Project Wieërter oorlogslaeve belaeve – 10 en 11 mei 2025

Bevrijding is een groot goed, maar zeker niet vanzelfsprekend. Tachtig jaar geleden is Weert bevrijd. Op 10 en 11 mei brengen beeld, muziek, toneel en persoonlijke verhalen het oorlogsverleden tot leven. Een re-enactment groep in militaire uniformen neemt het publiek mee terug in de tijd, in de vorm van levende geschiedenis. Oorlogsgetuigen delen hun indrukwekkende verhalen in unieke en nog nooit eerder vertoonde beelden van cineast Peter Crins.

 

Tijdens de lezing “Zwijgende vaders”, gegeven door Tim Overdiek op 10 maart 2025, werd het project “Wieërter oorlogslaeve belaeve” gelanceerd. Dit gebeurde door het overhandigen van het eerste kaartje voor het concert aan mevrouw Lies Coppen-Bergmans, die met een foto met de bevrijders op het affiche staat.

Het project “Wieërter oorlogslaeve belaeve” is een samenwerkingsverband van de beide mannenkoren Eendracht Swartbroek en het Weerter Mannenkoor, de Geschied- en Oudheidkundige Kring De Aldenborgh en Harmonie van het Heilig Hart Altweerterheide. Hoogtepunt zijn de concerten met re-enactment in het Franciscushuis aan de Biest in Weert op zaterdagavond 10 mei om 19.30 uur en zondagmiddag om 11 mei om 14.00 uur. Uiteraard ook weer met nooit vertoond filmmateriaal van Peter Crins.

Hieronder enkele getuigen van de oorlog in Weert, die cineast Peter Crins in het verleden voor zijn camera kreeg en die tijdens de concerten de rode draad van het programma vormen.

Kaartjes voor het project Wieërter oorlogslaeve belaeve op 10 en 11 mei 2025 zijn verkrijgbaar via het Munttheater. Klik hier voor een promofilmpje.

 

Het droeve lot van Petronella Verdonkschot – Wil Filott

Dit verhaal gaat over een dramatische gebeurtenis medio achttiende eeuw aan het kanaal in Weert. 

Wat gebeurde er op 14 februari 1854 aan het kanaal? 

De 29-jarige Petronella Verdonkschot, naaister van beroep, ging op 14 februari 1854 `s avonds na negen uur naar haar ouderlijk huis op de Boshoverschans.i Het was donker. Het was een koude winteravond. De maan bevond zich in het eerste kwartier.

Zij kwam van de woning van Jan Leonard Hubert Schieffer, doctor in de medicijnen, in de Langstraat, waar zij die dag als naaister gewerkt had. Even voor half tien ging ze naar de winkel van André Broens in de Beekstraat om garen te kopen. Klokslag half tien hoorde Pieter Schrijnwerkers, wonend op Boshoven, nadat hij over de kanaalbrug was gelopen, lopend op de kanaaldijk richting Sluis 16, een schot op ongveer 25 passen van de veldweg naar Vrakker.ii Ook zag hij vuurflitsen. Onmiddellijk daarop haastte een persoon die hij niet herkende, zich in de richting van de akkers. Na een ongeveer 30 of 40 passen keerde die persoon om en liep terug naar de dijk.

Pieter Schrijnwerkers ging naar de plek waar hij meende dat het schot was gelost. Daar vond hij op de benedendijk een menselijk lichaam met het gezicht naar de grond. Hevig geschrokken ging hij naar huis. 

Pieter Verwielen, wonend op Vrakker, en Johannes Adriaans, wonend op Boshoven vonden even na tien uur een vrouw, bewusteloos liggend op de grond op de kanaaldijk in de buurt van de Meleweg, ernstig gewond aan haar hoofd.iii Zij herkenden haar: Petronella Verdonkschot. Petronella werd naar het huis van haar vader op de Boshoverschans gebracht.iv De volgende morgen werd haar geneeskundige hulp verleend, tevergeefs. Petronella overleed `s avonds om tien uur in het huis van haar vader “zonder iets te hebben kunnen zeggen of mededelen”.

 

Uittreksel uit het bevolkingsregister 1850-1860 gemeente Weert.

Uit de obductie van het lijk, uitgevoerd door de geneeskundigen Jan Jozef Herfst en Leonard Schieffer, bleek dat het hoofd van Petronella verbrijzeld was door een schot. Een loden kogel was aan de achterkant van haar hoofd binnengedrongen en was boven het linkeroog blijven steken. De kogel, die uit de hersenen werd verwijderd, was 6 à 8 Nederlandsche strepen diameter groot.v Deze kogel had haar dood veroorzaakt.vi 

 

Odakapel 1962, foto: G. Th. Delamarre. https://commons.wikimedia.org

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ligging woning van de vader van Petronella Verdonkschot, Jan Verdonkschot, aangegeven met een druppel, op de Boshoverschans tussen Odakapel en school.  

Geboorteakte Petronella Verdonkschot.
Akte van overlijden van Petronella Verdonkschot.

 

Petronella Verdonkschot is op 10 november 1824 om vier uur na de middag geboren te Weert in het huis van haar ouders aan de Maaspoort te Weert.vii Haar ouders zijn Jan Verdonkschot, dagloner, geboren te Someren, en Joanna Maria Laemers, geboren te Weert. De geboorte-aangifte en het tonen van de boreling aan de ambtenaar van de burgerlijke stand vond op 12 november 1824 plaats bij schepen Johan Eustachius Janssens van Weert. Getuigen waren Godfried van Tuijl en Jan Mooris, beide landbouwers te Weert.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Petronella Verdonkschot overleed op 15 februari 1854 om 10 uur `s avonds in het ouderlijk huis op het gehucht Boshoven. Aangevers van haar overlijden waren Peter Jozef Stocken, landbouwer, en Simon Beijens, dienstknecht.

De ouders van Petronella Verdonkschot, Joannes Verdonschot en Joanna Maria Laemers, zijn op 26 juni 1815 getrouwd te Weert. Beiden woonden toen op Hushoven. Joannes Verdonschot is op 26 maart 1785 geboren te Someren en op 30 december 1864 overleden op Boshoven. Joanna Maria Laemers is op 5 april 1787 geboren te Weert en op 8 april 1850 ten gehuchte Boshoven overleden.

 

 

 

 

Uitsnede uit huwelijksakte Jean Verdonschot en Jeanne Marie Laemers.

Wie had geschoten op Petronella Verdonkschot? 

Als verdachte van de aanslag op Petronella kwam al snel Seraphin Nozeman, huisschilder van beroep, in beeld. Hij had Petronella al een tijdje het hof gemaakt. Ze hadden zogezegd verkering. Hij had de gewoonte om Petronella `s avonds op te zoeken bij de klanten, waarvoor zij werkte, om haar naar huis te vergezellen. Petronella had al verscheidene malen aan hem te kennen gegeven daarmee te stoppen. Petronella werkte ook regelmatig als naaister voor Maria Sallemans, de vrouw van brugwachter Van Quaelle. Maria Sallemans had een herberg. Petronella had Maria Sallemans gevraagd haar te helpen Seraphin te doen geloven dat een ander haar een huwelijksaanzoek had gedaan. Seraphin had Petronella verboden om nog naar het huis van de Van Quaelles te gaan. Hij had gedreigd dat het slecht met haar zou aflopen als zij toch daar naartoe zou gaan.  

Maria Sallemans, de vertrouwelinge van Petronella Verdonkschot, is geboren op 9 oktober 1811 te `s Hertogenbsch. Zij is op 9 september te Utrecht getrouwd met Urbanus Lodewijk van Quaelle, geboren in 1801 te Sint Niklaas, België. 

Urbanus van Quaelle was brugwachter in Weert. Hij is op 26 december 1858 overleden te Weert. Het echtpaar Van Quaelle-Sallemans woonde toen aan de Beekpoort. 

Uittreksel uit het bevolkingsregister 1850-1860 gemeente Weert.

Maria Sallemans is op 16 november 1859 op 48-jarige leeftijd te Rotterdam in tweede huwelijk getrouwd met de 23-jarige Henricus Hubertus Everaers, geboren op 28 februari 1836 te Weert en overleden op 26 april 1873 te Rotterdam. Op 12 augustus 1874 is zij in derde huwelijk getrouwd met Hendrikus Rijken Hendriks, geboren circa 1811 te Afferden, Limburg, en overleden op 10 februari 1888 te Rotterdam. Maria Sallemans is op 26 september 1885 overleden te Rotterdam. 

Onderzoek door de rechtbank van Roermond 

Op 16 februari 1854 kwamen de rechter-commissaris, de substituut-officier en de griffier van de rechtbank te Roermond naar Weert om een onderzoek naar de toedracht van de aanslag in te stellen. Er werden getuigen gehoord. Er was bekend dat Petronella Verdondonkschot  meermalen geprobeerd had de relatie met Seraphin Nozeman te beëindigen, waarbij ze voorgewend had een andere vrijer te hebben. Seraphin had haar ook bedreigd als zij ondanks zijn verbod weer naar Maria Sallemans zou gaan. Seraphin zou een zeer losbandig en afkeurenswaardig leven leiden. Van Petronella Verdondonkschot werd gezegd dat zij van geheel onbeproken gedrag was. Deze bedreigingen en verschillende door Seraphin gemaakte opmerkingen maakten dat hij als verdachte in aanmerking kwam. Seraphin Nozeman werd dan ook gearresteerd. Op dezelfde dag werd hij in het bijzijn van de heren van het gerecht geconfronteerd met het lijk van Petronella. Bij de confrontatie bleef hij “kalm en ijskoud, schudde met het hoofd, streek zijn haren wat terzijde en nam heel bedaard een snuifje enz. Welke kalmte en koude bij het vermoorde lijk zijner beminde!”viii  

Seraphin Nozeman werd onder begeleiding van de marechaussee naar de gevangenis in Roermond overgebracht. De arrondissementsrechtbank te Roermond verzocht begin maart 1854 aan de ProcureurGeneraal bij het Provinciaal Gerechtshof in Limburg te onderzoeken of er termen aanwezig waren om de zaak tegen Seraphin Nozeman door dat gerechtshof te laten behandelen. Dat bleek het geval te zijn. De zaak werd verwezen naar het Provinciaal Gerechtshof.ix 

Geboorteverklaring Seraphin Antoon Nozeman in de stad Sittard.

Seraphin Nozeman is geboren te Sittard. Op 23 juli 1828 deed Cornelis Franciscus Nozeman, boekhouder bij het kantoor in- en uitgaande regtendaar aangifte van de geboorte op die dag van zijn zoon Seraphin Anton Nozeman. De moeder van de boreling is Helene Randeraad/Randerath, geboren 2 december 1798 te Wassenberg, Duitsland, en overleden op 2 februari 1878 te Weert, echtgenote van Cornelis Franciscus Nozeman.  

 

 

Seraphin Nozeman woonde in 1854 nog bij zijn ouders in de Molenstraat te Weert. Vader Nozeman werd als ambtenaar van de belastingen vaak overgeplaatst. Zijn laatste standplaats was Weert. De familie Nozeman woonde in de Molenstraat op nummer 11 met zeven kinderen. Seraphin was de oudste. Uit de geboorteplaatsen van de kinderen, vermeld in het bevolkingsregister 1850-1860 van de gemeente Weert, blijkt de “zwerftocht” van de familie Nozeman: Sittard, Tilburg, Katwijk, Sittard, Cuijk, Beegden en Tilburg. 

 

Uittreksel uit het bevolkingsregister 1850 1860 gemeente Weert. Bron: https://www.familysearch.org/

Vader Cornelis Nozeman is op 26 juli 1793 geboren te Rotterdam. Hij was visiteur bij de belastingdienst.x In 1857 is door de koning aan C. Nozeman, “visiteur der in- en uitgaande regten en accijnzen” te Weert een pensioen toegekend van fl 560.xi Na zijn pensionering is hij in Weert blijven wonen. Volgens het bevolkingsregister 1860-1880 woonde hij toen op het adres Molenstaat 31c. Uit een verwijzing naar folio 48 kan worden opgemaakt dat er in hetzelfde pand ook een gezin Kneepkens woonde.xii Cornelis Nozeman werd op 25 mei 1873 tijdens het kaarten in de sociëteit Amicitia door een beroerte getroffen en overleed enkele ogenblikken daarna.xiii  

Markt in Weert met links Sociëteit Amicitia rond 1900 xiv https://studiezaal.erfgoedhuisweert.nl/

Seraphin Nozeman voor het Provinciaal Gerechtshofxv 

De aanklacht

Seraphin Nozeman stond op 22 juni 1854 terecht voor het Provinciaal Gerechtshof in Limburg te Maastricht. Hij werd ervan beschuldigd de 29-jarige Petronella Verdonkschot, gewoond hebbend op de Boschhoverschans in de gemeente Weert, met voorbedachten rade vermoord te hebben. Als reden voor deze moord werd in de beschuldiging vermeld dat Petronella ondanks het verbod van Seraphin Nozeman de vrouw, die pogingen deed om Seraphin van Petronella te verwijderen, weer was gaan bezoeken. Volgens de aanklacht was Nozeman een geweldadige man, met een driftig karakter, die zich soms te buitenging aan drank. Hij zou voor en na de dood van Petronella Verdonschot verscheidene uitlatingen hebben gedaan die erop wezen dat hij de dader van de misdaad was. Het Openbaar Ministerie had 42 getuigen à charge en 8 à décharge opgeroepen. 

Hoe stond het met de verkering tussen Seraphin en Petronella? 

Seraphin Nozeman ontkende pertinent dat hij de moord had gepleegd. Hij zei dat hij maanden verkering had gehad met Petronella en dat zij zouden trouwen. Hij weigerde aanvankelijk uitleg te geven over diverse omstandigheden, die hem verdacht schenen te maken, en evenmin over opmerkingen die hij had gemaakt. 

Zitting van het Provinciaal Gerechtshof te Maastricht in het gerechtsgebouwxvi. Tekening Philippe van Gulpen circa 1850.xvii

De getuigen Elisabeth en Johannes Verdonschot, zuster, resp vader van Petronella, Maria Sallemans, Everard van de Laar, Wilhelmus Kwasters en de huisvrouw Borgée verklaarden dat Seraphin twee dagen voor de moordaanslag, op 12 februari, hen had gezegd dat Petronella de relatie wilde beëindigen. Maria Sallemans en Everard van de Laar verklaarden dat Petronella hun medewerking had verzocht om Seraphin in de waan te brengen dat een ander haar ten huwelijk had gevraagd. 

Getuige Willem Vreijs verklaarde dat Seraphin hem op zondag 12 februari gezegd had dat hij wist dat Petronella weer naar de herberg van Maria Sallemans zou gaan ondanks dat hij haar dat verboden had. Seraphin had zijn misnoegen daarover duidelijk laten blijken. Hij had gezegd dat als zij dat toch durfde te doen, hij haar zou opwachten en slaan. Volgens deze getuige gebruikte hij de woorden: “dan zal ik haar een pak rammelen”.  

Een andere getuige verklaarde dat hij op dezelfde zondag Petronella tegen Seraphin had horen zeggen dat zij geen zin in hem had en dat zij niets met hem te maken wilde hebben. Seraphin had toen gezegd: ”ik zal u bij avond of ontij wel vinden onder vier oogen, canaille, ik zal het u wel lappen”.  

Getuige Wilhelmus Kwasters verklaarde dat Petronella hem had gezegd dat zij niets van Seraphin wilde weten. Hij had toen tegen Seraphin gezegd dat hij Petronella niet zou krijgen. Seraphin had toen gezegd: “als ik er geen pleizier mede heb, zal niemand er pleizier van hebben”.  

Vader Johannes Verdonschot en zus Elisabeth Verdonschot verklaarden dat Petronella op maandag 13 februari aan het venster had gestaan toen Seraphin na een ruzie hun woning had verlaten, om te kijken of hij werkelijk weg zou gaan. Vlak daarna was een schot gevallen. Petronella had toen gezegd: nu schiet hij zich voor de kop. Seraphin ontkende een schot gelost te hebben maar er wel een gehoord te hebben. 

Volgens Herman van Osch had Seraphin de 15de februari tegen hem gezegd dat Petronella bewusteloos was en dat het goed was dat zij niet meer bij keniis kwam, want dat zij anders iemand zou kunnen noemen. De vraag van Van Osch of hij de dader was had hij ontkennend beantwoord maar had er aan toegevoegd: ”het was toch goed dat die verdoemde fluit maar kapot was”. 

Het moordwapen

De getuigen Jan Mathijs Leurs, huisvrouw Verstappen, Pieter Franken en Petronella Aspers verklaarden dat Seraphin enkele dagen voor de moord geprobeerd had van hen een pistool te lenen. Op maandag 13 februari `s ochtends had hij Petrus Reemers daarvoor benaderd. Echter zonder resultaat. Op die dag was hij om drie uur `s middags er in geslaagd een pistool te lenen van de douane-ambtenaar Peter Willems, een collega van zijn vader, onder het voorwendsel dat hij daarmee op een schijf van een nieuwe uitvinding wilde schieten. Hij had aan Peter Willems en diens vrouw Anna Thijssen gevraagd niets aan zijn vader te vertellen.  

Met dat pistool was hij in de winkel van Laurens Sanders in de Beekstraat voor vier cent kruit, slaghoedjes en twee loden kogels gaan kopen. In aanwezigheid van Sanders had hij met het pistool in de hand getest of de kogels op het pistool pasten. Daarna was hij naar de herberg van Maria Sallemans gegaan waar hij volgens getuige Van de Laar een kogel en een knikker had laten zien, die hij gevonden zou hebben. 

Op 15 februari had hij het geleende pistool aan Willems teruggegeven en hem bedankt voor de bewezen dienst. Willems was ervan overtuigd dat er gebruik was gemaakt van het wapen, dat ook kruitsporen vertoonde. De kogel die gevonden was in het hoofd van het slachtoffer, was exact van hetzelfde kaliber als de kogels die Seraphin gekocht had. Ook was die kogel afkomstig uit dezelfde mal, waarin de gekochte kogels gegoten waren.  

Verklaringen van Seraphin Nozeman 

Na het horen van de opgeroepen getuigen antwoordde Seraphin Nozeman op vragen van de president van het Hof en de Procureur-Generaal kalm, koelbloedig en zelfverzekerd. Hij kwam terug van zijn ontkenning van diverse feiten. Hij gaf onder andere toe dat hij op de bewuste avond Petronnella Verdonschot had ontmoet nadat zij het huis van dokter Schieffer had verlaten. Maar hij zei dat hij bij haar was weggegaan, toen zij naar de winkel van Broens ging om garen te kopen. Daarna had hij haar niet meer teruggezien.  

Ook erkende hij dat hij een pistool van douanier Willems had geleend en kruit en kogels had gekocht. Hij zei dat hij om dat pistool had gevraagd om zich tegen dieven te beschermen en dat hij het gebruikt had om op een schietschijf te schieten. Vervolgens probeerde hij min of meer aannemelijke verklaringen te geven over de uitlatingen die hij had gedaan. Hij zei met nadruk dat hij onschuldig was en vroeg om zo snel mogelijk vrijgelaten te worden. 

De eis van de Procureur-Generaal

De Procureur-Generaal zette de feiten in de zaak op een rij. Het gedrag van de verdachte voor en vooral na het plegen van de misdaad verschafte volgens hem overstelpende bewijzen om de doodstraf te eisen. De Procureur-General probeerde nog de verdachte te bewegen, zijn onverschilligheid en ongevoeligheid, die hij tijdens het proces had vertoond, te laten varen, echter tevergeefs. Hij wees hem op de ernst van zijn situatie. 

De advocaat van Seraphin Nozeman

Voor de advocaat van de verdachte, mr. Polis, was het zijn eerste zaak. Hij benadrukte dat niets bewees dat de verdachte daadwerkelijk de dader van de moord op het meisje Verdonschot was; ieder ander zou die misdaad hebben kunnen plegen. Veronderstellingen waren onvoldoende om de leden van het hof de innerlijke overtuiging, die nodig was om de verdachte schuldig te verklaren, te geven dat Petronella was omgebracht door de verdachte. De advocaat probeerde het zonderlinge en ongepaste gedrag van de verdachte te duiden. Hij gaf een overzicht van het doen en laten van de verdachte tussen het moment waarop hij het slachtoffer had verlaten en het tijdstip waarop zij dodelijk verwond op de kanaaldijk was gevonden. Daarmee wilde de advocaat aantonen dat de verdachte niet de dader van het misdrijf kon zijn. Mr. Polis eindigde zijn pleidooi met het verzoek om vrijlating van zijn cliënt. 

Nog meer getuigen

Na het horen van de opgeroepen getuigen, de eis van het Openbaar Ministerie en het pleidooi van mr. Polis, wilde het hof na beraad nog een aantal getuigen horen. De belangrijkste reden daarvoor was dat Seraphin en zijn advocaat beweerden dat het onmogelijk was dat Seraphin op de plaats van het misdrijf geweest kon zijn, mede gelet op de verklaringen van de getuigen in de herberg van Aspers.xix  Die nieuwe getuigen waren onder andere Pieter Jacob van Cruchten, de landmeter die diverse afstanden had opgenomen, de werklieden die op 13 februari 1854 een bootje op het kanaal hadden geladen, Gertrude Biermans, de dienstbode van dokter Schieffer en nog enkele andere personen. Met dat bootje was volgens de Procureur-Generaal de moordenaar het kanaal overgestoken 

Waar was Seraphin Nozeman ten tijde van de moordaanslag? 

Maria Cornelia Vaessen, Hendrik Rudolf Evertz, Leonard Nien, Lambert Kneepkens, Johan Gubbels en Theodoor Princen verklaarden dat zij gezien hadden dat Seraphin zich op de avond van 14 februari van ongeveer half acht tot na negen uur had opgehouden in de nabijheid van de woning van dokter Schieffer om Petronella op te wachten. Schieffer verklaarde dat hij zijn woning rond negen uur had verlaten en dat Petronella toen daar nog was. Petronella Biermans, dienstbode van Schieffer, zei dat Petronnella iets voor of iets na negen uur de woning had verlaten.  

Lambert Cornelis had Petronella en Seraphin tussen negen en half tien ontmoet in de Beekstraat bij de Markt. Hij had gezien dat Petronella alleen de winkel van Arnold Broens was binnnengegaan en na enige ogenblikken naar buiten was gekomen. Volgens Arnold Broens was Petronella rond half tien zijn winkel aan het eind van de Beekstraat binnengekomen, waar zij enige tijd was gebleven. 

Leonard Antoon Hovers en Peter Kiggen hadden Petronella alleen op de kanaaldijk van Weert naar Boshoven gezien. Peter Schrijnwerkers had verklaard dat hij zich op de kanaalbrug bevond toen de klok half tien sloeg en dat hij, toen hij ongeveer 25 passen verwijderd was van de veldweg naar Vrakker, een schot hoorde. 

Jacob Aspers, Hubertus Boonen en Jozef Poell verklaarden dat Seraphin op 14 februari om kwart of tien voor tien `s avonds de herberg van Aspers was binnengenomen, daar snel een glas bier had gedronken en dadelijk daarna was vertrokken. 

Wat was het belang van een schuit op het kanaal?

Volgens verklaringen van Jan op het Root, Gerard van de Laar en Jacob Rietjens lag een schuit op de avond van de aanslag in het kanaal ongeveer ter hoogte van de plaats waar de aanslag had plaatsgevonden. Die schuit hadden zij eerder na hun arbeidsdag met twee dikke touwen van voren en van achteren vastgemaakt aan twee in de grond geslagen piketpalen aan de overzijde van het kanaal. Van de Laar had de schuit om half negen die avond nog zo zien liggen. De volgende morgen werd de schuit op een andere plaats onder water gevonden. De touwen waarmee de schuit was vastgebonden, waren doorgesneden. Volgens Pieter Verwielen lag de schuit om kwart over tien al dwars in het kanaal te “zwabberen”. Jan Mathijs Saes verklaarde dat hij op de avond van 14 februari vóór tien uur, staande op de kanaalbrug,  op weg naar zijn woning, ter hoogte van de veldweg naar Vrakker een schuit dwars op het kanaal gezien had. Op de schuit bevond zich een persoon die de schuit van richting veranderde. Aangekomen bij zijn woning ter hoogte van het Penitentenklooster, hoorde hij een schot uit de richting van de plaats waar hij de schuit had zien liggen. Volgens landmeter Van der Cruchten was de afstand tussen de herberg van Aspers in de Molenstraat via de Molenpoort en het veld en verder met een schuit tot de plaats van het misdrijf in negen minuten te overbruggen. Als iemand snel zou lopen, zou dat volgens de landmeter zelfs in vijf à zes minuten kunnen.  

Een herhaling van zetten

De Procureur-Generaal handhaafde na het horen van de nieuwe getuigen zijn eis tot veroordeling tot de doodstraf. Mr. Polis bracht nogmaals naar voren dat uit de feiten, zoals die ter zitting bekend waren geworden, was gebleken dat de verdachte zich niet had kunnen bevinden op de plaats noch op het tijdstip, waarop volgens het Openbaar Ministerie de misdaad had plaatsgevonden.  

Het oordeel van het Provinciaal Gerechtshof: de doodstraf

Omdat niemand gezien had dat Seraphin Nozeman op Petronella Verdonschot had geschoten, moest het Gerechtshof afgaan op de getuigenverklaringen. Verder had Seraphin volgens het Hof onvoldoende kunnen verklaren waar hij op 14 februari was geweest tussen 10 voor half tien en tien voor tien. Het Hof vond de verklaring van Seraphin onaannemelijk dat hij in de bewuste tijdsperiode in de straten van Weert had rondgelopen. Het Hof verklaarde uit de verklaringen van getuigen en het ontbreken van een deugdelijke verklaring van Seraphin voor de bewuste tijdspanne de innerlijke overtuiging gekregen te hebben dat Seraphin Nozeman schuldig was aan de moord op Petronella Verdonschot. Hij werd door het hof op 6 juli 1854 ter dood veroordeeld, uit te voeren op een schavot op een openbare plaats in Maastricht. Verder werd bepaald dat de uitspraak gedrukt en aangeplakt moest worden zowel te Maastricht als in Weert.  

Het voorlezen van de uitspraak van meer dan 40 pagina`s nam drie kwartier in beslag. Seraphin Nozeman hoorde die onverschillig aan; een houding die hij gedurende het gehele proces had aangenomen. Nadat de vice-president van het hof hem had meegedeeld dat het hof verplicht was geweest hem ter dood te veroordelen en dat hij drie dagen de tijd had om in cassatie te gaan, werd hij teruggebracht naar de gevangenis. Hij vertoonde volgens krantenberichten daarbij geen enkele emotie. xviii                          

Seraphin Nozeman heeft daadwerkelijk cassatie bij de Hoge Raad tegen de uitspraak van het Hof aangetekend, echter zonder succes. In het arrest van 19 september 1854 werd het cassatieberoep verworpen. 

 

Veroordeling Seraphin Nozeman door het Provinciaal Gerechtshof .

 

 

Hoe ging het verder met Seraphin Nozeman? 

De doodstraf werd in de praktijk niet vaak voltrokken.xix Veel terdoodveroordeelden kregen gratie, zo ook Seraphin Nozeman. In december 1854 verleende Zijne Majesteit koning Willem III gratie aan Seraphin Nozeman; de doodstraf werd omgezet in 20 jaren opsluiting.xx

Inschrijving gevangenis Eindhoven.

Op 27 december 1854 werd Seraphin Antoon Nozeman, huisschilder, vanuit de gevangenis te Maastricht overgebracht naar de gevangenis in Eindhoven en daar ingeschreven.xxi 

Inschrijving gevangenis in ’s Hertogenbosch.

 

Lang is hij daar niet gebleven want de volgende dag, 28 december 1854, werd Seraphin Antoon Nozeman ingeschreven in het gevangenis register van `s Hertogenbosch.xxii. De eindbestemming van de tocht langs gevangenissen van Seraphin Nozeman was de strafgevangenis in Leeuwarden: het Huis van Opsluiting (Reclusie) en Tuchtiging, de Blokhuispoort, te Leeuwarden.  

De gevangenis in Leeuwarden was een van de grootste in Nederland. De leefomstandigheden in deze overbevolkte gevangenis waren zwaar. Dat was overigens niet alleen het geval in Leeuwarden maar ook in andere gevangenissen en arresthuizen. Zo beklaagde de commandant van het Huis van Reclusie en Tuchtiging in Leeuwarden zich in 1849 over de “steeds voortdurende armoedige en ziekelijke toestand der gevangenen, die van elders werden aangebragt” en “de bedoelde gevangenen zijn allen zonder onderscheid, door ongedierte geteekend en bovendien door koude en ontbering zoodanig verzwakt dat velen hunner, dadelijk na aankomst, in de ziekenzalen moeten worden opgenomen”.xxiii In 1849 waren er op 31 december 818 gevangenen in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden ondergebracht. In dat jaar waren er 100 overleden. 

Het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden rond 1860. xxiv

Op 15 januari 1855 werd Seraphin Antoon Nozeman in de gemeente Leeuwarden ingeschreven in het bevolkingsregister. Als zijn beroep werd verver vermeld, als zijn godsdienst R.K. en als zijn vorige woonplaats Weert. Als zijn overlijdensdatum is in dat register 19 augustus 1870 vermeld.xxv. Van het overlijden blijkt uit een akte van overlijden van 20 augustus 1870, waarin twee bedienden van de strafgevangenis aangifte doen van het overlijden van Seraphin Antoon Nozeman op 19 augustus 1870. 

Bron: https://allefriezen.nl Bron: https://allefriezen.nl

Epiloog 

Het motief van de dader in dit droevige verhaal kan worden geduid met een mooi, ietwat in onbruik geraakt, woord: minnenijd. Minnenijd ontstaat in het bijzonder als iemand afgewezen is in een liefdesrelatie of zich daarin bedreigd voelt. Gevoelens die daaruit voortvloeien zijn onder meer verdriet, angst, woede, en intense jaloezie die zich kan uiten in gewelddadigheid 

”Jaloezie” van Edvard Munch, Munch Museum, Oslo

Jaloezie wordt geassocieerd met de kleur groen. Het groen verwijst naar de kleur van de ogen van het “green eyed monster” (de jaloezie) in Othello van Shakespeare. Ik besluit dit verhaal met een afbeelding van een schilderij van de Noorse schilder Edvard Munch, die jaloezie een gezicht heeft gegeven. 


Veel dank aan Peter Korten die mij na de eerste versie van dit verhaal de powerpointpresentatie van zijn lezing “Valentijnsmoord” op 31 maart 2023 in Tungelroy over deze zaak en een afschift van het arrest van het Provinciaal Gerechtshof er beschikking heeft gesteld. 

 

Bronvermelding

i In berichten en documenten wordt de achternaam Verdonkschot ook wel gespeld als Verdonschot.

iiPieter Schrijnwerkers woonde “ten gehuchte” Boshoven. 

iii.  De NoordBrabanter, 21 februari 1854, schrijft dat Petronella Verdonkschot bij het kanaal tegenover de Molenweg is gevonden. Met Molenweg is waarschijnlijk de Meleweg in Boshoven bedoeld. 

iv. De moeder van Petronella Verdonkschot, Joanna Maria Laemersis op 8 april 1850 overleden.

v. De Nederlandsche streep is een oude lengtemaat. In 1820 is bij invoering van het metrieke stelsel gelijkgesteld aan 1 millimeter. In 1870 werd de streep afgeschaft. 

vi.  In regionale en landelijke kranten verschenen berichten over de gewelddadige dood van Petronella Verdonkschot.  Journal du Limbourg17 en 19 februari 1854; De Noord-Brabanter, 21 februari 1854; Nieuwe Rotterdamsche courant, 19 februari en 19 maart 1854; De Tijd, 21 februari 1854. 

vii. De gegevens over geboorten, huwelijken, overlijden en bevolkingsregister zijn afkomstig van: https://aezel.euwww.familysearch.org en www.openarchieven.nl.

viii. Citaat uit De NoordBrabanter, 21 februari 1854. 

ixAlgemeen Handelsblad, 13 maart 1854.

x“Visiteur” is een controleur bij de dienst van in- en uitgaande rechten. 

xi. De Roermondenaar, 1 augustus 1857. 

xii. Dank aan Zef Coenen voor deze informatie. 

xiii. Het Kanton Weert, 1873. Bron: Het Kanton Weert, 8 april 1938. 

xiv. Studiezaal.erfgoedhuisweert.nl. 

xv. Van het proces tegen Seraphin Nozeman werd in een aantal regionale en landelijke kranten bericht. Nieuwe Rotterdamsche couranten 9 juni 1854Le courrier de la Meuse, 9 juni, 24 juni en7 juli 1854; De Noord-Brabanter, 10 juni, 27 juni en 11 juli 1854Algemeen Handelsblad, 30 juni en 8 juli 1854; Rotterdamsche courant, 10 juli 1854; Hoornsche courant, 11 juli 1854Nieuwe Drentsche courant, 12 juli 1854. 

xvi. Het gebouw was oorspronkelijk een klooster van de Minderbroeders (Franciscanen). Thans is het in gebruik als huisvesting van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht. 

xvii. https://commons.wikimedia.org/wiki/.

xviii. Weekblad van het regt, 6 juli 1854.

 xix. Er was in de maatschappij behoorlijk verzet tegen het uitvoeren van de doodstraf. Er werd dan ook vaak gratie verleend. Johannes Nathan uit Broeksittard is de laatste terdoodveroordeelde die in Nederland in vredestijd terecht werd gesteld. Hij had zijn schoonmoeder vermoord. In 1870 werd de doodstraf in vredestijd in Nederland afgeschaft. 

xx. Le courrier de la Meuse17 december 1854.

xxi. BHIC003000449_0034.

xxii. BHIC003000259_0112.

xxiii. Algemeen Handelsblad, 19 oktober 1849.

xxiv. https://historischcentrumleeuwarden.nl/onderzoek/beeldbank, nr. THAD.III.032.

xxv. HCL0020000438_0039.

 

Het einde der tijden voor ogen – Aldenborgh lezing door kunsthistoricus dr. Frans Nies

De angst voor het einde der tijden gaat ver terug, en alle voorspellingen ten spijt zijn we er nog. In het christendom komt die vrees tot een absolute climax in de late middeleeuwen, de tijd waarin ook Jheronimus Bosch (ca.1450-1516) leeft en werkt. In de zestiende eeuw, de periode van de Reformatie, wordt de overtuiging zelf te leven in de eindtijd volop uitgedragen door Luther en zijn navolgers. Zij ziende paus als de antichrist, waarvan men geloofde dat die aan het einde der tijden zijn opwachting zou maken. Die angst vinden we uiteraard ook terug in de beeldende kunsten, waar die eveneens tot een hoogtepunt komt in de periode rondom Jheronimus Bosch.

In zijn lezing vertelt kunsthistoricus Frans Nies hoe zich deze angst voor het einde der tijden heeft ontwikkeld, en laat hij zien hoe deze werd verbeeld en al snel werd ingezet als politiek middel. Zou dat hebben bijgedragen aan de verdenking dat het werk van Bosch ketters zou zijn?

 

Dr. Frans Nies (Weert, 1956)

Na zijn middelbare schoolopleiding aan het Bisschoppelijk College (1975) in Weert wilde Frans Nies Geschiedenis studeren aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen, maar kwam hij bij Rechtsgeleerdheid terecht. Ruim twee jaar later besloot hij om van zijn toenmalige hobby zijn beroep te maken en stapte hij over naar de opleiding grafisch ontwerpen in Utrecht. Hij vestigde zich als ontwerper in Nijmegen. Daaruit groeide ontwerpbureau Nies en Partners bno dat in 2014 fuseerde met een communicatieadviesbureau, waarbij Frans Nies zijn aandelen verkocht. September van hetzelfde jaar begon hij met zijn studie Kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit. Zowel zijn bachelor- als masterdiploma behaalde hij cum laude, waarna hij in 2018 aan dezelfde universiteit een promotieonderzoek begon onder supervisie van kunsthistoricus prof. dr. Jos Koldeweij en kerkhistoricus dr. Charles Caspers. April 2023 verdedigde hij met succes zijn proefschrift Het einde der tijden voor ogen, dat werd gepubliceerd in de reeks Nijmeegse Kunsthistorische Studies (xxxi). Sinds zijn promotie is Frans Nies part time zelfstandig onderzoeker.

 

Praktische Informatie

wat: Lezing Het einde der tijden voor ogen
door: Kunsthistoricus Frans Nies
wanneer: 15 april 2025
aanvang: 19.30 uur
waar: Brasserie-hotel Antje van de Statie, Stationsplein 1, 6001 CH Weert
entree: gratis

 

De familie Wilkin: een Luikse familie in Weert – door Wil Filott

In het verhaal Een schout in de fout, dat elders op deze site is gepubliceerd, heb ik de veroordeling van een drietal overheidsfunctionarissen beschreven wegens ambtelijke corruptie en knevelarij, gepleegd in het begin van de 19de eeuw in Nederweert.[i] Een van hen was Nicolas Wilkin, voorheen commies te paard tweede klasse van de in – en uitvoerrechten met als standplaats Weert. Andere veroordeelden waren Joseph Nicodeme, voormalig ontvanger van de in- en uitvoerrechten, en Jean Trouwen, gewezen schout van de gemeente Nederweert.

In dit verhaal ga ik in op de familie Wilkin en in het bijzonder op een van de dochters van Nicolas Wilkin en haar echtgenoten.

__________________________________________________________________________________________________

Dat Nicolas Wilkin, een Luikenaar, in 1815 bij de belastingdienst in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in Weert is gestationeerd, is niet zo vreemd. Voor de inlijving van Nederland en België in Frankrijk waren belastingen en heffingen veelal een lokale of regionale aangelegenheid. Deze belastingen en heffingen bestonden deels uit tienden en aan de heer of de gemeente toekomende rechten, zoals het gruitrecht voor bierbrouwers en het recht om turf te steken op woeste gronden en deels uit accijnzen. De inning werd vaak verpacht aan belastinggaarders.[ii]

In de Franse tijd werden belastingen op nationaal niveau ingevoerd. Dat stelsel werd in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit het huidige Nederland en België, gehandhaafd. Het stelsel bestond onder meer uit invoerrechten en accijnzen. Voor het heffen en innen van de belastingen kwam er een centrale ambtelijke organisatie. Ambtenaren daarvoor werden uit het hele koninkrijk gerecruteerd. Dat Wilkin Franstalig was, was nauwelijks een probleem. Tijdens de Franse periode was Frans immers de taal van het bestuur en de ambtenarij geweest.

____________________________________________________________________________________________________

 

Wie is Jacques Antoine Nicolas Wilkin?[iii]

Weergave op Ferrariskaart (1771-1778) van de wijk Outremeuse en het bisschoppelijk paleis.

Jacques Antoine Nicolas Wilkin is geboren in de parochie Saint Nicolas in de wijk Outremeuse van de stad Luik, Prinsbisdom Luik, op 4 april 1774. Nicolas Wilkin is op 22 oktober 1799 te Luik, Franse republiek, getrouwd met de 19-jarige Marie Lambertine Josephine Lefebvre. Zij is op 24 december 1779 gedoopt in de parochiekerk Saint Jean-Baptist in de stad Luik, Prinsbisdom Luik, en overleden op 29 oktober 1855 in Luik, koninkrijk België. Als beroep van Nicolas Wilkin is bij zijn huwelijk koerier bij het registratiekantoor vermeld.

 

 

 

Het echtpaar Wilkin-Lefebvre heeft, voor zover mij bekend, in Luik zes kinderen gekregen:

  • Thérèse Henriette, geboren op 14 juli 1800[iv]
  • Rémi Joseph, geboren 13 januari 1802
  • Pierre Nicolas, geboren 7 januari 1804[v]
  • Anne Florence, geboren 20 september 1805
  • Marie Lambertine, geboren op 12 mei 1808[vi]
  • Eugénie, geboren op 13 januari 1814

 

De familie Wilkin in Weert

Na de geboorte van Eugénie is het echtpaar Wilkin-Levebvre rond 1815 naar Weert verhuisd in verband met de functie van Nicolas Wilkin bij de belastingdienst. In Weert woonde de familie Wilkin in de Schoolstraat, tussen de Korenmarkt en de Oelemarkt.

In Weert kreeg het echtpaar nog een dochter. Op 14 november 1816 toonde Jacques Antoine Nicolas Wilkin aan Jean Nien, adjoint au maire, belast met de akten van de burgerlijke stand van Weert, een kind van het vrouwelijk geslacht, geboren op 12 november 1816.[vii]

Slot van de geboorteakte van Hortance Wilkin.

Hij gaf aan het meisje de voornaam Hortance. Als beroep van Jacques Antoine Nicolas Wilkin is ambtenaar te paard van de indirecte belastingen vermeld. Als getuigen bij de geboorteaangifte waren aanwezig Jean Janssen, 44 jaar, zadelmaker, en Jean Jacques Gielis, 24 jaar, leerlooier, beide wonende in Weert, in de stad.[viii] De geboorteakte is in het Frans.

Geboorteakte Antonius Deodatus Wilkin.

Op 5 januari 1823 heeft het echtpaar Wilkin-Lefebvre in Weert een zoon gekregen, aan wie de voornamen Antonius Deodatus werden gegeven. De aangifte van de geboorte werd gedaan door Jozef Wilkin, de oudste zoon van het echtpaar Wilkin-Lefebvre. Als beroep van Jozef Wilkin, is in de geboorteakte kousenmaker vermeld.[ix] Hij woonde in het Morgat te Weert.[x] Getuigen waren Johan Janssen, 50 jaar, zadelmaker, en Jacob Kupers, 77 jaar, dagloner, beide woonachtig in Weert.

Vader Niklaas Wilkin was niet bij de geboorteaangifte van zijn jongste zoon aanwezig. Mogelijk zat hij toen in voorlopige hechtenis, verdacht van verduistering en omkoping.[xi]. In de geboorteakte staat dat Niklaas Wilkin zonder beroep was. De geboorteakte is in het Nederlands.

Het gezin van het echtpaar Wilkin-Lefebvre is na de veroordeling van Nicolas Wilkin teruggegaan naar Luik. Dochter Thérèse Henriëtte is echter in Weert gebleven. In het nieuwe koninkrijk België is Nicolas Wilkin bij de Belgische douane gaan werken.[xii].

 

 

_____________________________________________________________________

In L` Indépendance Belge van 19 januari 1837 verscheen (vertaald) het volgende bericht:

“De douanebeambten Wilkin en Michiels, van de post te Sauvenière bij Spa, hebben in de nacht van 12 op 13 januari een bende van ongeveer vijf smokkelaars aangevallen. Zij hebben zich meester gemaakt van twee balen met een geschatte waarde van 300 francs. Drie smokkelaars zijn gearresteerd geworden door Wilkin en ter beschikking van de autoriteiten gesteld.“

Of de hier vermelde Wilkin onze Jean Nicolas Antoine Wilkin is, is niet zeker, maar wel mogelijk.

_______________________________________________________________________

 

 

Overlijdensakte Nicolas Wilkin. Bron: Archives de la ville de Liége.

Jean Nicolas Antoine Wilkin is op 73-jarige leeftijd op 28 december 1847 te Luik overleden. Hij woonde toen in de voorstad Saint Gilles. Als zijn beroep is in de overlijdensakte douane-employé vermeld. De overlijdensaangifte is gedaan door zijn schoonbroer Lambert Hubert Joseph Lefebvre.

 

 

Thérèse Henriëtte Wilkin

Thérèse Henriëtte Wilkin is niet met haar familie teruggekeerd naar Luik. Zij was op 22 juli 1818, net 18 jaar, te Weert getrouwd met Jean Michel Antoine Janssens. De bruidegom was meerderjarig maar had voor het huwelijk toch de toestemming nodig van zijn ouders.[xiii] Deze ouders, Jean Eustache Janssens, docteur en médecine, en Marie Marguerite Truijens, gaven blijkens de huwelijksakte die toestemming.

Slot huwelijksakte Jean Michel Antoine Janssens en Thérèse Henriëtte Wilkin.

De bruid was minderjarig en had voor het huwelijk ook toestemming nodig van haar ouders. In de huwelijksakte staat niet met zoveel woorden dat haar ouders die toestemming gaven. Er staat dat haar ouders, Jean Nicolas Antoine Wilkin en Marie Lambertine Josephine Lefebvre, de ambtenaar van de burgerlijke stand verzochten verder te gaan met de huwelijksplechtigheid. Aan de huwelijksakte werd een certificaat van de gouverneur van de provincie Limburg gehecht dat de bruidegom niet was opgeroepen voor de Nationale Militie. Als beroep van Jean Michel Antoine Janssens is in de huwelijksakte kousenfabrikant vermeld. De huwelijksakte is in het Frans.

Uit de bewoordingen in de huwelijksakte zou opgemaakt kunnen worden dat de ouders van Thérèse Henriëtte niet erg ingenomen waren met het huwelijk van hun net 18-jarige dochter. Reden daarvoor kan geweest zijn dat Thérèse Henriëtte op de huwelijksdatum al zo`n zes maanden zwanger was, naar we mogen aannemen van Jean Michel Antoine Janssens.

Geboorteakte Marie Josephine Ode Gertrude Janssens.

Op 24 oktober 1818 werd in Weert Marie Josephine Ode Gertrude Janssens geboren, dochter van Jean Michel Antoine Janssens en Thérèse Henriëtte Wilkin. Het echtpaar woonde in de “moolstraat”.[xiv] Volgens de Franstalige geboorteakte was Jean Michel Antoine Janssens kousenfabrikant.

Helaas heeft de boreling slechts kort geleefd. Op 8 januari 1819 werd aangifte gedaan van het overlijden van Marie Josephine Ode Gertrude Janssens. Voor zover mij bekend, is het echtpaar Janssens-Wilkin verder kinderloos gebleven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Michiel Antoon Janssens

Jan Michiel Antoon Janssens is op 18 mei 1797 geboren en op dezelfde dag gedoopt te Weert. De doopakte is in het Latijn.

Hij is een zoon van Joannes Eustachius Janssen, “doctor medicinae” en Maria Maragareta Truijens. Deze Joannes Eustachius Janssens heeft tijdens de inlijving van Weert bij Frankrijk een belangrijke rol gespeeld.

Hij heeft gepoogd het kerkelijk leven in Weert enigszins in stand te houden nadat de priesters door het Franse gezag tot deportatie waren veroordeeld en hun heil hadden gezocht in de Bataafsche Republiek. Een van die priesters was de pastoor van Weert, Janssens, een familielid van dokter Janssens.

Doopakte Joannes Michael Antonius Janssens.

_________________________________________________________________________________

Vertaling doopakte Joannes Michael Antonius Janssens

“Op 18 mei 1797 is om drie uur in de morgen in de stad geboren en op dezelfde dag gedoopt Joannes Michael Antonius, wettige zoon van de beroemde edele heer Joannes Eustachius Janssens, doctor in de geneeskunde, en de edele vrouwe Maria Margarita Truijens, hier samenwonende echtelieden, ten doop gehouden door Joannes Mathias Truijens en Joanna Gertrudis Keuten, beide hier woonachtig, welke bij afwezigheid van de vader met mij ondertekend hebben”.

_________________________________________________________________________________

 

Ligging woonhuis Jan Michiel Antoon Janssens aan de Uijlenmarkt. Bron: https://aezel.eu/ontdekken/geografie/minuutplans-eigendom.

Jan Michiel Antoon Janssens was niet onbemiddeld. Volgens het kadaster 1812-1844 bezat hij in 1842/1843 vijfendertig percelen grond in Weert, waaronder een tweetal woningen. Een kleine woning lag aan de Hogensteenweg en een groter huis op de hoek van de Uijlenmarkt en het Carisstraatje, in welk huis hij ook woonde. Als zijn beroep is in het kadaster rentenier vermeld.

Ligging woonhuis Jan Michiel Antoon Janssens.

 

 

 

 

Doodakte Jan Michiel Antoon Janssens.

 

Jan Michiel Antoon Janssens is op 4 april 1853 te Weert overleden. In de overlijdensakte is als zijn beroep “particulier” vermeld. Hij woonde bij zijn overlijden op de Oelemarkt.

 

 

 

 

 

Pand hoek Oelemarkt- Carisstraatje anno 2025. Foto: Wil Filott.

 

Op de hoek van de Oelemarkt en het Carisstraatje staat thans een fraai pand. In een gedeelte daarvan is café `t Kruuënke gevestigd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Weduwe Theresia Hendrina Wilkin

De weduwe van Jan Michiel Antoon Janssens, Theresia Hendrina Wilkin, rentenierster, is op 14 september 1857 te Baexem in voor haar tweede huwelijk getrouwd met Michael Gerardus van Moorsel, geboren op 18 april 1799 te Veldhoven. Hij is een zoon van Adrianus Franciscus van Moorsel, geneesheer, en Johanna Theresia Rosa Baronesse van Linsingen van Birkenfeld. Het was voor Van Moorsel zijn derde huwelijk.

_______________________________________________________________________

Huwelijksakte van de heer Michael Gerardus van Moorsel en de edele vrouwe Maria Josephina Adolphina baronesse de la Marck.

Michael Gerardus van Moorsel was eerder op 1 oktober 1821 te Baexem, Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, kerkelijk getrouwd met Maria Josephina Adolphina Baronesse de la Marck, geboren op 29 december 1796 te Baexem, republiek Frankrijk, en overleden op 23 september 1842 te Verviers, koninkrijk België. Van Moorsel woonde ten tijde van dit huwelijk in Ell.

De bruid, Maria Josephina Adolphina Baronesse de la Marck,  is een dochter van Maria Philippus Alex Leo de la Marck en Maria Stephana Helena de Radzitzki de Ostrowick. Het echtpaar Van Moorsel-de la Marck heeft zes kinderen gekregen. Ook is hij griffier geweest van vredegerechten te Meerssen, Weert, Verviers en Mechelen aan de Maas. In Weert was hij ook kapitein van de schutterij.[xv][ixvi]

Na het overlijden van Maria Josephina Adolphina Baronesse de la Marck is Michiel Gerard van Moorsel op 4 oktober 1843 te Boorsem, Belgisch Limburg, in tweede huwelijk getrouwd met Maria Agnes de Grand Rij de Tribeaumont, geboren op 22 maart 1801 te Verviers, Frankrijk, en overleden op 27 juni 1856 te Mechelen, koninkrijk België.

_________________________________________________________________________

 

Ligging huis, schuur en erf van Michiel Gerard van Moorsel aan de Langstraat. Bron: https://aezel.eu/ontdekken/geografie/minuutplans-eigendom
Ligging huis, schuur en erf van Michiel Gerard van Moorsel aan de Langstraat.

Uit het kadaster 1832-1844 blijkt dat ook deze Michiel Gerard van Moorsel bemiddeld was. Hij bezat onder meer in Weert een huis met schuur en tuin aan de Langstraat. Als zijn beroep is in het kadaster griffier en als woonplaats Verviers vermeld. Op deze plaats in de Langstraat staat thans de schoenenwinkel Munnichs.

Michiel Gerard van Moorsel is onder meer gemeentesecretaris van Hunsel en van 1825 tot 1831 burgemeester van Baexem geweest. Ook is hij griffier van vredegerechten geweest te Meerssen, Weert, Verviers, Deinze en Mechelen aan de Maas. In Weert was hij ook kapitein van de schutterij van de schutterij.[xvii]´[xviii]´[xix]

Bij koninklijk besluit van 29 februari 1840 werd hij tot griffier van het vredegerecht te Deinze benoemd.[xx] In 1854 was hij griffier van het vredegerecht te Mechelen (aan-de -Maas).[xxi] Bij koninklijk besluit van 14 maart 1857 kreeg hij als gepensioneerd griffier van het vredegerecht van Mechelen verlof om zich in Baexem in het hertogdom Limburg (Nederland) te vestigen met behoud van zijn burgerlijk pensioen.[xxii] Enkele maanden later is hij, zoals we gezien hebben, in Baexem getrouwd met Theresia Hendrina Wilkin. Hij is op 13 april 1876 begraven te Stokkem. Als zijn beroep is daarbij gepensioneerd griffier te Lanklaar vermeld.

____________________________________________________________________________

Kasteel Baexem. Funda 2019.

Dat het huwelijk van Michiel Gerardus van Moorsel met Maria Josephina Adolphina Baronesse

Advertentie Bouwhoeven.

de la Marck de Van Moorsels geen windeieren had gelegd, blijkt uit een advertentie in De Maasbode van 9 mei 1875. Daarin wordt aangekondigd dat ten verzoeke van de Adellijke Familie de La Marck en de familie Van Moorsel het kasteel De la Marck te Baexem, drie bij het kasteel gelegen bouwhoeven, een huis en een perceel boomgewas, in totaal bijna 60 hectaren, publiek worden verkocht.

____________________________________________________________________________

Resumé

Zoals we gezien hebben is het verblijf van de familie Wilkin in Weert slechts van betrekkelijk korte duur geweest. Alleen dochter Theresia Hendrina/Thérèse Henriëtte Wilkin is door haar huwelijk met Jan Michiel Antoon Janssens langer in Weert gebleven, in ieder geval tot diens overlijden in 1853 en mogelijk tot haar huwelijk in 1857 met Michiel Gerardus van Moorsel. Waar en wanneer Thérèse Henriëtte Wilkin is overleden heb ik helaas niet kunnen achterhalen.

 

Bronvermeldingen

[i] Knevelarij is het vorderen, ontvangen of achterhouden van geld door een ambtenaar geld, terwijl hij weet dat het niet verschuldigd is.

[ii] Al in de bijbel wordt melding gemaakt van deze functie in de parabel van de tollenaar en de farizeeër, Lucas 16:9-14.

[iii] De door mij geraadpleegde documenten zijn in het Latijn, Frans en Nederlands. Ik vermeld de voornamen meestal zoals die in het desbetreffende document staan.

[iv] In de geboorteakte van Thérèse Henriëtte Wilkin is als beroep van vader Nicolas Wilkin “employé au bureau de l` enregistrement” (ambtenaar bij de registratiedienst) vermeld.

[v] Pierre Nicolas Wilkin is op 14 maart 1859 te Maaseik overleden. Hij was, evenals zijn vader, “employé des douanes”.

[vi] Marie Lambertine Wilkin is op 19 november 1828 te Luik getrouwd met Jean Pierre Servais Pieters, poelier, rue St-Remi. Marie Lambertine was toen zonder beroep en woonde in de rue Basse-Sauvenière. Marie Lambertine Wilkin is in 1858 overleden.

[vii] In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bleef na de Franse tijd de Code Civil (Code Napoleon) gedurende een behoorlijktijd nog van kracht. In Hoofdstuk II, artikel 55 was het volgende bepaald: “Les déclarations  de naissance seront faite , dans les trois jours de l`accouchement, à l`officier de l`état civil du lieu: l`enfant lui  sera présenté.” Vertaling: De geboorteaangiftes zullen gedaan worden, binnen drie dagen na de bevalling, bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats: het kind zal aan hem getoond worden.

[viii] Jean Janssen woonde waarschijnlijk in het een na laatste huis van de Hoogstraat voor de Oelemarkt met bijgebouw aan de Schoolstraat. In het kadaster 1811-1832 staat Pieter Janssen, zadelmaker, de vader van Jean Janssen, als eigenaar van dat perceel vermeld.

[xi] Waarschijnlijk werkte Jozef in de kousenfabriek van zijn zwager Jan Michiel Antoon Janssens.

[x] Het Morgat of Morregat was een straat, die van de Beekstraat  naar de Kasteelsingel liep.

[xi] Bij vonnis van het Hof van Assisen te Maastricht werd hij op 26 juni 1823 tot twee jaar gevangenisstraf en vijftig guldens boete veroordeeld.

[xii] België had zich eind 1830 onafhankelijk verklaard van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

[xiii] Sinds 1838 had volgens het Burgerlijk Wetboek zowel bruid als bruidegom tot hun 30ste jaar toestemming van de ouders nodig om te mogen trouwen. Dat toestemmingsvereiste is pas in 1970 versoepeld.

[xiv] De Moolenstraat liep van de Markt naar de Molenpoort. Deze straat is sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw grotendeels “opgeslokt ”door de Muntpassage.

[xv] https://historischcentrumlimburg.nl/bronnen/archieven/archieven-maastricht?mivast=1540&mizig=210&miadt=38&miview=inv2&milang=nl&mizk_alle=van%20moorsel&micode=16.0771#inv3t1

[xvi] Mogelijk was Michael Gerardus van Moorsel kapitein van een zogenaamde rustende schutterij. Na de Napoleontische tijd werden in de Nederlanden van overheidswege schutterijen opgericht met als taak het handhaven van orde en rust. Deze schutterijen moeten niet verward worden met de historische, thans nog bestaande schutterijen. Bij deze nieuwe schutterijen werd onderscheid gemaakt tussen dienstdoende en rustende schutterijen. Dienstdoende schutterijen hielden regelmatig exercitie- en schietoefeningen. Schutters van rustende schutterijen werden alleen ingeschreven in een register maar oefenden niet. Deze schutterijen werden begin 20ste eeuw opgeheven.

[xvii] https://historischcentrumlimburg.nl/bronnen/archieven/archieven-maastricht?mivast=1540&mizig=210&miadt=38&miview=inv2&milang=nl&mizk_alle=van%20moorsel&micode=16.0771#inv3t1

[xviii] Mogelijk was Michael Gerardus van Moorsel kapitein van een zogenaamde rustende schutterij. Na de Napoleontische tijd werden in de Nederlanden van overheidswege schutterijen opgericht met als taak het handhaven van orde en rust. Deze schutterijen moeten niet verward worden met de historische, thans nog bestaande schutterijen. Bij deze nieuwe schutterijen werd onderscheid gemaakt tussen dienstdoende en rustende schutterijen. Dienstdoende schutterijen hielden regelmatig exercitie- en schietoefeningen. Schutters van rustende schutterijen werden alleen ingeschreven in een register maar oefenden niet. Deze schutterijen werden begin 20ste eeuw opgeheven.

[xix] https://historischcentrumlimburg.nl/bronnen/archieven/archieven-maastricht?mivast=1540&mizig=210&miadt=38&miview=inv2&milang=nl&mizk_alle=van%20moorsel&micode=16.0771#inv3t1

[xx] Journal de Limbourg, 5 maart 1840.

[xxi] L` Indépendance Belge, 19 februari 1854.

[xxii] Journal de Bruxelles, 18 maart 1857.

Lezing “Zwijgende Vaders” en reportage “Van de Bera naar Buchenwald” – 10 maart 2025

De Arbeitseinsatz

De Arbeitseinsatz is nog altijd een onderbelicht hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog.

Meer dan een half miljoen Nederlandse mannen werden tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen om in Duitsland te werken. Deze Arbeitseinsatz was een cruciale en nietsontziende manier voor de Duitsers om de oorlog vol te kunnen houden. Over wat ze in Duitsland hadden meegemaakt, zwegen de meeste dwangarbeiders later.

Ook Paul Overdiek, de vader van Tim Overdiek (59), moet gedwongen dwangarbeid in Duitsland verrichten. Tim verliest zijn vader als hij dertien jaar is. Hij schuift de rouw daarover voor zich uit totdat hij een leeftijd bereikt die zijn vader nooit heeft gehaald.

In het boek “Zwijgende Vaders”, vorig jaar verschenen en al toe aan de derde druk, reconstrueert Overdiek na een lange speurtocht op onvergetelijke wijze de lotgevallen van zijn vader en de mensen om hem heen, die in 1943 vanuit Tilburg naar een Duitse fabriek vertrokken. Het is een ultieme poging om hun verhalen alsnog te vertellen, als eerbetoon aan die vele, heel gewone Nederlandse jongens die terechtkwamen in de Duitse oorlogsmachine.

 

Paul Overdiek, tweede van links, bij Edelstahlwerke in Krefeld.

 

Ook wordt het noodlottig verhaal van dwangarbeider Matthias Tillemans uit Weert belicht. Matthias Tillemans is op 13 maart 1913 in Weert geboren. Tillemans is tijdens een bombardement door de geallieerden op 1 oktober 1944 in Krefeld omgekomen. Op de dag dat zijn zoontje Piet in Weert vijf jaar werd.

Tim Overdiek deed een enorme zoektocht om meer over Matthias Tillemans te weten te komen en nabestaanden van hem te vinden. Het was voor de kleindochter van Matthias Tillemans een enorme openbaring, toen hij haar kon vertellen waar Matthias Tillemans was herbegraven.

 

Begrafenis Matthias Tilllemans op 7 oktober 1944 in Krefeld.

 

Wie ook in het boek voorkomt, is de destijds in Weert woonachtige Joop Stapel, vader van de acteur Huub Stapel. Hij werd naar Duitsland afgevoerd om gedwongen te werken in een fabriek van IG Farben in Uerdingen (bij Krefeld).

Tim Overdiek, auteur van boek Zwijgende Vaders.

Wij zijn bijzonder verheugd dat Tim Overdiek naar Weert wil komen om zijn boek en het onderbelichte verhaal over de dwangarbeid in Duitsland te vertellen en te duiden.

Tim Overdiek is schrijver en therapeutisch coach. Hij was jarenlang journalist voor NOS Nieuws in binnen- en buitenland. Dat maakt hem een ervaren verteller en luisteraar, die graag met zijn publiek en lezers in gesprek gaat.

Het verhaal vindt veel weerklank bij de mensen, die stuitten op een hardnekkig stilzwijgen van hun vader, moeder of ander familielid zodra de Tweede Wereldoorlog ter sprake kwam.

Elke familiegeschiedenis heeft zijn eigen geheim, zijn eigen pijn of verdriet, en dat maakt de lezing Zwijgende Vaders tot zo’n herkenbare getuigenis.

Bezien vanuit de blik van (klein)kinderen raakt Tim Overdiek thema’s als openheid, mildheid, schaamte en schuld, vergeving en intergenerationeel trauma aan.

Thuisfront van de dwangarbeiders

Ons lid, cineast Peter Crins uit Leveroy, dook in zijn filmarchieven. Hij laat enkele familieleden van dwangarbeiders kort aan het woord om te verhalen hoe zij de onzekerheid en afwezigheid beleefden.

 

 

Van de Bera naar Buchenwald

Jac Slenders.

De oorlogsgeschiedenis van Jac Slenders, vanne Slemp van Boshoven, is zeer bijzonder. Op 14-jarige leeftijd, in 1933, begon hij bij de Bera (Tricotage) te werken. Tijdens de oorlog moest hij zich melden voor de Arbeitsinsatz. Uiteindelijk kwam hij in het concentratiekamp Buchenwald terecht. Daar ontmoette hij directeur Beeren van de Bera, die daar ook gevangen zat. In het kamp kreeg men informatie door van de lotgevallen van andere Weertenaren die in de kampen zaten. Door toeval ontsnapte Slenders meermaals aan de dood. Jac Slenders kwam na veel omzwervingen samen met de Stramproyer Thei Houben (1922-2009) tijdens de Bevrijdingsdagen in Weert aan. De kille ontvangst daar viel hen zwaar.

Aan cineast Peter Crins uit Leveroy vertelde Jac Slenders zijn verhaal die het tot een korte reportage verwerkte. Zijn aangrijpende getuigenis is een mogelijk antwoord op de vraag waarom er na de oorlog vaak gezwegen werd.

Gevangenen in Buchenwald.

 

Praktische Informatie

wat: Lezing “Zwijgende Vaders” en reportage “Van de Bera naar Buchenwald”
door: Tim Overdiek
wanneer: maandag 10 maart 2025
aanvang: 19.30 uur
waar: Munttheater Weert, Collegeplein 3 6001 HN Weert
entree: € 5,- (contant te voldoen bij binnenkomst)

 

Een schout in de fout

ambtelijke corruptie met vergunningen voor het steken van turf begin 19de eeuw in Nederweert

geschreven door: Wil Filott

 

Inleiding

In het begin van de 19de eeuw vonden er in Nederweert “onregelmatigheden” plaats bij de verlening van vergunningen voor het steken van turf en de controle daarop. De plegers van die onregelmatigheden waren overheidsdienaren. In dit artikel beschrijf ik die onregelmatigheden – of in juridisch jargon – ambtelijke corruptie.  Maar eerst beschrijf ik in het kort de ”staatkundige” ontwikkeling van Nederweert.

 

De ontwikkeling van de “staatkundige” positie van Nederweert tot begin 19de eeuw

Nederweert was – evenals Weert – eeuwenlang een heerlijkheid. De heerlijke rechten waren in handen van de heren/graven van Horne. Na de onthoofding van Philips de Montmorency, graaf van Horne, in Brussel in 1568 werd de heerlijkheid geconfisqueerd en als onderdeel van Spaans Gelre bestuurd vanuit Roermond.  Na heel wat verwikkelingen kwamen de rechten over de heerlijkheden Weert en Nederweert toe aan de prinsen van Chimay. De heerlijkheden bleven tot de Franse tijd in handen van afstammelingen van deze familie.[i] Na de Vrede van Utrecht van 1713 maakte Nederweert – evenals Weert – op grond van het Barrièretractaat deel uit Oostenrijks Gelder. Dat bleef zo tot de inval van de Fransen in 1794. Na de inlijving in 1795 bij de Franse republiek werden heerlijkheden en heerlijke rechten afgeschaft.

Uitsnede Ferrariskaart 1777 met ligging NederWeerdt en Weerdt tussen moerassen.

Van 1795 tot 1800 vormde Nederweert samen met Weert en Stramproy het kanton Weert. In 1800 werd Nederweert een commune (burgerlijke gemeente) binnen het département de la Meuse inférieure (departement Nedermaas) met een eigen maire (burgemeester). In 1815 werd Nederweert ingedeeld in de provincie Limburg van het nieuwgevormde Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Het bleef een zelfstandige gemeente. Bij Koninklijk Besluit van 14 februari 1818 werd een reglement voor het bestuur van het platteland vastgesteld. Aan het hoofd van een plattelandsgemeente zoals Nederweert kwam een door de koning benoemde schout te staan. Ook kwam er een gemeenteraad, waarvan de leden werden benoemd door gedeputeerde staten van de provincie. Dit orgaan benoemde uit de leden van die gemeenteraad twee schepenen.

 

Nederweert begin 19de eeuw

De gemeente Nederweert telde begin 19de eeuw ruim 3500 inwoners. De bevolking woonde in de kern Nederweert en een aantal buurtschappen. Bij de volkstelling van 1820 zijn de straten en buurtschappen als uitgangspunt genomen. Dat zijn: Hoeven, Hulsen, Eijnd, Schoor, Kraan, Roeven, Staat, Leijveroij, Moessemstraatje, Kerkstraat, Rosvelt, Heijsterstraat, Boeket, Herstraat, Strateris, Bosserstraat, Winnerstraat, Nieuwstraat, Horik, Klaarstraat, Ospel, Waatskamp, Kreijel, Budschop en Schansstraat.

Uitsnede militaire kaart 1861 met Nederweert en buurtschappen. De situatie begin 19de eeuw zal nauwelijks anders geweest zijn, met uitzondering van de Zuid-Willemsvaart. Bron: https://maps.arcanum.com.

 

Verordening uit 1779 om illegaal gestoken turf weg te laten halen.
Bron: https://watstaatdaer.nl/oefenen/complete-teksten/illegaal-turfsteken-de-peel.

De meeste inwoners van Nederweert werkten in die tijd in de agrarische sector. Een van de nevenactiviteiten van de bevolking was het steken van turf in de Peel. Turf is lang een belangrijke brandstof geweest voor de inwoners van de plaatsen rond de Peel.[ii] Om te voorkomen dat er ongebreideld turf in de Peel werd gestoken, werd de winning daarvan gereglementeerd.

Zo werd in 1779 door de schepenen en gezworenen van Nederweert een verordening uitgevaardigd om turf, gestoken door onbevoegde “uijtheimischen”, weg te laten halen en naar goeddunken te gebruiken.

In het Dénombrement van 1781 staat dat de inwoners van Weert en Nederweert toestemming van de heer hadden gekregen om de turfvelden te ontginnen, maar alleen voor eigen gebruik.[iii]

Transscriptie van de verordening van 1779:

Wij schepenen en gezworenen van de heerlijkheid Nederweert gelasten, zoals wij bij deze doen, onze huidige burgemeester Jan Sijben alias(!) Wetemans om turf gestoken door niet-ingezetenen, die niet gerechtigd zijn om turf te steken in onze heerlijkheid, weg te laten halen en daarvoor zo veel karren te gebruiken of te vorderen als nodig zullen zijn en de gestoken, nog niet droge, turf her te verdelen of in in stukken te hakken, naar het hem het beste voorkomt.

Gedaan te Nederweert, de negende september 1779

Gielis van Otto, president-schepen
Maes Gubbels, schepen
Frans Kluiskens, Schepen
Francis van Asten, Schepen
Cleophas Bocholts als gezworene
Jan Mertens als gezworene
Joost Saesen als gezworene
Antonis Simons als gecommiteerde
Marten Bromber als gezworene???”.

De in de verordening vermelde burgemeester Joannes Sijben is op 24 juli 1704 geboren te Nederweert en op 3 april 1780 overleden te Nederweert. Hij is 20 mei 1735 te Nederweert getrouwd met Aldegonda Wetemans. Het echtpaar had dispensatie gekregen van drie roepen.[iv]

Akte kerkelijk huwelijk Joannes Sijben en Aldegonda Wetemans, 20 mei 1735.

Na deze inleiding richten we het vizier op ambtelijke corruptie in Nederweert eind jaren tien en begin jaren twintig van de 19de eeuw.

 

Wat was er begin 19de eeuw aan de hand in Nederweert? [v]

In de jaren waarin zich dit verhaal afspeelt moest men in Nederweert een vergunning van gemeentewege hebben om turf te mogen steken.[vi] De vergunningenplicht had als doel het reguleren van het steken van turf, het voorkomen van overexploitatie en het generen van inkomsten voor de gemeente. Voor die vergunning moest betaald worden. Enkele ambtsdragers konden de verleiding niet weerstaan om misbruik te maken van hun positie en de inwoners van Nederweert geld afhandig te maken: een geval van ambtelijke corruptie. Een van hen was schout Joannes Trouwen.[vii]

Joannes Trouwen was al in de Franse tijd in 1807 door prefect Roggieri van het departement Nedermaas tot maire van Nederweert benoemd. Voordien vervulde François Henry Charette deze functie.[viii] Enkele jaren eerder had er in Nederweert op initiatief van raadsleden een mondelinge enquête plaatsgevonden onder de hoofden van huishoudens welke persoon zij als burgemeester wilden. Er bleek een duidelijke voorkeur te bestaan voor Joannes Trouwen. Van de 421 ondervraagde personen stemmen gaven er 325 te kennen het meeste vertrouwen in Trouwen te hebben.[ix]

Maire Trouwen was blijkbaar nogal gezagsgetrouw zoals uit het volgende blijkt. Nadat Napoleon in 1806 het Continentaal Stelsel had afgekondigd, konden Britse schepen niet meer aanmeren in havens in bijna geheel Europa. Door het Continentaal Stelsel werd alle handel tussen Groot-Brittannië en het Europese vasteland verboden. Daarmee kwam een einde aan de import van overzeese goederen, waaronder suiker gemaakt van suikerriet. Om toch aan voldoende suiker te komen vaardigde Napoleon in 1812 een decreet uit, waarin de diverse regio`s van het het Franse keizerrijk de verplichting werd opgelegd een bepaald areaal aan suikerbieten aan te planten.[x] Deze verplichting gold dus ook voor Nederweert. In veel plaatsen werd die verplichting geboycot, maar niet in Nederweert. De Fransgezinde maire Trouwen slaagde erin zo`n honderd boeren uit de gemeente Nederweert te verleiden suikerbieten te telen.[xi] Dat staat in schrille tegenstelling met Weert waar slechts twee grondeigenaren suikerbieten gingen telen. Die grondeigenaren waren maire Bloemarts van Weert en belastingontvanger Charette.

Het Hof van Assisen

Een tweetal functionarissen van de landelijke overheid en een tweetal inwoners van Nederweert stonden eind mei 1823 terecht voor het Hof van Assisen in Maastricht.[xii]. Zij werden verdacht van ambtelijke corruptie. Dat Hof besteedde zes dagen aan deze corruptiezaken.

Stadhuis van Maastricht, waar de zittingen van het Hof van Assisen plaatsvonden.

Een Hof van Assisen oordeelde over personen die verdacht werden van het plegen van een ernstig misdrijf. Hoven van Assisen waren in Frankrijk in 1791 ingesteld. Tijdens de Franse inlijving werd deze rechtsinstelling ook in het huidige België en Nederland ingevoerd. Een Hof van Assisen bestond uit vijf raadsheren. De in de Franse tijd bij het Hof van Assisen ingevoerde juryrechtspraak is in Nederland op 11 december 1813 afgeschaft in artikel 16 van het besluit “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijk Regts-oefening in de Verëenigde Nederlanden”: het zogenaamde Gesel- en Worgbesluit. Het Hof van Assisen bleef in Limburg in stand zowel tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) als tijdens de Belgische periode (1830-1839) tot de opheffing per 1 januari 1842 van de uitzonderingstoestand in de Nederlands provincie Limburg.

Wie waren de verdachten in deze corruptiezaken?

In de beklaagdenbank zaten:

  • Joseph Nicodeme, 44 jaar oud, geboren te Enghien, voorheen ontvanger van de in- en uitvoerrechten te Reuver, gemeente Beesel, arrondissement Roermond.
  • Nicolas Wilkin, oud 48 jaar, geboren te Luik, voorheen commies te paard tweede klasse van de in- en uitvoerrechten, standplaats Weert.
  • Jean Trouwen, 62 jaar oud, voormalig schout van Nederweert, geboren en wonend in de gemeente Nederweert.[xiii]
  • Adrien-Sébastien Trouwen, zoon van Jean Trouwen, oud 31 jaar, zonder beroep, geboren en wonend in Nederweert.

Enige genealogische gegevens van de verdachten

Jacques Antoine Nicolas Wilkin is geboren in de stad Luik, Prinsbisdom Luik, op 4 april 1774. Hij is op 22 oktober 1799 te Luik, Franse republiek, getrouwd met de 19-jarige Marie Lambertine Josephine Lefebvre, geboren 24 december 1779 in de stad Luik. Als zijn beroep is bij het huwelijk koerier bij het registratiekantoor vermeld. Nicolas Wilkins is op 73-jarige leeftijd op 28 december 1847 te Luik overleden. Hij woonde toen in de voorstad Saint Gilles. Als zijn beroep is in de overlijdensakte douane-employé vermeld.

Joseph Nicodeme is op 21 januari 1779 geboren te Enghien/ Edingen, thans provincie Henegouwen. Hij is op 1 december 1799 te Enghien getrouwd met Anne Josèphe Seghers en op 8 april 1835 te Brussel met Catherine Lepin. Overlijdensdatum en -plaats onbekend.

Joannes Trouwen is op 8 oktober 1760 te Nederweert geboren. Hij is op 12 juni 1787 te Budel getrouwd met Maria Agnes Koeckhofs, geboren op 8 november 1851 te Budel en overleden op 20 maart 1835 te Nederweert. Joannes Trouwen is op 23 april 1827 op 65-jarige leeftijd overleden te Nederweert.

Met een omgekeerde druppel aangegeven ligging van woonhuis en brouwerij van Adrianus Sebastianus Trouwen. Bron: https://aezel.eu/

Adrianus Sebastianus Trouwen, zoon van Joannes Trouwen en Agnes Koeckhofs, is op 20 januari 1791 te Nederweert gedoopt. Hij is op 16 februari 1821 te Nederweert getrouwd met de 17-jarige Joanna Spierings, geboren op 13 maart 1803, Nederweert en overleden op 1 mei 1838, Nederweert. Hij is op 52-jarige leeftijd op 11 oktober 1843 te Nederweert overleden. Zijn beroep was brouwer. Hij woonde in de Kerkstraat te Nederweert tegenover de kerk.

Waar werden de verdachten van beschuldigd?

Joseph Nicodeme, Nicolas Wilkin en Jean Trouwen werden ervan beschuldigd in het jaar 1820 in de uitoefening van hun functie, in vereniging, het misdrijf van verduistering gepleegd te hebben.[xiv] Zij zouden van verscheidene personen een bedrag van in totaal meer dan duizend Nederlandse guldens gevraagd en ontvangen hebben boven het bedrag dat deze werkelijk verschuldigd waren voor het recht om turf te steken in de turfvelden van Nederweert. Subsidiair werd hen ten laste gelegd dat zij dat bedrag frauduleus onttrokken of verduisterd zouden hebben ten nadele van de publieke kas en het voordeel gezamenlijk zouden hebben verdeeld.

Joseph Nicodeme en Nicolas Wilkin werden er bovendien van verdacht, in vereniging, herhaalde malen aanbiedingen of beloften te hebben geaccepteerd om geen processen- verbaal op te maken tegen verscheidene particulieren die zij betrapt hadden op overtreding van de wetten inzake het steken van turf.

Verder werden Joseph Nicodeme en Nicolas Wilkin ervan verdacht samen de staatskas een deel van zijn inkomsten onthouden te hebben door niet handelend op te treden tegen verscheiden bierbrouwers en distillateurs, die zich verstout hadden meer bierbrouwsels te maken of de capaciteit van hun distilleerketels te vergroten, allemaal in strijd met de rechten van de belastingdienst.

Code pénal.

Jean Trouwen werd er ook van beschuldigd in 1818, 1819, 1820 en een deel van 1821 in de uitoefening van zijn functie de misdaad van knevelarij begaan te hebben door twee Kleefse “duiten” gevraagd en ontvangen hebben bij iedere vergunning om een kar turf te mogen steken.[xv] Volgens de voorschriften was voor iedere vergunning slechts twee en een halve cent Nederlands geld verschuldigd.[xvi] Bovendien was hij doorgegaan met die twee ”duiten” te eisen en te ontvangen terwijl voor het steken geen vergunning meer nodig was.

Adrien-Sébastien Trouwen werd medeplichtigheid aan de knevelarij ten laste gelegd omdat hij zijn vader willens en wetens geholpen of bijgestaan had door de voorbereiding of uitvoering van dat misdrijf te faciliteren.

Op de beoordeling van de tenlastegelegde zaken was de vanuit de Franse tijd gehandhaafde Code pénal van toepassing.

Na het vertrek in 1813/1814 van de Franse troepen uit Nederland vaardigde Willem I, “Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, een Besluit uit, “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijk Regts-oefening in de Verënigde Nederlanden”: het zogenaamde “Gesel- en Worgbesluit”.[xvii] Daarin werd onder meer de Franse Code pénal ‘bij provisie’ gehandhaafd, “totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien”. Dat `bij provisie` heeft lang geduurd. Wel werd er een vertaling van de Code pénal in het Nederlands vervaardigd: het Wetboek van Strafregt. De Code pénal bleef met wijzigingen tot 1886 in Nederland van kracht. Toen pas werd die overigens vaak gewijzigde code vervangen door het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.

Wat was de uitspraak van het Hof van Assisen?

Op 26 juni 1823 deed het Hof na enkele uren beraad uitspraak in deze corruptiezaken.

  • Nicolas Wilkin werd niet schuldig geacht aan verduistering.
  • Joseph Nicodeme werd schuldig geacht in de uitoefening van zijn functie minsten een bedrag van zeshonderdenvier Nederlandse guldens verduisterd te hebben ten nadele van de publieke kas.
  • Vader Jean Trouwen werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan de door Joseph Nicodeme gepleegde verduistering. Hij had deze willens en wetens geholpen bij het voorbereiden en uitvoeren van dat misdrijf.
  • Joseph Nicodeme en Nicolas Wilkin werden beide schuldig bevonden zilvergeld en andere voorwerpen van een aantal personen afgetroggeld te hebben. Dat had plaatsgevonden door bij overtredingen geen proces-verbaal op te maken maar hen angst in te boezemen dat zij forse boetes moesten betalen.[xviii]
  • Vader Jean Trouwen en zoon Adrien-Sébastien Trouwen werden vrijgesproken van knevelarij resp. medeplichtigheid daaraan.

 

Welke straffen kregen de veroordeelden?

Het Hof veroordeelde Joseph Nicodeme op grond van artikel 171 van de Code pénal tot vijf jaar gevangenisstraf en Jean Trouwen tot twee jaar gevangenisstraf. Zij moesten als schadevergoeding zeshonderdenvier guldens aan de schatkist en honderd euro boete betalen. Verder mochten ze nooit meer een publieke functie vervullen.

Vertaling van artikel 171 van de Code pénal, voor zover van toepassing:

“Als de verduisterde of onttrokken waarden minder dan drieduizend francs bedragen, …., zal de straf een gevangenisstraf van ten minste twee jaren en ten hoogste vijf jaren bedragen. De veroordeelde zal bovendien nooit meer een publieke functie mogen uitoefenen.”

Nicolas Wilkin werd op grond van artikel 405 van de Code pénal tot twee jaar gevangenisstraf en een boete van vijftig guldens veroordeeld.

Vertaling van artikel 405 van de Code pénal, voor zover van toepassing:

“Ieder….die gebruik maakt van ….. zijn bevoegdheden …. om de hoop of de vrees voor een goede afloop te laten ontstaan ….zich geldsommen laat geven ….zal gestraft worden met een gevangenisstraf van ten minste een jaar en ten hoogste vijf jaren en een boete van ten minste vijftig francs en ten hoogste drieduizend francs.”

De drie veroordeelden moesten ook de kosten van het proces betalen. De vrijgesproken Adrien-Sébastien Trouwen werd direct in vrijheid gesteld.

 

Epiloog

Zoals we gezien hebben, genoot Jean Trouwen tijdens de Franse tijd het vertrouwen van het merendeel van de mannelijke inwoners van Nederweert. Of zijn veroordeling daarin verandering heeft gebracht, is niet bekend.

Die veroordeling heeft in ieder geval geen nadelige gevolgen voor de carrières van familieleden in de gemeente Nederweert gehad.

Zijn opvolger als burgemeester van Nederweert was zijn schoonzoon Adrianus Wilhelmus Vullers, (Rotterdam, 3 november 1795 – Nederweert, 2 december 1847), die getrouwd was met Maria Elisabeth Trouwen (Nederweert, 23 april 1786 – Nederweert, 13 februari 1865).

Hij werd in 1848 als burgemeester opgevolgd door Leonard Beelen (Nederweert, 11 februari 1793 – Nederweert, 16 januari 1853).

Na diens overlijden werd Peter Joannes Hubertus Vullers, (Nederweert, 11 februari 1827 – Nederweert, 9 oktober 1893), een zoon van het echtpaar Vullers-Trouwen, in 1853 tot burgemeester van Nederweert benoemd.  Peter Vullers was getrouwd met Maria Margaretha Hubertina Beelen (Nederweert, 16 augustus 1830 – Nederweert, 23 mei 1911), een dochter van burgemeester Leonard Beelen.  Peter Vullers is burgemeester geweest tot zijn overlijden op 9 oktober 1893.

Een zoon van burgemeester Jean Trouwen, Petrus Adrianus Trouwen (Nederweert, 17 juli 1789 – Nederweert, 2 februari 1863), is gemeentesecretaris van Nederweert geweest.  Na diens eervol ontslag in 1854 werd zijn zoon Petrus Joannes Trouwen (Nederweert, 5 september 1826 – Nederweert, 29 december 1867) in die functie benoemd. Hij vervulde dat ambt tot zijn overlijden.

De conclusie is dat Jean Trouwen de grondlegger is geweest van een dynastie die gedurende een groot deel van de 19de eeuw de bestuurlijke dienst heeft uitgemaakt in Nederweert.

 


Bronvermelding

[i] Op de keper beschouwd, deel 2, Jean Coenen, pag. 319 e.v.

[ii] De heerlijkheden Weert en Nederweert en de verkoop van 1781, Emile Haanen, pag. 35 en 42. Bron: http://www.showeert.nl/artikelen/1.2%20weert-nederweert-wessem%3B%20horn/haanen%20heerlijke-rechten-weert-nederweert%20jrbkw10.pdfwww.

[iii] Het Franse woord dénombrement beteken letterlijk opsomming. In dit geval is het de verkoopbrochure met een opsomming van de te verkopen zaken en rechten van de heerlijkheden Weert en Nederweert

[iv] Dispensatie is in de katholieke kerk een vorm van ontheffing van bepaalde kerkelijke voorschriften. De kerkelijk dispensatie had in de praktijk vaak betrekking op het huwelijk. Een voorgenomen huwelijk werd door de priester aangekondigd in de hoogmis drie zondagen voorafgaande aan het huwelijk; de zogenaamde roepen. De parochianen werd er dan op gewezen dat zij verplicht waren een huwelijksbeletsel te melden. Soms waren er reden die een snel huwelijk wenselijk maakten, zoals bij een vergevorderde zwangerschap van de aanstaande bruid. Ook kon er dispensatie gekregen worden voor trouwen in de gesloten tijd: de vastenperiode en de advent.

[v] De inhoud van dit artikel is deels gebaseerd op een bericht in de Franstalige Journal de la province de Limbourg van zaterdag 28 juni 1823. Deze krant verscheen voor 1 januari 1816 onder de naam Journal de Maestricht. Toen de provincie Limburg een onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was geworden, vond op overzoek van het bestuur van de provincie de naamswijziging plaats.

[vi] Op 9 juli 1791 hebben de magistraten van Nederweert en Weert een gezamenlijke verordening afgegeven voor de uitgifte van nieuwe veenvelden op 14 juli 1791. Bron: Joost Welten, Bijlagen – bronnen – literatuur – noten – register, hoofdstuk 1 noot nr. 102

[vii] Ambtelijke corruptie is het verschijnsel waarbij een overheidsdienaar misbruik maakt van zijn macht of zijn positie door een ander om te kopen of zich laat omkopen om bepaalde zaken gedaan te krijgen, vaak in ruil voor persoonlijk voordeel.

[viii] Deze François Henry Charette is nadien benoemd tot belastingontvanger voor het leven te Weert. In Weert is op 28 september 1807 zijn zoon Jean François Henry geboren. Deze Jean François Henry Charette was kunstschilder en is op 1 februari 1895 overleden te Etterbeek, Brussel.

[ix]  In dienst van Napoleons Europese droom”, Joost Welten, pag. 746.

[x] Décret relatif au développement du sucres de betterave en France, 15 januari 1812.

[xi] Nederweerter deugnieten stonden aan de wieg van de suikerbietenteelt, Alfons Bruekers. https://www.nederweert24.nl/2023/07/15/

[xii] De landelijk overheid was na het vertrek van de Fransen sinds 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, bestaande uit het huidige Nederland en België.

[xiii] Joannes Trouwen was in 1822 als schout van Nederweert vervangen door Adriaan Willem Vullers.

[xiv] De Franse tekst luidt “de complicité “.

[xv] Knevelarij is het vorderen, ontvangen of achterhouden van geld door een ambtenaar geld, terwijl hij weet dat het niet verschuldigd is.

[xvi] In de Franse tekst staat “deux sols de Clèves”.

[xvii] Het Gesel- en Worgbesluit heeft zijn benaming te danken aan de volgende bepaling (artikel 7) in het besluit: “De straf van altoosdurende dwang-arbeid (travaux forcés à perpétuité) …wordt gesubstitueerd (vervangen) door de straf van geeseling, met de strop om den hals, aan de galg vastgemaakt…”. De straf “met de strop om de hals aan de galg vastgemaakt” stond symbool voor de doodstraf door worgen.

[xviii] Deze straffen werden opgelegd omdat de verdachten niet hadden opgetreden tegen bierbrouwers en distillateurs die meer bierbrouwsels hadden gemaakt of de capaciteit van hun distilleerketels hadden vergroot, in strijd met hun vergunningen.  Daardoor had de staat inkomsten misgelopen.

Registratie voor cursus Weerterlogie voorjaar 2025

Iedereen die zich heeft aangemeld voor de cursus Weerterlogie voorjaar 2025 vragen we om onderstaande formulier in te vullen. Sinds kort hebben we deze functionaliteit aan onze website toegevoegd. Het helpt ons om uw gegevens correct te vermelden op het getuigschrift dat u aan het eind van de cursus ontvangt. Het invullen kost nog geen 3 minuten. U helpt ons er enorm mee. Alvast hartelijk dank!

Klik hier voor meer praktische informatie over de cursus Weerterlogie voorjaar 2025.

https://dealdenborgh.nl/formulier-registratie-weerterlogie-voorjaar-2025/

 

Zet in de agenda: evenement ‘Wieërter oorlogslaeve belaeve’ – 10 en 11 mei 2025

In het kader van 80-jaar bevrijding (5 mei 1945) vindt op 10 en 11 mei 2025 ‘Wieërter oorlogslaeve belaeve’ plaats. Met optredens van het Mannenkoor Eendracht uit Swartbroek, de harmonie Heilig Hart uit Altweerterheide en en het Weerter Mannenkoor. Er komen persoonlijke verhalen over de oorlogstijd aan de orde en er treedt een re-enactment groep op. 

Verslag lezing ‘De Kulturkampf en de kloosters in Limburg’ – 13 januari 2025 in Munttheater

Lezing door prof. dr. Peter Nissen 

Verslag: Wil Filott 

Welkom
Peter Korten kon in de foyer van het Munttheater 84 bezoekers verwelkomen. Hij memoreerde dat enkele weken voordien een nog groter aantal bezoekers de zeer actuele bijeenkomst over de openbaarheid van oorlogsarchieven had bezocht. 

Publiek in de foyer van het Munttheater in Weert.

Peter Korten deelde mee dat in de afgelopen periode drie prominente leden zijn overleden: 

  • Thijs Stultiëns uit Gorcum
  • Har Heijmans, amateur-archeoloog uit Ittervoort
  • Hub Latten, Franciscaan, kloosterling

Op verzoek van Peter werd een minuut stilte in acht genomen ter nagedachtenis aan de overledenen. 

Peter Korten.

Peter Nissen.

 

In het kader van het onderwerp van de lezing van vanavond bracht Peter in herinnering dat Weert ook bekend stond als stichtstad. De stad kende veel religieuze instellingen. Met die mededeling gaf hij het woord aan prof. dr. Peter Nissen.

 

 

 

 

 

Lezing door Peter Nissen 

Naamdag

Peter Nissen begon zijn lezing met de mededeling dat het vandaag, 13 januari, de naamdag is van de heilige Hilarius. Deze was bisschop van Poitiers. Daar werd hij opgezocht door de heilige Martinus van Tours, die op dat moment nog slechts de lage wijding van exorcist had ontvangen.  

 

Meisjesonderwijs in Weert 

Grand Café Het Klooster.

Sinds 1848 kende Nederland formeel vrijheid van godsdienst. Frans Boermans was van 1863 tot 1887 deken van Weert. Later werd hij bisschop van Roermond, een bisdom, waarvan de grenzen samenvielen met die van de provincie Limburg. In zijn Weerter periode zocht Boermans naar zusters die onderwijs konden geven aan meisjes. Via een advertentie kwam hij in contact met zusters Ursulinen in Dorsten. Deze waren ten gevolge van de Kulturkampf gedwongen Duitsland te verlaten. De zusters kwamen in 1875 naar Weert en vestigden zich in een woning hoek Langstraat-Molenstraat (nu Van Berlostraat).

Voorgevel van het klooster aan de Langstraat.

In dat thans leegstaande pand was tot een aantal jaren geleden het Grand Café Het Klooster gevestigd. De Ursulinen pakten het onderwijs voortvarend aan en stichten een complex van gebouwen, waarin onderwijs van allerlei niveaus (Huishoudschool, mulo, mms) werd gegeven. Zij hadden tot de tweede wereldoorlog een pensionaat, aanvankelijk voor Duitse meisjes. Het middelbaar onderwijs is opgegaan in het Philips van Horne.  

Het grootste deel van het kloostercomplex is afgebroken maar de kapel en de voorgevel van het klooster aan de Langstraat zijn behouden gebleven. De laatste ursulinen zijn in 1989 uit Weert vertrokken.  

 

De Kulturkampf 

De voorgeschiedenis van de Kulturkampf gaat terug naar het Congres van Wenen in 1815, waar na de val van Napoleon nieuwe grenzen in Europa werden getrokken. Daaruit vloeide onder meer de vorming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden uit voort. Belangrijker was dat het eeuwenoude Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation ophield te bestaan en een Duitse bond van 39 staten, waaronder het katholieke Oostenrijk, werd gecreëerd. Het katholieke Rijnland kwam te ressorteren onder de Lutherse koning van Pruisen.  

In 1825 kwam het tot een confrontatie tussen de Pruisische overheid en de katholieke kerk. In dat jaar werd een wet uitgevaardigd dat kinderen uit een gemengd huwelijk moesten worden opgevoed in de godsdienst van de vader. Om het protestantisme in het Rijnland een impuls te geven, werden protestantse vrijgezellen naar het Rijnland gestuurd. Zoals dat gaat, kwam het tot huwelijken tussen die protestantse mannen en katholieke meisjes. Dat hun kinderen protestants opgevoed moesten worden, was tegen de leer van de katholieke kerk, die bepaalde dat kinderen uit een gemengd huwelijk katholiek opgevoed moesten worden.  

 

Na de Frans-Duitse oorlog van 1870 

Na de door de Duitsers gewonnen Frans-Duitse oorlog (1870-1871) werd in de Duitse landen het zogenaamde Tweede Rijk gevormd onder keizer Wilhelm I, ditmaal zonder Oostenrijk.  

Tweede Rijk gevormd onder keizer Wilhelm I.

Bismarck werd gezien als de grote overwinnaar. Hij werd in 1871 Reichskanzler. Hij beschouwde de katholieken als conservatief. In 1864 had paus Pius IX de encycliek Quanta cura uitgevaardigd waarin een lijst van ‘dwalingen’ was opgenomen zoals de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van drukpers. In 1870 werd tijdens het eerste Vaticaans concilie het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid afgekondigd als de paus ex cathedra sprak. Dat viel niet bij iedereen in goede aarde. Binnen de katholieke kerk was de Duitser Von Döllinger, rector van de Universiteit van München, een van de grootste critici. In dezelfde periode stond Garibaldi, die streefde naar staatkundige eenheid in Italië, voor de poorten van Rome.  

Als tegenwicht tegen het overheersende Pruisische protestantisme ontstond een organisatie van katholieke intellectuelen: de Zentrumpartei 

 

Anti-roomse wetten en maatregelen  

De Pruisische regering wilde de invloed van de katholieke kerk terugdringen. In de jaren zeventig van de 18de eeuw werd een aantal wetten en maatregelen ingevoerd. In 1871 werd de zogenaamde Kanzelparagraph van kracht: een verbod om vanaf de preekstoel politieke opvattingen te verkondigen. In 1871 werd de Katholische Abteilung van het Kultusministerium opgeheven. Ook werden de Maigesetze ingevoerd. Toekomstige priesters werden verplicht drie jaren aan een staatuniversiteit te studeren. Kerkelijk vermogen moest door leken worden beheerd. Het burgerlijk huwelijk werd verplicht en moest eerst voltrokken zijn voor er een kerkelijk huwelijk gesloten mocht worden. 

In 1875 vaardigde paus Pius IX de encycliek Quod nunquam uit, waarin de maatregelen van de Duitse overheid tegen de katholieken ongeldig werden verklaard. In Pruisen werd als reactie het Brotkorbgesetz ingevoerd, waarbij de staatsteun aan katholieke instellingen werd beëindigd. 

De gespannen verhouding tussen de rooms-katholieke kerk en Pruisen in de jaren zeventig en tachtig van de 19de eeuw is door Rudolf Kirchow gemunt met het woord Kulturkampf. De Kulturkampf is in de kern een strijd tussen het verlichte, Pruisische protestantisme en de behoudende, obscurantistische katholieke kerk. 

Al die anti-roomse maatregelen hadden desastreuze gevolgen voor de clerus. In 1881 had 25% van de parochies geen geestelijken meer. In het bisdom Trier zaten 50 priesters in de gevangenis. In 1870 waren nog slecht 4 bisschopszetels bezet. Aartsbisschop Melchers van Keulen bestuurde zijn bisdom enkele jaren vanuit het Minderbroedersklooster te Maastricht; bisschop Martin van Paderborn deed dat vanuit kasteel Neubourg te Gulpen. 

Na het aantreden van paus Leo XIII trad er verbetering op in de relatie tussen het Duitse keizerrijk en het Vaticaan. Na 1880 kwamen er in Duitsland zogenaamde Milderungsgesetze, waarin maatregelen tegen katholieke instellingen werden teruggedraaid. 

 

Kloosterlingen in ballingschap 

Plaquette op de Canossasaüle in Bad Harzburg.

In 1872 werden leden van de Jezuïetenorde en enkele andere kloosterorden verbannen (Jesuitengesetz). Dat leidde tot een protest van paus Pius IX. Bismarck reageerde daarop met Nach Canossa gehen wir nicht, weder körperlich noch geistlich”: een uitspraak die verwees naar de vernederende gang van de Duitse keizer Hendrik IV in 1077 naar de Italiaanse plaats Canossa om de paus te smeken de over hem uitgesproken kerkelijke ban op te heffen. 

In 1875 werden alle kloosters verboden, behalve die aan ziekenzorg deden (Klostergesetz). Dat leidde tot een grote uittocht van kloosterlingen. Zo gingen Norbertijnen naar de Verenigde Staten om pastorale zorg te verlenen aan katholieke emigranten. Ook gingen er zo’n 100 Franciscanen naar Amerika. Een aantal van hen ging naar Weert, waar al eeuwen een klooster van Franciscanen was. Van de gevluchte kloosterlingen vertrok ongeveer een derde deel naar Nederland. Ondanks het nog in Nederland voorkomende antipapisme ging dat soepel. Redenen daarvoor waren: 

  • Nederland kende een lange traditie van het opnemen van vluchtelingen wegens geloofsovertuiging (Hugenoten, Joden, Hernhutters)
  • er was een afkeer tegen de onverdraagzame Kulturkampf
  • immigranten werden volgens de Vreemdelingenwet 1849 toegelaten, mits zij voor hun eigen levensonderhoud zorgden en de openbare orde niet verstoorden

 

Duitse kloosterlingen in Limburg 

Van de Duitse kloosterlingen in Nederland kwam een substantieel deel naar Limburg. Redenen daarvoor waren: 

  • de lange grens tussen Limburg en Duitsland
  • een homogeen katholieke bevolking
  • bij de volkstelling van 1899 gaf 99% van de Limburgers op katholiek te zijn
  • de communicatie met de bevolking was vanwege het dialect redelijk gemakkelijk

Bisschop Paredis.

In de Franse tijd waren de kloosters opgeheven. Bisschop Paredis van Roermond wilde weer meer kloosters in zijn bisdom. De Duitse kloosterlingen waren dan ook welkom in zijn bisdom Roermond. Andere Nederlandse bisschoppen hadden niet zo veel op met die Duitse kloosterlingen.  

In 1801 was het oude bisdom Roermond door de Fransen opgeheven. Vanaf die tijd ressorteerde een groot deel van Limburg onder het bisdom Luik. Na de afscheiding van Nederlandse Limburg in 1839 van België werd in Nederlands Limburg een apostolisch vicariaat ingesteld met deken Joannes Paredis, geboren in Bree (België) als apostolisch vicaris. Na het herstel van de bisschoppelijk hiërarchie in 1853 werd het (tweede) bisdom Roermond opgericht met Paredis als bisschop. 

 

Duits-Limburgse heiligen

Dr. Edith Stein.

Een aantal van de uit Duitsland afkomstige kloosterlingen, die zich in Limburg haden gevestigd, is heilig verklaard: Arnold Janssen, Maria Helena Stollenwerck. Josepha Stennmans, Maria Teresa Tauscher en Clara Fey. 

In zekere zin is ook dr. Edith Stein daartoe te rekenen. Zij was een Duitse, Joodse filosofe, die zich bekeerd had tot het katholieke geloof en tot de orde der karmelietessen toegetreden was. Voor de tweede wereldoorlog was zij gevlucht uit Nazi-Duitsland en ingetreden in de Karmel te Echt. Zij is daar in 1942 door de Gestapo opgepakt in het kader van de vergeldingsactie van de Duitsers tegen de bisschoppelijke veroordeling van de deportatie van Joden. Zij is in een concentratiekamp omgebracht. In 1898 is zij heilig verklaard. 

 

Kloosters in Limburg van gevluchte kloosterlingen 

De eerste gevluchte Jezuïeten, een zekere elite-orde, vonden onderdak in kastelen (kasteel Bleijenbeek te Afferden, kasteel Wijnandsrade en kasteel Exaeten te Baexem). Rond 1895 vestigden zij zich in een nieuw groot klooster in Valkenburg. Dat klooster werd een centrum van intellectueel leven. Van daaruit werd het tijdschrift Stimmen der Zeit uitgegeven.

Kloosterdorp Steyl.

In Steyl stichten meerdere Duitse orden kloosters. Arnold Janssen uit Goch stichtte het klooster van de Societas Verbi Divini (SVD). Bij het klooster hoorde ook een drukkerij. Het acroniem SVD werd dan ook ‘vertaal’ met Sie Verkaufen Drücksache. Later vestigden zich in Steyl de Dienaressen van de Heilige Geest en de Dienaressen van de Heilige Geest van de Altijddurende Aanbidding. Deze laatste is een beschouwende orde van slotzusters die zich tot op de dag van vandaag gedurende 24 uur per dag wijden aan gebed. 

Klooster Bleijerheide.

In Limburg vestigden zich ten gevolge van de Kulturkampf 17 Duitse orden en congregaties, die zo’n 45 nieuwe kloosters stichten. Er ontwikkelde zich zelfs een soort kloosterarchitectuur. Voorbeelden daarvan zijn de Karmel in Echt en het klooster Bleijerjheide. 

Dat klooster Bleijerheide kende ook een zwarte bladzijde in de 20ste eeuw. In de roman ‘Het hout’ van Jeroen Brouwers is in Blijderhage het jongenspensionaat in Bleijerheide te herkennen. Daarin komen mishandeling en seksueel misbruik door broeders aan de orde, onder ander door broeder Mansuetus. Met dit niet zo vrolijke aspect van de Duitse kloosterlingen in Limburg besloot Peter Nissen zijn lezing. 

 

Vragen 

Uw verslaglegger stelde de vraag of de abdij Lilbosch in Echt, die ook in die tijd is gesticht en waar tot de tweede wereldoorlog een school met internaat was voor Duitse jongens, ook een relatie had met de Kulturkampf. Peter Nissen vertelde dat die abdij is gesticht vanuit de abdij de Achelse Kluis op de grens in België en Nederland gelegen nabij Valkenswaard. Peter Korten, altijd kien op een relatie met Weert, vertelde dat een Weertenaar de monniken van de Achelse Kluis had geattendeerd op Lilbosch als vestigingsplaats voor een nieuw klooster.  

Peter Nissen onthulde dat Weert ten grondslag ligt aan het boek ‘Roermond, biografie van een stad en haar bewoners’.  Na het afscheid van een directeur van de Rabobank Roermond, raakte hij in gesprek met Hein van der Bruggen. Die zei dat er over Weert recent twee historische boeken van Jean Coenen waren verschenen en dat een derde op stapel stond. Over Roermond was nog niets van dat niveau verschenen. Dat gesprek leidde ertoe dat Peter Nissen en Hein van der Bruggen een boek hebben geschreven over de historie van Roermond. 

Peter Korten vroeg wat er moest gebeuren met het religieus erfgoed? Er zijn al veel gebouwen vrijgekomen. Vele zullen volgen, waaronder ook parochiekerken. Peter Nissen antwoordde dat het in zijn ogen goed zou zijn een prioriteitenlijst op te stellen, waarop iedere bouwstijl, die het waard is bewaard te blijven, vertegenwoordigd zou moeten zijn. Wat betreft kerkgebouwen in dorpen zag hij mogelijkheden voor gebruik als gemeenschapshuizen met voorzieningen voor de inwoners. 

Peter Korten bedankte daarna de spreker voor zijn boeiende lezing. Als dank overhandigde hij hem het boek ‘Parel van de heide’. Hij zei dat hij normaliter Roermond betitelde als een plaats tussen Asenray en Horn, maar dat hij dat in het vervolg kon vervangen door tussen Swalmen en Linne, de plaatsen waar Peter Nissen is geboren resp. opgegroeid. 

___________________________________________________________________________________

 

Volgende activiteiten:

  • 10 maart 2025: lezing door Tim Overdiek over de Arbeitseinsatz met beeldmateriaal van Peter Crins en aandacht voor de kerkrazzia aan de oostkant van de Maas.  
  • 10 en 11 mei:Wieërter oorlogslaeve belaeve’ met optredens van het Mannenkoor Eendracht uit Swartbroek, de harmonie Heilig Hart uit Altweerterheide en en het Weerter Mannenkoor. Er komen persoonlijke verhalen over de oorlogstijd aan de orde en er treedt een re-enactment groep op. 
  • de cultuurhistorische zomer: op vette dinsdag (carnavalsdinsdag) wordt het programma daarvan vastgesteld.