “loeder” achtte de kantonrechter niet bewezen dat Joosten dat woord aan Gijbels had toegevoegd.
Kantonrechter Van Schaeck deed op 21 januari 1852 uitspraak. Hij ontsloeg Joosten voor het gebruik van de woorden canaille en tooi van alle rechtsvervolging en sprak haar vrij voor het woord tooi.
Het was niet de eerste keer dat Maria Elisabeth Joosten, liedjeszangeres, in het beklaagdenbankje voor kantonrechter Van Schaeck te Weert zat. Op 5 december 1850 had haar hond `s morgens Hendrik Creemers, vioolspeler, aangevallen en gebeten. Maria Elisabeth Joosten moest zich voor de kantonrechter verantwoorden omdat zij de aanval van de hond niet had voorkomen. Er werden een zestal getuigen gehoord. Die waren blijkbaar zo gunstig voor Joosten dat het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door commissaris Pex, vrijspraak vorderde. De kantonrechter verklaarde dat niet bewezen was dat Joosten schuld had aan de aanval en sprak haar vrij.
Wie was Maria Elisabeth Joosten?
Maria Elisabeth Joosten is tijdens de Franse tijd geboren op 28 januari 1802 te Weert. Op 3 september 1823 schonk de 21-jarige, ongehuwde Maria Elisabeth Joosten het leven aan een zoon. Haar vader, Hendrik Joosten, dagloner, wonende op de Uilenmarkt te Weert, deed aangifte van de geboorte van die jongen, aan wie hij de voornamen Pieter Lambert gaf. Maria Elisabeth Joosten, dagloonster, woonde bij de geboorte van haar zoon op de Uilenmarkt bij haar ouders. Pieter Lambert heeft maar kort geleefd. Hij is op 11 oktober 1823 te Weert overleden.
Een ongehuwde moeder was in die tijd een schande, niet alleen maar zeker ook in katholieke gemeenschappen. Het ongehuwde moederschap werd beschouwd als een gevolg van onzedelijk gedrag. De norm dat geslachtsgemeenschap alleen toegestaan was binnen het huwelijk, was dan immers overtreden. De ongehuwde moeder kwam vaak in een sociaal isolement terecht. Die afkeuring en het isolement lijken in de kring van de in dit verhaal beschreven personen overigens niet of nauwelijks het geval te zijn.
Op 3 februari 1842 is Maria Elisabeth Joosten op 40-jarige leeftijd in Weert getrouwd met de 57-jarige Willem Warnotte, geboren op 10 februari 1784 te Mortier, een plaats ten noordoosten van Luik.[v] Bruid en bruidegom woonden toen volgens de huwelijksakte beide te Weert. Als beroep van de bruid is in de akte dagloonster vermeld, als dat van de bruidegom rondreizend orgelspeler. Het was voor Willem Warnotte zijn vierde huwelijk. Het echtpaar Warnotte-Joosten is kinderloos gebleven. Maria Elisabeth Joosten is op 20 juni 1859 overleden te Weert. Zij woonde ten tijde van haar overlijden op de Hoogensteenweg te Weert.
Willem Warnotte
Willem Warnotte is met drie vrouwen uit Weert getrouwd geweest en heeft minstens 18 jaar in Weert gewoond. Hoewel hij niet betrokken is geweest bij de scheldpartij in de Hegstraat heb ik toch zijn levensloop onderzocht. Dat leverde interessante gegevens op.
Guillaume (Willem) Warnotte is op 10 april 1784 geboren te Mortier, Land van Herve. Mortier is een dorp ten noordoosten van Luik, thans behorende tot de gemeente Blegny. Guillaume Warnotte is op 3 december 1812 te Trembleur getrouwd met Marie Martine de Larue. In de huwelijksakte is als zijn beroep journalier (dagloner) vermeld Het beroep van de bruid was couturière (naaister). Op 11 september 1813 werd in Mortier hun zoon Thomas geboren. Maria Martina de Larue is op 31 juli 1830 overleden te Merksplas, provincie Antwerpen. Merksplas behoorde toen nog tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Willem Warnotte is op 13 oktober 1832 te Venlo getrouwd met Marie Anne Lahaut, geboren op 5 april 1775 te Mortier. Zij was de weduwe van Jean François Dumont, geboren in 1780 te Warsage in de Voerstreek en overleden in 1818 te Maastricht. Als beroep van Willem Warnotte is in de huwelijksakte kramer vermeld; als dat van Marie Anne Lahaut dagloonster. In die akte staat dat de ouders van Willem Warnotte, Thomas Warnotte en Maria Agens Debij, “beide sedert lange jaren afwezig zijn”. Willem Warnotte verklaarde onder ede dat de plaats van overlijden en laatste verblijfplaats van zijn ouders hem niet bekend waren. Voor Marie Anne Lahaut gold hetzelfde.[vi] Marie Anne Lahaut is op 14 april 1833 overleden te Venlo.
Willem Warnotte is een klein jaar later, op 8 maart 1834, te Venlo getrouwd met Johanna Neijnens, geboren op 26 oktober 1803 te Weert en overleden op 10 mei 1840 te Venlo.[vii]Twee maanden na hun huwelijk is hun dochter Maria geboren te Tongeren, Koninkrijk België.
Zoals reeds vermeld, is Willem Warnotte op 3 februari 1842 te Weert getrouwd met Maria Elisabeth Joosten.
Vijf weken na het overlijden van Maria Elisabeth Joosten op 20 juni 1859 te Weert is hij op 75-jarige leeftijd getrouwd met Aldegonda Everaerts, geboren op 10 mei 1810 te Weert. Zij was weduwe van Bartholomeus van Gesteren, geboren 16 september 1791 te Schalkwijk, Utrecht, en overleden op 6 augustus 1855 te Nijmegen. Aldegonda Everaerts is op 22 juli 1880 overleden te Visé.
Willem Warnotte is op 29 oktober 1860 uit het bevolkingsregister van Weert uitgeschreven in verband met vertrek naar Luik. Hij is op 4 maart 1870 te Visé overleden.
In de overlijdensakte van Guillaume Warnotte worden de huwelijken met Marie Martine Delarue, Jeanne Neijens en Aldegonda Everaerts vermeld maar niet die met Marie Anne Lahaut en Maria Elisabeth Joosten.
[i] Franciscus Geene is op 11 augustus 1824 geboren te Ottersum. Hij is op 16 april 1861 te Weert getrouwd met Johanna Catharina Nies Zijn vader was blijkens de trouwakte op dat moment logementhouder te Weert. Franciscus Geene is op 14 april 1885 overleden te Baexem.
[iii] Volgens artikel 471 lid 11 was iemand die uitgetergd was tot het uiten van scheldwoorden niet strafbaar.
[iv] Uittergen is een in onbruik geraakt woord voor provoceren. In juridische context kan uittergen betekenen dat men iemand uitlokt om een strafbaar feit te plegen.
[v] Mortier behoorde in die tijd tot het Prinsbisdom Luik.
[vi] De reden voor die onbekendheid moeten we zoeken in het feit dat sinds de Belgische opstand van 1830, waarbij België zich afscheidde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, die ouders in het koninkrijk België woonden. Nederland erkende het koninkrijk België toen nog niet.
Er waren in die jaren geen diplomatieke betrekkingen, waardoor extracten van officiële documenten, zoals overlijdensakten, niet of moeilijk te verkrijgen waren. De huidige Nederlandse provincie Limburg behoorde overigens van 1830 tot 1839 wel tot het koninkrijk België met uitzondering van Maastricht en Venlo.
[vii] De achternaam Neijens wordt in documenten ook als Neijnens en Nijnens vermeld.
Overlijdensakte Guillaume Warnotte, Burgerlijke stand stad Visé
Het echtpaar Warnotte-Joosten woonde blijkens het bevolkingsregister 1850 – 1860 van de gemeente Weert in de Hegstraat.
Behalve Willem Warnotte en Maria Elisabeth Joosten hebben in die periode in die woning, ook andere personen gewoond, namelijk:
*Maria Warnotte, geboren op 6 juli 1834 te Tongeren, België, gehuwd met Franz Hubert Stocks, kleermaker, afkomstig uit Erkelenz, Pruissen. Als beroep van Maria Warnotte is in de huwelijksakte dagloonster vermeld.
*Maria Louisa Warnotte, op 2 augustus 1837 geboren te Venlo, gehuwd met Petrus Hendrikus Bloemers, rondgaande muzijkant, afkomstig uit Beegden Als beroep van Maria Louisa Warnotte is in de huwelijksakte zangster vermeld.
Maria en Maria Louisa Warnotte zijn dochters van Willem Warnotte en zijn tweede echtgenote Johanna Neijnens.
*Jacobus Knapen, geboren op 8 juli 1823 te Weert, zoon van de bij de geboorte ongehuwde Maria Knapen, beroep werkman/marskramer/scharenslijper, op 1 mei 1849 te Weert gehuwd met Johanna Nijnens, geboren op 14 oktober 1829 te Maarheeze, dochter van de bij de geboorte ongehuwde Johanna Nijnens.[i] Johanna Nijnens was volgens de huwelijksakte zonder beroep.
*Jan Mathijs Knapen, geboren 30 september 1850, zoon van Jacobus Knapen en Johanna Nijnens.
[i] De moeder van Jacobus Knapen is Maria Knapen, dagloonster, weduwe van Pieter Claessens. Jacobus Knapen is geboren in het Gasthuis op de Biest. De vader van Jacobus Knapen is niet bekend.
Maria Petronella Gijbels is geboren op 6 juni 1832 te Weert. Op 26 maart 1850 schonk zij op 17-jarige leeftijd te Weert het leven aan Joannes Hubertus Gijbels. Zij was toen ongehuwd. De geboorteaangifte werd gedaan door haar vader, Renier Gijbels, linnenwever, wonende in de Hegstraat.
Op 11 juni 1852 werd te Broekhuizen aangifte gedaan van de geboorte van Theodorus Gijbels, zoon van Petronella Gijbels, liedjeszangeres, wonende te Weert. De geboorteaangifte werd gedaan door de 23-jarige Hubertus Beumer, zanger, wonende te Weert.
Op 28 februari 1855 is Petronella Gijbels te Weert getrouwd met deze Hubertus Beumer, geboren op 24 januari 1827 te Uden. Bij gelegenheid van dat huwelijk hebben de echtelieden Johannes Hubertus Gijbels en Theodorus Gijbels erkend en gewettigd. Beide kregen de achternaam Beumer.
Erkenning en wettiging Johannes Hubertus en Theodorus Gijbels in de huwelijksakte Beumer-Gijbels
Een kleine twee maanden na dit huwelijk werd op 15 maart 1855 in Schimmert hun dochter Maria Gertrudis Beumer geboren. Als woonplaats van de ouders is in de geboorteakte Weert vermeld, als beroep van de vader venter.
Uit het bevolkingsregister 1860- 1880 van de gemeente Weert blijkt dat Petronella Gijbels, Hubertus Beumer en hun kinderen in dezelfde woning woonden als de vader van Petronella Gijbels, Renier Gijbels. Als beroep van Renier Gijbels is wever vermeld en als dat van Hubertus Beumer ”rondloopend muzykant”. Ook woonden daar de bij de scheldpartij in 1851 betrokken broer Hendrik Gijbels en de in Gorinchem geboren Theresia Maria van Burg.
Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880
De overlijdensplaatsen en -data van Petronella Gijbels en Hubertus Beumer heb ik niet achterhaald. Eind 1883 waren beide nog in leven. Dat blijkt uit de huwelijksakte van hun zoon Johannes Hubertus Beumer.
Johannes Hubertus Beumer, de gewettigde oudste zoon van Petronella Gijbels en Hubertus Beumer, is op 15 november 1883 te Luik getrouwd met Barbara Mols. Hij had toen de Nederlandse nationaliteit. Als zijn beroep is colporteur vermeld. De ouders van de bruidegom, Hubert Beumer, colporteur, en Petronella Gijbels, zonder beroep, waren niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig maar hadden hun toestemming verleend bij notariële akte van 24 september 1883, verleden voor notaris Goetsbloets te Hasselt[i]
Johannes Hubertus Beumer is op 25 februari 1882 op- 31-jarige leeftijd in Tongeren overleden.
Barbaar Mols is op 9 juni 1848 te Halle Booienhoven, Vlaams-Brabant, geboren en op 6 september 1912 op 64- jarige leeftijd overleden te Tongeren. Als haar beroep is rondleurster vermeld. Het echtpaar Beumer-Mols heeft vijf kinderen gekregen, waarvan er drie jong zijn gestorven.
Wie was Hendrik Gijbels?
Hendrik Gijbels is 30 september 1827 geboren te Weert. Op 4 september 1863 is hij te Weert getrouwd met Theresia Maria van Burg, geboren op 15 december 1840 te Gorinchem. Voor het huwelijk woonde Theresia Maria van Burg al in het huis van haar toekomstige schoonvader en man. Op 19 februari 1868 zijn de echtelieden Gijbels en van Burg in Weert uitgeschreven in verband met vertrek naar Rotterdam. Daar hebben zij op verschillende adressen gewoond: 7 nummer 233 Bagijnenhof, Binnenweg 74, 26 en Jan van Loonslaan 28, 3. Hendrik Gijbels was sjouwer van beroep[ii] Hij is op 30 december 1896 te Rotterdam overleden. Zijn weduwe Theresia Maria van Burg woonde op Warmoezenierstaat 19/6 te Rotterdam. Haar beroep was waschvrouw.[iii] Zij is overleden op 16 januari 1910 te Rotterdam. Het echtpaar Gijbels-van Burg is kinderloos gebleven.
Epiloog
De banale scheldpartij in de Hegstraat in1851 leidde tot een tweetal rechtszaken voor het kantongerecht te Weert. Het verloop en de uitkomst daarvan geeft aanleiding tot de gedachte dat kantonrechter Van Schaeck een greep in de juridische gereedschapskist heeft gedaan om een veroordeling van de scheldende mevrouw Joosten te voorkomen.
Uit het onderzoek naar de betrokken personen rijst het beeld op dat die niet behoorden tot de doorsnee bevolking. De mannen hadden beroepen waar ze veel voor op pad waren: liedjeszanger, orgelspeler, vioolspeler, marskramer. Een aantal vrouwen is ongehuwd moeder geworden. Wat verder opvalt is dat er nogal wat zogenaamde samengestelde gezinnen waren, niet ten gevolge van echtscheidingen, zoals in onze tijd, maar van overlijden.
Op 29 april werden er weer 35 nieuwe Weerterlogen geïnstalleerd tijdens de laatste cursusavond van voorjaarseditie van de populaire cursus. En er is al veel interesse voor de najaarscursus. Sommige Weerterlogen hebben de cursus al twee keer gevolgd. Acht woensdagavonden op rij kennisnemen van de parel van immaterieel erfgoed, namelijk de Weerter historie. Dit kan in de cursus Weerterlogie van De Aldenborgh. Na de Wieërter Vastenaovundj start weer de voorjaarsaflevering. Inmiddels telt Weert al ruim 850 Weerterlogen. En de cursus kan zich nog steeds verheugen in belangstelling van jong (de jongste is 15) tot oud (de oudste is 94).
Dan weet je wat van je stad
Een van de parels van ons immaterieel erfgoed is dus de wetenschap van onze lokale (cultuur)historie. In een serie van acht dinsdagavonden verzorgen enthousiaste experts een gevarieerde introductie in cultuur en geschiedenis van Weert. Elke reeks eindigt met de feestelijke installatie van de nieuwe Weerterlogen door uitreiking van een fraai getuigschrift. Dit certificaat getuigt van: “Dan weet je wat van je stad.”
Voor wie?
De avondcursus Weerterlogie staat open voor iedereen met belangstelling en een warm hart voor Weert. Er is geen vooropleiding vereist. De opgedane kennis biedt ook een solide basis voor cultuurhistorisch actieve leden van diverse verenigingen.
Met de opgedane kennis kan iedereen na afloop de naaste omgeving verrassen met een inhoudelijke rondleiding door Weert en zo nog meer genieten van stad en regio.
Praktische informatie
De cursus vindt plaats van 7 oktober t/m 25 november op woensdagavonden van 19.00 tot 21.00 uur in het Cwartier aan de Beekstraat 54 in Weert. Voor nadere informatie en het inschrijf formulier klik hier.