Met het houden van lezingen, excursies, Gluren bij de buren, symposia, theatershows, cursus Weerterlogie en het uitgeven van boeken geeft De Aldenborgh de Weerter geschiedenis een podium.. “Altijd met een link naar Weert”, zegt voorzitter Peter Korten.
In het ‘clublokaal’, brasserie-hotel Antje van de Statie, vertellen vier leden over hun passie voor geschiedenis en in het bijzonder die van Weert. Het zijn Marianne Langeslag (bestuurssecretaresse SJG), Anneke Ronteltap-Stijnen (oud-docente Nederlands van het toenmalige Bisschoppelijke College) Bouke Kouters (sociaal werker Punt Welzijn) en voorzitter Peter Korten.
Opa’s
Wat opvalt, is de rol die hun opa’s hierbij speelden. Zo bouwde de opa van Marianne Langeslag mee aan de spoortunnel in Weert. “Als ik door de tunnel loop, ben ik best trots. Het voelt een beetje als ‘mijn’ tunnel”, vertelt Marianne. Van kinds-af-aan is Marianne geïnteresseerd in de geschiedenis. “De vraag waar kom je vandaan, prikkelt me. Geschiedenis gaat over mensen en de verhalen erachter.” Marianne heeft de cursus Weerterlogie gevolgd en is sinds 2021 bestuurslid van De Aldenborgh.
Verhalen vertellen
Voor Anneke Ronteltap-Stijnen is geschiedenis vooral verhalen vertellen. Hoe gingen mensen met elkaar om? Hoe plaats je iets in de tijd? Ze weet nog dat haar opa van haar opa van moederskant imker was en bijen hield op de Boshoverheide. “Bij toeval groef hij daar urnen op uit de grond. Urnen die nu nog steeds in het museum liggen.” Anneke is sinds 2000 lid van De Aldenborgh en was van 2002 tot 2010 bestuurslid.
Nieuwsgierig
De opa van Bouke Kouters was een goede verhalenverteller. “Hij wakkerde de interesse bij mij aan voor alles wat er niet meer was.” Archeologie is helemaal zijn ding. Het begon met de opgravingen op Kampershoek in 1996. “Ik ben nieuwsgierig naar waarom mensen doen wat ze doen en waarom de dingen zijn, zoals ze zijn.” Tijdens het archeologisch onderzoek in de Paterskerk kwam Bouke in contact met Peter Korten en sinds 2018 is hij bestuurslid van De Aldenborgh.
Mijlpalen
In 1939 werd De Aldenborgh opgericht door onder andere de burgemeesters van Weert, Stramproy, Nederweert paters Franciscanen en ‘professoren’ van het Bisschoppelijk College. De naam is ontleend aan het eerste kasteel van de graven Van Horne aan de Biest in Weert. Het genootschap was een gesloten club met een wetenschappelijke inslag. “Een ballotagecommissie besliste of je lid mocht worden”, herinnert Peter zich, die zo’n veertig jaar lid van De Aldenborgh is en twintig jaar voorzitter. “Tegenwoordig kan iedereen lid worden en is er aandacht voor de geschiedenis van de stad, maar ook ieder kerkdorp van Weert.” Als mijlpalen noemt Peter het Van Hornejaar in 2018, het ruiterstandbeeld in het kasteelpark, de stamtafel Weert, bal–champêtre en de succesvolle cultuurhistorische zomeractiviteiten Gluren bij de Buren. Bijzonder is ook dat het eerder uitgegeven boek over Antje van de Statie de basis vormt voor Antje de Musical komende mei.
Laagdrempelig
De kracht van De Aldenborgh is de combinatie van inhoudelijk goede evenementen en de sociale cohesie binnen de club. “We zijn laagdrempelig. Vrijheid, blijheid en na afloop wordt er nog gezellig nagepraat aan de bar. Zolang er Weertenaren zijn, blijft De Aldenborgh bestaan.”
De Aldenborgh viert het 85-jarig jubileum op 15 januari met een feestdiner voor de leden. Op 10 maart is het theaterprogramma in het Munttheater en op 25 en 26 mei de tweedaagse excursie naar Ieper (Eerste Wereldoorlog) en de viering van het 500ste geboortejaar van Filips van Montmorency op kasteel Ooidonk in Deinze. (Bron: ViaWeert 10-01-2024).
Het geschied- en oudheidkundig genootschap de Aldenborgh herdenkt dit jaar dat het 85 jaar geleden in hotel De Engel aan de Korenmarkt te Weert is opgericht. Het jubileumjaar werd op 15 januari jl. geopend met een feestelijke avond met diner bij Brasserie-Hotel Antje van de Statie.
De koks hadden zich bij de gerechten laten inspireren door een menu, dat 6 september 1937 werd gereserveerd ter gelegenheid van een bezoek van leden van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) aan Weert.
Welkomstwoord
De 150 gasten werden door bestuursleden van de Aldenborgh verwelkomd en naar de voor hen gereserveerde plaatsen begeleid. Voorzitter Peter Korten heette de gasten welkom en zei blij te zijn met de geweldige opkomst: een volgeboekt huis en een blijk van belangstelling voor de eigen historie en cultuur.
Hij heette in het bijzonder welkom pater Gerard Heesterbeek, franciscaan, Raymond Vlecken, burgemeester van Weert, Jacques van Rensch en Jos Schatorjé, voorzitter resp. vicevoorzitter van het Koninklijk LGOG, Lei Ramakers, de vaste buschauffeur bij excursies van de Aldenborgh, Arjanne van Voorst, beheerster van de website en de koks Paul Silverentand en Emmanuel Mertens.
Vervolgens gaf hij het woord aan pater Heesterbeek en burgemeester Vlecken om de opening van de feestavond te verrichten. Burgemeester Vlecken liet de eer om als eerste te spreken over aan de vertegenwoordiger van de geestelijke stand.
De openingstoespraken
Pater Heesterbeek opende met de Franciscaanse groet: pace et bene (vrede en alle goeds). Hij was op verzoek van Peter Korten in vol ornaat, de bruine Franciscaner pij, een langzamerhand verdwijnend verschijnsel in het straatbeeld van Weert, waar de Franciscaner orde zich in 1461 had gevestigd.
V. l. n. r.- pater Heesterbeek, burgemeester Vlecken, voorzitter Korten
Wat betreft burgemeester Vlecken onthulde hij dat die in zekere zin ook een franciscaan is. Hij heeft immers zijn middelbare schoolopleiding genoten op het Bernardinus te Heerlen, van oorsprong een school van de franciscaanse broeders. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en wenste het genootschap succes en een mooie toekomst. Burgemeester Vlecken bevestigde dat hij franciscaans bloed in de aderen had. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en benadrukte het belang van de Aldenborgh voor de Weerter gemeenschap.
Kort na zij benoeming als burgemeester van Weert had hij op een bijzondere manier kennis gemaakt met de Aldenborgh. Hij had een uitnodiging gekregen om het ruiterstandbeeld van Philips de Montmorency in Bocholt op te halen. Uiteraard had hij gevolg gegeven aan de uitnodiging. Het beeld werd met een huifkar in Bocholt opgehaald. Behalve het beeld werden er ook enkele kratten gekoeld bier van de plaatselijke brouwerij aan boord gehesen. Tot zijn schrik bemerkte hij dat het bier snel op was en dat er bij de tocht naar Weert nauwelijks rekening werd gehouden met verkeersregels; en dat met hem als eerstverantwoordelijke voor openbare orde en veiligheid aan boord. Er waren bijvoorbeeld geen verkeersregelaars ingeschakeld. Peter Korten merkte op dat dat wel het geval was. nl. de schutterij van Bocholt, hetgeen tot enige hilariteit bij de gasten leidde. Maar de tocht verliep verder “vleckeloos”.
Het menu
Meesterkok Emmanuel Mertens
Meester-kok Emmanuel Mertens, geboren en getogen in het pand van Antje van de Statie, gaf een toelichting op het menu.
potage à la reine
Het voorgerecht: potage à la reine (koninginnensoep), oorspronkelijk gemaakt van paddenstoelenbouillon, gevogeltebouillon en amandelbouillon met groente. Deze avond staat een wat eenvoudiger potage à la reine op het menu.
rundertong
Het hoofdgerecht: rundertong of parelhoen. Rundertong wordt beschouwd als orgaanvlees maar is in feite spiervlees. De tong van een rund is immers de hele dag in beweging.
parelhoenstoofpeertje met ganache en ijs
Het parelhoen is klaargemaakt op de wijze van Coq au vin. Het dessert: een stoofpeertje met ganache, zacht van structuur, en vanille-ijs.
De heildronk op 85 jaar de Aldenborgh.
Na het uitbrengen van een heildronk opende Peter Korten de tafel, niet met een uitgebreid gebed zoals vroeger gebruikelijk was maar met een citaat van de legendarische pater Willem Sangers: “Heer, ge weet hoezeer wij u beminnen, laat ons daarom maar snel beginnen”.
De Rogstaekers
Na de potage werden de gasten verrast met een bezoek van de 78ste Stadspreens Ruud I – kleinzoon van Daan Tuuënisse vanne Binnenmuuële – van De Rogstaekers met gevolg waaronder Vorst Jasper Heesakkers.
De Rogstaekers in vol ornaat
Na het belang van De Aldenborgh als hoeder van het cultureel erfgoed benadrukt te hebben, onderscheidde de Rogstaekersprins Peter Korten met de Orde vanne Boonte Muuële. Peter overhandigde daarna een exemplaar van het boek “Parel van de heide” van Frits Nies aan de prins.
Bart Maes, President van de Samenwirkende Limburgse Vastelaovesvereniginge (S.L.V.), bracht naar voren dat in 1619 in Weert al vastelaovend gevierd werd. En nu, in 2024, is Weert de opvolgster van Keulen als Carnavalshoofdstad van Europa. Ook het S.L.V. verleende Peter Korten een onderscheiding van groot formaat.
De sectie Oeganda
De sectie Oeganda van de Aldenborgh
Vervolgens werden foto’s getoond met Jean Kiggen, een jongen uit Laar, die na zijn priesterwijding naar de missie in Oeganda is vertrokken. De bevolking van Weert bleef hem steunen en zorgde zelfs voor een kapelboot op de Nijl. Pater Jean Kiggen leek in het tijdperk van Amin Idi in vergetelheid te zijn geraakt te zijn. Gebleken is echter dat zijn naam in Oeganda nog voortleeft in de Fr. John Kiggen Memorial Colleges. Recent is zelfs ontdekt dat de Aldenborgh ook in Oeganda een afdeling heeft.
Deze sectie Oeganda feliciteerde in een filmpje met een enthousiaste, levendige dans de Weerter Aldenborgh met zijn 85-jarig jubileum.
Een danser droeg daarbij een bord met een in foutloos Wieërts geschreven felicitatieboodschap. Ze zouden zo lid kunnen worden van Veldeke Wieërt. Aan de uitspraak van het woord “gruuëts” moet nog wel wat aandacht worden besteed.
Nota Bene: het bestuur van de Aldenborgh overweegt om leden van de sectie Oeganda uit te nodigen voor het volgend jubileumdiner. De bestuursleden aarzelen nog over een bezoek aan Oeganda, bevreesd als zij zijn dat ze daarhalfnaakt een dans moeten opvoeren.
De tafelredenaars
Een drietal “tenoren”- beter gezegd “nestoren” – van de Aldenborgh hield tussen de gangen door korte causerieën.
Herman Mathijsen
Mr. HermanMathijsen vertelde dat hij in 1964 lid was geworden nadat hij in 1963 een
lezing had gehouden over de Sint Martinuskerk. Zijn hobby is genealogie. Hij verhaalde hoe hij in verloren gewaande familiearchieven van de adellijke familie de Riquet de Caraman die een speciale band met Weert heeft, onderzoek heeft gedaan. Deze familie verkocht in 1841 de ruïne van kasteel de Nijenborgh aan Louis Beerenbroek, voormalig burgemeester van Weert.
Ook hij onderstreepte het belang van de Aldenborgh voor Weert. Verder bracht hij enkele desiderata voor verder onderzoek naar voren, zoals dat naar het Frans kadaster. Hij pleitte ook voor het bewaren en toegankelijk maken en houden van het oeuvre van Emile Haanen. Peter Korten kon hem wat dat laatste betreft geruststellen.
Thijs Stultiëns
Mr. Thijs Stultiëns vertelde over het drukke leven van zijn vader als “köster” van de Sint Martinuskerk. Door de week waren er s`ochtends drie missen, om 6.30 uur, om 7.30 uur de kindermis en om 8.15 of 9.00 uur nog een mis. Vaak werden die dan gevolgd door een begrafenis- en/of huwelijksmis.
Begrafenismissen werden soms snel opgevolgd door huwelijksmissen. Het was dan een uitdaging om de parafernalia van de begrafenismis op te ruimen en voor de huwelijksmis de loper van het altaar tot de kerkdeur rimpelloos uit te rollen.
Er vonden ook nog zogenaamde stille missen in de zijkapellen plaats. Die werden opgedragen door priesterleraren van het Bisschoppelijk College en door missionarissen die tijdelijk in Weer verbleven. `s Middags was er haast iedere dag om 15.00 uur een doopplechtigheid en om 17.00 uur een lof.
`s Zondag begonnen de missen iets later en was er om 9.15 uur een plechtige hoogmis met drie heren, gevolgd door stille missen met preek. Aan priesters was er in die tijd geen gebrek. De taken van de koster waren onder meer het klaarleggen van de misgewaden en het heilig vaatwerk (kelk, pateen, ciborie), inspectie van het kerkgebouw en ophalen van de gezinsbijdragen. De scheiding tussen kerk en staat was in Weert niet helemaal doorgevoerd: de priesters kregen een stipendium van de gemeente.
Alfons Bruekers
Ir. Alfons Bruekers hield een verhaal met als titel: “Nog lang niet uitgeteld”. Als vroeger iemand de leeftijd van 80 jaar bereikt had, hield men op met tellen. Zo`n leeftijd kwam nauwelijks voor. Een dergelijk persoon werd octogenarius genoemd, ongeacht hoeveel jaren hij boven de 80 was. Dat gold niet voor de Aldenborgh. Die was het aan zijn stand als historische vereniging verplicht de juiste leeftijd bij te houden.
Hij vertelde dat de Nederweertenaren, die zich met vastelaovend Pinmaekers noemen, de uitvinders van de kalender waren. Als zij vroeger in de Peel turf gingen steken, staken zij iedere dag een houten pin in de gestoken turf. Als er zeven pinnen gestoken waren, was het zondag en tijd om naar de kerk te gaan.
Veel verder ging de telkunst in Nederweert blijkbaar niet, want bij de viering van een aantal jubilea in Nederweert zat men er wel eens flink naast, zoals bij de viering van 100 jaar aanwezigheid van de zusters Franciscanessen en de viering van 100 jaar muziekbeoefening. Ook de datering van de eerste steen van de Sint Lambertuskerk leverde de nodige jaartallen op.
In 1933 ontstond er in Nederweert een conflict tussen twee jonge vaders over het antwoord op de vraag wiens kind de 7000ste inwoner van de gemeente Nederweert was. De 7000ste inwoner zou een spaarbankboekje met 25 gulden krijgen. De vraag was wat telde: het tijdstip van de geboorte of van de geboorteaangifte bij de gemeente. Burgemeester Van Uden besliste dat het tijdstip van de aangifte doorslaggevend was. Dat viel bij de vader, wiens kind het spaarbankboekje misliep, niet in goede aarde. De kwestie liep zo hoog op dat er met een hagelgeweer op de burgemeester, die in zijn blote bast voor een raam stond, werd geschoten. Hij overleefde die aanslag maar wel met een enigszins korrelig lijf.
Alfons sloot af met drie conclusies:
1. tellen lijkt niet de sterkste kant van inwoners van het Land van Weert;
2. maar dat geldt niet voor de Aldenborgh. Die kan wel goed tellen;
3. de Aldenborgh als octogenarius-plus is springlevend en nog lang niet uitgeteld.
De jubilarissen
Na het voortreffelijk dessert was het woord aan mr. dr. Jacques van Rensch, voorzitter van het LGOG. Hij prees zich gelukkig een groot aantal leden van het LGOG te mogen feliciteren met hun langjarig lidmaatschap van het LGOG. Hij spelde hen een LGOG -speldje op voor hun 25, 40 en 50-jarig lidmaatschap. Een bijzonder woord was er voor Herman Mathijsen. Die was 60 jaar lid, een zeldzaamheid. Zo zeldzaam dat er zelfs geen LGOG-speldje voor bestond. Het LGOG had daarom speciaal voor deze jubilaris een oorkonde laten vervaardigen, die hij aan Herman Mathijsen overhandigde.
Groepsfoto met de jubilarissen
De jubilarissen van het LGOG zijn:
60 jaar
mr. H.J.M.E. Mathijsen
50 jaar
F.W.J.H. van Tuel sr.
L.A.M. Stroekxs van den Broek
P.M. Roost
40 jaar
J. van Cauteren
H. LInskens
P.M.M. van Wegberg
A.M.G.C. van Wegberg-Veugen
H.P.B. Haex
F. Veugen
P.J.G.A. Hermans
25 jaar
A.H.M. Verheggen
G.J.E. van Diepen
J.H.M. Peeters
F.H.A. Peeters-Munnecom
Na het eerbetoon aan de jubilarissen eindigde de feestelijke en geslaagde avond, waarvan de bezoekers hebben genoten en goede herinneringen aan hebben overgehouden.
N.B. Veel dank aan het personeel van Antje van de Statie dat er op een voortreffelijke manier in geslaagd 150 gasten van heerlijke spijzen en dranken te voorzien.
Slot
De avond kan niet beter beschreven worden dan met de woorden in een reactie van een bezoeker uit het verre, kille Holland.
“Het was een geweldig feest, echt een groot feest. De organisatie was perfect, de toespraken humorvol en informatief. En het menu was een feest; 85 jaar geleden wisten ze hoe het moest en op 15 januari 2024 was dat nog altijd zo”.
Kaart met ligging Maxelt tussen Leveroy en Heythuysen rond 1850. Kadaster Apeldoorn
Maxet is een buurtschap, gelegen in de gemeente Leudal tussen Leveroy en Heythuysen, met verspreid liggende bebouwing. Maxet omvat het gebied ten westen van Heythuysen en ten oosten van Leveroy. In het noorden wordt het begrensd door de Leveroyse beek en in het zuiden door de Tungelroyse beek. Er wonen bijna 500 mensen.
Tussen 1850 en 1860 woonden er op Maxelt, zoals het in de 19de eeuw genoemd werd, 57 gezinnen. Van de beroepsbeoefenaren waren er 36 werkzaam in de landbouw, 13 dagloners, 1 scheper, 1 koopman, 2 linnenwevers, 1 klompenmaker en 1 smid. Maxet met omgeving telde toen ongeveer 450 inwoners.[1]
Wat gebeurde er in 1846 op Maxet?
Op 3 januari 1846 vond er op `s avond tussen half tien en twaalf uur een gewelddadige roofoverval plaats op de afgelegen boerderij van de familie Willekens op Maxet, een kleine kilometer ten noorden van Leveroy. Slachtoffers waren Jeanne Aan de Berg, weduwe van Jacob Willekens, haar zoon Mathieu Willekens, diens echtgenote Hélène Kirkels en hun knecht André Stempkens. De overvallers, vier mannen en een vrouw, hadden hun gezichten zwart gemaakt om herkenning te voorkomen.[2] Zij waren gewapend met pistolen, een geweer en een stok. De overvallers waren uit op de opbrengst van dertig eikenbomen die Mathieu Willekens had verkocht.
Nadat ze het huis van de familie Willekens waren binnengedrongen, knevelden zij de bewoners en bedreigden hen met de dood als zij ook maar het minste geluid zouden maken of zouden weigeren hen brood en geld te geven. Eenmaal binnen beroofden zij de familie van een groot aantal bezittingen. Rond vier uur `s morgens slaagde Mathieu Willekens erin zich van zijn boeien te ontdoen en zijn familieleden te hulp te schieten.
De buit
De volgende zaken werden door de overvallers buitgemaakt: drie broden, enkele appels, drie stuks linnen, een beddenlaken, een tafelkleed, een hemd, 27 Franse kronen, een bedrag ter waarde van ongeveer 40 Nederlandse guldens in munten van een, twee en vijf franken uit een kistje van de weduwe Willekens, wat geld dat de weduwe in een linnen zakje bewaarde, 7 stuks gezouten spek, 4 worsten die zij van de zoldering haalden, 3 munten van 5 francs, een paar zwarte linnen kousen van Mathieu Willekens, 2 gestreepte japonnen, een zilveren ring, koralen en zijden linten van de weduwe, een zilveren horloge, 3 francs, een zijden das en een aantal voorwerpen uit de slaapkamer van het echtpaar Willekens, 8 verschillende broden, andere levensmiddelen uit de kelder en een geweer dat zij in de keuken vonden.[3]
Pas na enige tijd werden na naarstig onderzoek onder leiding van een officier van Justitie van de rechtbank te Roermond drie personen opgespoord die verdacht werden van betrokkenheid bij de overval. Dat waren Jan Jacob Creutz of Cruytz, 46 jaar, geboren en wonende in Weert, van beroep dagloner, Johannes Timmermans, 25 jaar, geboren in Haarlem en wonende op Roeven, gemeente Nederweert, van beroep dagloner, en Catharina Smolenaars, 25 jaar, geboren te Weert en woonachtig op Leuken, gemeente Weert, van beroep arbeidster. Zij werden gearresteerd. De andere dieven bleven buiten bereik van Justitie.[4]
[i] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.
De zaak voor het Provinciaal Geregtshof in Limburg
De drie gearresteerde personen werden voor het Provinciaal Geregsthof in Limburg te Maastricht gedagvaard. De twee mannelijke verdachten werden beschuldigd van een gewapende overval in de nachtelijke uren met bedreiging van geweld door vijf personen op de familie Willekens op Maxelt; de vrouw van heling van gestolen goederen. Er waren niet minder dan 112 getuigen in de zaak opgeroepen, waarvan er er 108 werden verhoord. Het verhoor van de getuigen en de verdachten nam 10 dagen in beslag. De getuigen moesten van Maxet, Weert, Nederweert en omgeving naar Maastricht reizen; geen sinecure in die tijd zonder treinverbinding, auto en fiets.
Het Geregtshof deed op 7 juni 1847 uitspraak. Jan Jacob Creutz en Johannes Timmermans werden schuldig verklaard aan: “diefstal, gepleegd, bij nacht in een bewoond huis, door vijf personen, die zich zwart hadden gemaakt en waarvan er vier openlijk wapenen bij zich droegen, en zulks met geweldoefening en bedreiging van hunnen wapenen te gebruiken”. De omstandigheden waaronder de diefstal had plaatsgevonden, waren van groot belang in verband met de strafmaat. De veroordeling vond plaats op grond van artikel 381 van het Wetboek van Strafregt: diefstal met vijf verzwarende omstandigheden.
Jan Jacob Creutz die reeds eerder een aantal malen was veroordeeld wegens diefstal, smokkelarij en mishandeling, werd veroordeeld tot de doodstraf, uit te voeren door middel van de guillotine binnen de stad Maastricht. Johannes Timmermans kwam er iets genadiger vanaf. Hij werd veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken met de letters T.P. [5] Catharina Smolenaars werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan de diefstal door het bewust helen van een gedeelte van de gestolen voorwerpen. Zij werd veroordeeld tot vijf jaren dwangarbeid.[6] Volgens het Algemeen Handelsblad hadden de veroordeelden het vonnis met klaarblijkelijke onverschilligheid aangehoord en te kennen gegeven in cassatie te zullen gaan.[7]
De zaak voor de Hoge Raad
Zoals ze al bij het Provinciaal Geregtshof hadden aangekondigd, tekenden Creutz en Timmermans cassatieberoep bij de Hoge Raad aan tegen hun veroordeling.
Namens Creutz werd naar voren gebracht dat de uitspraak van het Geregtshof niet geheel overeenstemde met de tenlastelegging. Die behelsde niet alleen diefstal met verzwarende omstandigheden maar ook medeplichtigheid daaraan. In de uitspraak van het Geregtshof was die medeplichtigheid niet vermeld. De Hoge Raad was van mening dat dit een futiliteit was. Het zou ongerijmd zijn als op basis daarvan de uitspraak van het Geregtshof vernietigd zou worden.
Namens Timmermans werd bezwaar gemaakt tegen de overweging van het Geregtshof dat volgens verklaringen van meerdere getuigen Timmermans, die een onechte zoon van de vrouw van Creutz was, veel omgang met Creutz had gehad en ook meermalen in het huis van Creutz was gezien. De Hoge Raad was van mening dat nu de overweging op meerdere getuigenverklaringen berustte, er sprake was van wettig bewijs. Het cassatieberoep van beide heren werd op 28 september 1847 verworpen.[8] Daarmee werden de straffen definitief.
De tepronkstelling van de veroordeelden
Op 30 april 1848 werden Jan Jacob Creutz uit Weert, Johannes Timmermans uit Nederweert en Catharina Smolenaars uit Weert op het Marktplein te Maastricht te pronk gesteld. De doodstraf van Jan Jacob Creutz was bij Koninklijk Besluit van 8 april 1848 omgezet in eeuwigdurende dwangarbeid en een uur tepronkstelling.
In de het Wetboek van Strafregt stond dat dat een tot dwangarbeid veroordeelde alvorens zijn straf te ondergaan gedurende een uur op een openbare plaats te pronk gesteld moest worden. Boven het hoofd van de veroordeelde moest een bord geplaatst worden waarop met grote, leesbare letters zijn naam, beroep, woonplaats, misdaad en straf vermeld waren. De tepronkstelling had een dubbele functie. Op de eerste plaats was het de bedoeling dat de veroordeelde publiekelijk werd vernederd en te schand gezet. Het publiek kon de veroordeelde beschimpen of op een andere wijze van zijn afkeer doen blijken. Op de tweede plaats moest er een afschrikwekkende werking voor de burgers van uit gaan en een aansporing om zich aan de wet te houden.
Voorbeeld van een tepronkstelling. Avgb.be
Bleven de andere verdachten buiten schot?
Zoals we gezien hebben, waren er aanvankelijk maar drie van de daders van de gewelddadige overval op 3 januari 1846 op Maxet opgepakt en veroordeeld. De overige daders bleven behoorlijk lang uit handen van Justitie maar uiteindelijk werden zij ook opgepakt. Het gerucht ging dat zij verraden waren door de veroordeelden.
Op 19 april 1849, meer dan drie jaar na de overval, stonden voor het Provinciaal Geregtshof te Maastricht terecht: Jacobus Smolenaars, een broer van de reeds veroordeelde Catharina Smolenaars, Mathea Feijen, echtgenote van Johannes Timmermans, en haar moeder Elisabeth Feijen. Er waren 32 getuigen opgeroepen.
Het Geregtshof veroordeelde Jacobus Smolenaars, orgelspeler uit Nederweert, tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken wegen nachtelijke diefstal met geweld, gepleegd door meer gewapende personen in een bewoond huis. Mathea Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, werd veroordeeld tot vijf jaar opsluiting en tepronkstelling wegens medeplichtigheid aan de diefstal.
Diezelfde straf kreeg Elisabeth Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, ook wegens medeplichtigheid. Op 4 november 1849 vormde de Grote Markt te Maastricht de schouwplaats voor de tenuitvoerlegging van de tepronkstelling van deze drie veroordeelden.[9] Het brandmerken van Jacobus Smolenaars vond niet plaats omdat koning Willem II hem daarvoor gratie had verleend.
De relatie tussen de veroordeelden
Johannes Timmermans is op 3 augustus 1820 te Haarlem geboren als onwettige zoon van de ongehuwde Petronella Timmermans, geboren op 13 mei 1798 op Roeven, Nederweert. Petronella is op 30 augustus 1826 te Bloemendaal getrouwd met Jan Jacob Creutz, geboren op 6 mei 1801 te Weert.[10]
Johannes Timmermans is op 4 februari 1846, een maand na de roofoverval, te Nederweert getrouwd met Mathea Feijen, geboren op 1 september 1820 te Nederweert, een onwettige dochter van Elisabeth Feijen.
Jacobus Smolenaars is geboren op 7 april 1818 op Leuken, Weert; zijn zus Catharina Smolenaars is geboren op1 juli 1821 op de Moosdijk te Weert. Uit eerder vermelde gegevens blijkt dat de overval op Maxet een aangelegenheid was van twee families.
Hoe ging het verder met de veroordeelden?
Jan Jacob Creutz, Jacob Smolenaars en Johannes Timmermans waren, zoals we gezien hebben, veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, in de praktijk langdurige dwangarbeid. Zij moesten deze straf ondergaan in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden.
De leefomstandigheden in deze overbevolkte gevangenis waren zwaar. Dat was overigens niet alleen het geval in Leeuwarden maar ook in andere gevangenissen en arresthuizen. Zo klaagde de commandant van het Huis van Reclusie en Tuchtiging in Leeuwarden in 1849 over de “steeds voortdurende armoedige en ziekelijke toestand der gevangenen, die van elders werden aangebragt” en “de bedoelde gevangenen zijn allen zonder onderscheid, door ongedierte geteekend en bovendien door koude en ontbering zoodanig verzwakt dat velen hunner, dadelijk na aankomst, in de ziekenzalen moeten worden opgenomen”.[11] In 1849 waren er op 31 december 818 gevangenen in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden ondergebracht. In dat jaar waren er 100 overleden.
De vrouwelijke veroordeelden, Elisabeth Feijen, Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, zijn op 16 november 1849 ingesloten in de gevangenis te `s Hertogenbosch en een dag later overgebracht naar de vrouwengevangenis te Gouda.
Jan Jacob Creutz heeft niet lang in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging doorgebracht. Hij is daar op 50-jarige leeftijd op 28 april 1852 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij arbeider was, geboren en wonende te Weert en dat overigens niets van hem bekend was.
Overlijdensakte Johannes Timmermans. Bron- https-::allefriezen.nl
Ook Johannes Timmermans heeft niet lang in de gevangenis gezeten. Hij is daar op 22 juli 1854 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij dagloner was, geboren te Haarlem en wonende te Weert, dat hij de man van Mathea Fee (!) was en dat hij een zoon was van Petronella Timmermans, arbeidster, woonachtig te Weert.
Jacobus Smolenaars is eveneens overleden in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging en wel op 4 maart 1852. In de overlijdensakte staat dat hij orgelspeler was, geboren in Weert en wonende te Nederweert, en dat er verder niets van hem bekend was.
Elisabeth Feijen moest, evenals haar dochter Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, haar straf ondergaan in de speciale vrouwengevangenis in Gouda. De leefomstandigheden daar waren uitermate slecht. Er was sprake van overbevolking; de vrouwen sliepen in hangmatten in drie rijen boven elkaar met weinig ruimte en zonder verlichting.
Men had ook te maken met ongedierte en stank van een open riool vlakbij de gevangenis. Het was er `s winters zeer koud en `s zomers erg warm. In 1847 overleden er als gevolg van de hitte 300 gevangenen.[12] Ook Elisabeth Feijen heeft het verblijf in de gevangenis niet overleefd. Zij is op 30 maart 1850 op 56-jarige leeftijd overleden in de vrouwengevangenis te Gouda. Zowel van Mathea Feijen als van Catharina Smolenaars heb ik geen gegevens gevonden hoe het hen verder is vergaan.
Epiloog
Misdaad loont niet. Dat gezegde heeft zeker gegolden voor de overvallers op de boerderij van Willekens op Maxet in 1846. De meeste daders hebben hun daad uiteindelijk met de dood moeten bekopen, zij het niet op het schavot maar in de gevangenis.
————————————————————————————————————————————————–
Dank aan Alfons Bruekers voor het kritisch beoordelen van een eerdere versie en het geven van nuttige adviezen.
[4] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.
[5] Als bijkomende straf werd een tot eeuwigdurende dwangarbeid veroordeelde op een publieke plaats met een gloeiend ijzer op de rechterschouder gebrandmerkt met de letters T.P.. Deze letters staan voor travauxperpétuels: de Franse woorden voor eeuwigdurende dwangarbeid.
[6] Weekblad van het regt, 17 juni 1847.
[7] Algemeen Handelsblad, 10 juni 1847.
[8] Weekblad van het regt, 28 november 1847.
[9] Journal du Limbourg, 4 november 1849.
[10] Jan Jacob Creutz en Petronella Timmermans waren binnenlandse arbeidsmigranten. Zij werkten als blekersknecht resp. blekersmeid in de regio Haarlem. Voor meer informatie: www.keesfloor.nl wimmenum, Blekerijen, en “Parel van de heide…in de 19de eeuw”, Frits Nies, pag. 56.
De Mildert is een kleine buurtschap gelegen in het uiterste zuiden van de gemeente Nederweert, redelijk ver verwijderd van andere kernen in die gemeente. De dichtstbijzijnde ´grotere` plaats is Swartbroek in de gemeente Weert. Bij onderzoek in kranten en tijdschriften uit de 19de eeuw zijn weinig bijzondere zaken over De Mildert naar voren gekomen.
Ik beperk me tot een gebeurtenis in 1891, die consternatie in de kleine gemeenschap veroorzaakte. Hoewel in feite een onbeduidend fait divers besteedden landelijke en regionale kranten daar aandacht aan.
Foto: Gemeente Nederweert 1866 met beneden Mildert. Kuyperkaart
Wat was die consternatie veroorzakende gebeurtenis?[1]
De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891.
Volgens de Nieuwe Koeriervervoegde zich op 5 november 1891 tegen de avond een vreemdeling bij het huis van de 57-jarige weduwe Van Gelooven, landbouwster op De Mildert.[2] Hij gaf door gebaren te kennen dat hij honger had. De vrouw gaf hem een flinke boterham. Hij wierp zich voor de vrouw op de knieën. Deze schrok daarvan zo hevig dat zij naar buiten liep en om hulp riep. Enkele buren kwamen op het geschreeuw af, zetten de onbekende buiten de deur en dienden hem een paar oorvijgen toe.
Vervolgens bonden ze hem vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee van Weert haastte zich naar de Mildert waar zij de vreemdeling vastgebonden aan de boom aantroffen. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Weert. Hoewel niemand hem kon verstaan, bleek uit zijn papieren dat hij Weranof heette en uit Rusland of Polen afkomstig was. Hij was op reis naar Amerika. De passagebewijzen voor de overtocht had hij bij zich. Hij werd richting Antwerpen gedirigeerd.
De Maas- en Roerbode schetste een ietwat ander beeld van de gebeurtenissen. Nadat de vrouw hem een boterham had gegeven, greep hij een kopje en schepte wat melk uit een bij het vuur staande roompot. De vrouw zei dat hij dat niet mocht doen. Toen bedreigde hij haar met een mes en wilde haar grijpen. De vrouw ontvluchtte hem en riep de buren om hulp. Een paar stevige kerels grepen hem vast en bonden hem aan een boom. De marechaussee uit Weert werd ontboden. Die bracht hem dezelfde avond geboeid naar Weert. De aanrander droeg in de mouw van zijn jas twee messen.
De Mildert (Millert) rond 1898. Het merendeel van de bebouwing lag ten zuiden van de spoorlijn Weert – Roermond. Kadaster Apeldoorn [3]
In de Maasbodewerd een bericht aangehaald dat uit Swartbroek naar de Limburger Koerier was gestuurd. Volgens dat bericht werd het anders zo vreedzame gehucht Swartbroek in rep en roer gebracht door een persoon die aan een vrouw een stuk brood vroeg.
De vrouw gaf hem wat brood en nadat hij dat verorberd had, wilde hij de vrouw aanpakken. Deze begon te schreeuwen, waarop meerdere buren te hulp kwamen. Maar de man wilde die ook te lijf gaan, maar dat werd hem verhinderd. Omdat niemand de man verstond en men meende dat hij de vrouw, die hem het brood had gegeven, wilde mishandelen, gaf men de arme man een flink plak slaag en bond hem daarna vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee uit Weert nam de vreemde sinjeur mee.
Stationsgebouw Vlodrop bij de afbraak. Bron: Roerstreekmuseum
Bij het onderzoek bleek dat de vreemdeling een Russische uitgewekene was, die op weg was naar Amerika.[4] Hij had om een of andere reden de trein in Vlodrop verlaten[5] en was te voet op weg naar Antwerpen.[6] Op die reis was hij uitgehongerd en vermoeid te Swartbroek gekomen.
Om zijn dank aan de vrouw, die hem brood had gegeven, te betuigen had hij naar Oosterse gewoonte de voeten van de vrouw willen kussen en zich voor haar op de knieën geworpen.[7] Ook te Weert had hij dat herhaaldelijk gedaan toen men hem daar eten en wat geld gegeven had. De man zou over de grens gebracht worden.
Kaart met De Mildert, Swartbroek, Kelpen en Leveroy rond 1891. Kadaster Apeldoorn
Hoewel de inhoud van de krantenberichten verschillend is, meen ik dat de gebeurtenis heeft zich afgespeeld op De Mildert en niet in Swartbroek.[8] Mogelijk is de vermelding van Swartbroek een gevolg van het feit dat De Mildert dichter bij Swartbroek ligt dan bij andere dorpen zoals Leveroy, waar het kerkelijk toe behoorde.
Met het over de grens zetten van de Rus eindigde de gebeurtenis, die in november 1891 voor consternatie op De Mildert gezorgd had.
Bronnen
[1] De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891. Met dank aan Alfons Bruekers, die mij erop attendeerde dat de gebeurtenis op De Mildert heeft plaatsgevonden en niet in Swartbroek, zoals enkele kranten meldden.
[2] De weduwe is Maria Elisabeth Kuppens (gemeente Nederweert, 24 februari 1834 – gemeente Nederweert, 11 oktober 1901), gehuwd op 30 april 1862 te Nederweert met Petrus Joannes van Gelooven (Hunsel, 5 maart 1824 – gemeente Nederweert, 23 januari 1881).
[3] Na de aanleg van het kanaal Wessem-Nederweert in 1929 kwam de bebouwing van De Mildert ten oosten van dat kanaal te liggen.
[4] Mogelijk was deze man een van de vele Russische Joden die in het antisemitische, tsaristische Rusland na de verdrijving van de Joden medio 1891 uit Moskou en andere grote steden hun heil probeerden te zoeken in de Verenigde Staten.
[5] Buiten Vlodrop lag toendertijd een treinstation, Vlodrop Statie, aan de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en Rheidt in het Ruhrgebied. De Mildert ligt aan de IJzeren Rijn, aangelegd tussen 1875 en 1879. Mogelijk dat de Rus op weg naar Antwerpen vanaf Vlodrop Statie het tracé van de spoorlijn heeft gevolgd.
[6] Naast Rotterdam was Antwerpen een belangrijke vertrekhaven voor emigranten (landverhuizers) naar de Verenigde Staten. Een belangrijke rederij voor het vervoer van landverhuizers was de Red Star Line. Een kwart van die landverhuizers bestond uit Joden.
[7] Een in onbruik geraakte Nederlandse uitdrukking is “iemand de voet kussen”.: onderdanig zijn, iemand als zijn meerdere erkennen. De paus wast en kust op Witte Donderdag als teken van nederigheid de voeten van mensen die het niet zo goed getroffen hebben in de maatschappij, in navolging van Christus bij het laatste avondmaal.
[8] Dat er een nauwe relatie tussen Swartbroek en De Mildert bestond moge ook blijken uit de overeenkomst die de gemeenten Weert en Nederweert in 1899 sloten op grond waarvan kinderen van De Mildert werden toegelaten tot de openbare school te Swartbroek.
Dit jaar herdenken we dat 85 jaar geleden het geschied- en oudheidkundig genootschap De Aldenborgh in hotel De Engel aan de Korenmarkt in Weert werd opgericht. Het is inmiddels een traditie dat we om de vijf jaar de Aldenborgh-geschiedenis ‘proeven’ en laten herleven.
Zoals u weet, vond de oprichting van De Aldenborgh haar oorsprong in het streekmuseum De Aldenborgh, opgericht in 1935. Op maandag 6 september 1937 kwamen leden van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap voor een excursie naar Weert en bezochten het museum. De ontvangst van het gezelschap vond plaats in het gemeentehuis.
Het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap op excursie in Weert, maandag 6 september 1937. Foto genomen voor het stadhuis aan de Markt. (collectie LGOG Maastricht)
Burgemeester mr. W. Kolkman verwelkomde de gasten. Hij was toen al ruim 25 jaar burgemeester van Weert maar sprak de woorden:
“Voor ’t eerst in mijn ambtelijken loopbaan, dat ik zoo’n uitgelezen gezelschap van wetenschappelijke mannen, binnen de muren van Weert mag begroeten.”
Het gezelschap dineerde in Hotel Jan van Weert en de gezusters Meeuwis kookten. Dit bezoek stimuleerde een aantal Weertenaren tot verdere bestudering van de historie van Weert. Anderhalf jaar later was de oprichting van een plaatselijke geschiedenisvereniging (6 maart 1939) een feit.
Het menu van maandag 6 september 1937 is bewaard gebleven. Wij nodigen u uit om samen met ons daarvan op maandagavond 15 januari a.s. om 18.00 uur in ons clublokaal Antje van de Statie te genieten. Kok Paul Silvertand van Silverlicious en ons lid, sterrenkok Emmanuel Mertens maken hun interpretatie van het menu dat de gezusters Meeuwis in hotel Jan van Weert in 1937 opdienden. Niet voordat de avond geopend wordt met de heildronk door pater Gerard Heesterbeek.
Tijdens de feestelijke avond zullen enkele jubilarissen worden gehuldigd door niemand minder dan de erevoorzitter van het Koninklijk Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap, drs. Karel Majoor. Heeft Italië de drie tenoren, de Aldenborgh heeft Mr. Herman Mathijsen, mr. Thijs Stultiëns en ir. Alfons Bruekers. Deze nestors zullen met erudiete toespraken de avond verbaal vullen.
Kosten
Helaas is onze verenigingskas niet toereikend om u het driegangen diner kosteloos aan te bieden. De kosten voor het diner bedragen per persoon:
€ 28,00 voor leden en vrienden van LGOG/Aldenborgh en voor Weerterlogen en hun partners.
€ 30,00 voor andere personen.
Consumpties zijn voor eigen rekening.
Aanmelden
Aanmelding voor het diner dient te geschieden door overmaking van het verschuldigde bedrag voor woensdag 8 januari a.s. naar Rabobankrekening -nummer NL31RABO0176968334 ten name van: Stichting De Aldenborgh te Weert en onder vermelding van: feestdis, aantal deelnemers en uw keuze(s) voor het hoofdgerecht: parelhoen of ossentong. De betaling is uw aanmelding!
De rest van het driegangenmenu blijft een verrassing. Zorg dat u erbij bent, want over deze avond zal nog lang worden gesproken aan de Weerter stamtafels! Wij hopen u te mogen begroeten op deze feestelijke avond!
Deze lezing is de laatste activiteit van de stichting De Aldenborgh in 2023. Volgend jaar 2024 is een jubileumjaar. De Aldenborgh bestaat dan 85 jaar. Dat zal gevierd worden met enerzijds een feestdiner volgens een menu uit 1938 en worden bereid onder het toeziend oog van de bekende Weerter meesterkok Emmanuel Mertens. Anderzijds een theatermiddag in De Munt en een tweedaagse reis naar Ieper en kasteel Ooidonk in Deinze. In Deinze wordt gevierd dat Philips de Montmorency 500 jaar geleden in het kasteel geboren is.
Op 4 december 2023 heette Peter Korten, voorzitter van stichting De Aldenborgh, het talrijke publiek en de spreker welkom. De zaal was helemaal vol. Er moesten zelfs stoelen worden bijgeplaatst.
De lezing van Frans Medaer
Frans Medaer
Frans Medaer uit Lanklaar verhaalde over de geschiedenis van het Maasland vanaf de ijstijd tot en met de Tweede Wereldoorlog. Hij deed dat aan de hand van talrijke korte verhalen en anekdotes, gebracht met flair en humor, en geïllustreerd met veel afbeeldingen. Regelmatig werd er uitbundig gelachen.
De verslaggever beperkt zich hier tot enkele onderwerpen.
Schedel Mosasaurus Bèr
In de omgeving van Maastricht zijn drie delen van skeletten van een Mosasaurus opgegraven. Zij hebben de volgende namen gekregen: Bèr, dat vonden Maastrichtenaren een leuke naam, Carlo naar de kraanmachinist die hem opgegraven heeft en Lars de naam van een 12-jarige jongen die het skelet heeft ontdekt.
Verdeling Gallië volgens Caesar. Bron- https-::historiaparanodormiranhell.blogspot.com
Als ervaren leraar Latijn vertaalde Frans Medaer voor de toehoorders de eerste zinnen van het boek De bello Gallico van de Romeinse keizer Caesar: Gallia est omnis divisa in partes tres, quarum unam incolunt Belgae, aliam Aquitani, tertiam qui ipsorum lingua Celtae, nostra Galli appellantur. Hij haalde chauvinistisch ook het zinsdeel “Horum omnium fortissimi sunt Belgae”: de dappersten van allen zijn de Belgen, aan.
Fossa Eugeniana (boven) en Canal du Nord:Nordkanal (beneden). Bron- r-steger.de
Een rode draad in de lezing waren de pogingen in de loop der eeuwen om de Rijn, Maas en Schelde via
waterwegen met elkaar te verbinden. De Romeinen groeven de Fossa Corbulonis, een verbindingskanaal in Zuid-Holland tussen de Maas en de Rijn. In de 17de eeuw, tijdens de 80-jarige oorlog, werd voor militaire doeleinden gepoogd een kanaal te graven tussen de Rijn en de Maas, genaamd Fossa Eugeniana naar de Spaanse landvoogdes Eugenia in Brussel.
Onder Napoleon werd weer een poging gedaan gedeeltelijk over het tracé van de Fossa Eugeniana maar verder naar het zuidoosten, het ook niet voltooide GrandCanal du Nord.
Standbeeld gebroeders Van Eyck
Bij een foto van het standbeeld van de gebroeders Van Eyck op de Markt te Maaseik vertelde Frans de volgende anekdote. Als pater Sangers groepen rondleidde in Maaseik hielden ze altijd halt bij het standbeeld van de Van Eycks. Vaak werd de vraag gesteld wie Jan en wie Hubert was. Pater Sangers liet de groep dan plaatsnemen achter het standbeeld en zei: als je Jan roept, dan is degene die zich het eerste omdraait Jan.
Vermakelijk was ook de reden van de bouw van het hotel Beau Séjour aan het kanaal te Lanklaar. Brugwachter Houben had vier knappe dochters. Een familielid, die getrouwd was met de eigenaar van het beroemde Hotel des Anglais te Nice aan de Côte d`Azur, vertelde Houben dat de dochters vanuit het brugwachtershuisje geen goede partij zouden trouwen. Zij ried hem aan een hotel te bouwen.
Hotel Beau Séjour. Bron- vanlanakentotmaasmechelen.blogspot.com
Houben had daarvoor geen geld, maar geen nood. De hoteleigenaar uit Nice schoot te hulp. Tegenover het brugwachtershuisje werd aan de overkant van het kanaal een prachtig hotel gebouwd, het nog steeds bestaande Beau Séjour.
Het hotel trok chic volk aan, vooral uit Wallonië. De opzet slaagde wonderwel: een dochter trouwde met een mijndirecteur, een tweede met een hoofdingenieur van de mijnen en een derde met een Duitse mijningenieur. De laatste sloeg volgens Frans de grootste vis aan de haak: de baas van de belastingdienst.
Foto Jack Duijf
Frans Medaer besloot zijn lezing met zijn Boodschap voor een Betere Wereld, een project waar hij na de moorden van Dutroux op Julie en Melissa mee is gestart. De boodschap luidt:
“Wij willen een veilige wereld waarin alle jongeren onder goede begeleiding al hun talenten optimaal kunnen ontwikkelen, om ze nu en later ten dienste te stellen van elkaar, in een geest van solidariteit, vertrouwen en wederzijds respect.”
Deze boodschap is al in 898 talen en talrijke dialecten vertaald, ook in het Ni-jwieërts. Deze versie werd met welluidende stem voorgedragen door Alfons Bruekers.
De knoop op de pater Sangersbrug. Bron- Nieuwsblad
Als laatste toonde hij een foto van de ietwat losse knoop met de handjes op de Pater Sangersbrug over de Maas tussen Maaseik en Roosteren.
De knoop symboliseert de verbondenheid tussen de beide Limburgen. Hoe harder men aan het touw trekt, hoe steviger de knoop en dus die verbondenheid wordt.
Peter Korten bedankte Frans Medaer voor zijn onderhoudende, interessante en humorvolle lezing. Als stoffelijk bewijs van die dank overhandigde hij hem het boek Weert, parel van de heide… van Frits Nies en het boek In dienst van Napoleons Europese droom van dr. Joost Welten.
Frans Medaer achter de piano.
Daarmee leek een eind te zijn gekomen aan de activiteiten in 2023. Maar dat was buiten de waard, in dit geval Frans Medaer, gerekend. Hij wilde het laatste woord hebben of beter gezegd de laatste toon zetten. Hij had een piano ontdekt in een hoek van de zaal. Hij nam plaats achter de piano, speelde de eerste noten van het volkslied van beide Limburgen. Na een wat aarzelend begin zong de hele zaal uit volle borst: “Waar in ’t bronsgroen eikenhout, ’t nachtegaaltje zingt; Over ’t malse korenveld …”. Weer een teken van verbondenheid tussen beide Limburgen.
De Kapel in t Zand voor met links de kapel uit 1610, midden de aanbouw uit 1613 en 1684 en rechts het voorportaal uit 1689. Bron: Kapel in ’t Zand – Wikipedia
In Roermond wordt sinds eeuwen in de Kapel in `t Zand Maria vereerd. Dagelijks bezoeken veel mensen uit de regio en het nabije Belgische en Duitse grensgebied de kapel, in groepsverband (bedevaarten) of individueel. Zij vragen Maria om voorspraak bij God voor hun zorgen of noden, of bedanken haar voor een verkregen gunst. Zij steken vaak een kaarsje op en stoppen wat geld daarvoor in een offerblok. Ook worden geldelijke offergaven om andere redenen in het offerblok gedaan. Dat was ook het geval in het midden van de 19de eeuw. Het geld in de offerblokken trok en trekt ook lieden aan met minder oirbare bedoelingen.
Wat gebeurde er op 16 februari 1860?
Eind jaren vijftig van de 19de eeuw had men het vermoeden dat er diefstallen uit offerblokken in de kapel plaatsvonden. De zoon van koster Geelen had een aantal malen dezelfde man in de kapel gezien. Telkens na diens vertrek meende men dat er geld uit een offerblok was verdwenen. Wie de man was, had men niet kunnen achterhalen. De buren van de kapel hadden wel een vermoeden wie de dader was. Een man die geregeld een of tweemaal per week de kapel kwam bezoeken. Hard bewijs van diefstal ontbrak. Er was slechts de verklaring van één getuige, de zoon van de koster. Om de dief vroeg of laat in handen te krijgen, had men de offerblokken op één na veranderd. Op 16 februari 1860 vertoonden zich een man van middelbare leeftijd en een jongen bij de kapel. Twee buurtbewoners verborgen zich vliegensvlug in het verwufsel (ruimte boven het gewelf) van de kapel. Zij zagen vanuit een opening in het gewelf dat de man bij een offerblok met een voorwerp geld uit het offerblok haalde. Toen de man en de jongen bemerkten dat zij betrapt waren, gingen zij er vandoor. De jongen werd door omstanders overmeesterd en aan de wachtmeester van de marechaussee overgedragen. De man ontsnapte en sloeg op de vlucht. Deze werd later aangehouden en in handen van justitie gesteld. Het bleken een vader en zoon te zijn, afkomstig uit Weert.
Het lichten van offerblokken door onverlaten is een nog steeds voorkomend verschijnsel. De aanwezigheid van fysiek geld trekt dieven aan. Dat was ook in 2020 weer het geval in de Kapel in `t Zand. In de zomermaanden van 2020 sloegen dieven bij herhaling toe in de kapel om er met geld uit het offerblok vandoor te gaan. Op 16 augustus 2020 werd gezien dat een persoon geld uit het offerblok haalde. Toen hij met de buit de kapel wilde verlaten, werd hij door de politie in samenwerking met medewerkers van de kapel in de kraag gegrepen en gearresteerd. L’ histoire se répète.
Vader en zoon voor de rechtbank te Roermond
Op 14 maart 1860 stonden voor de rechtbank te Roermond: Peter Jan van Bree, wever, wonende te Weert, én zijn zoon Willem van Bree terecht. Ze werden beschuldigd van diefstal van offergelden uit een offerblok in de Kapel in `t Zand te Roermond. Uit het getuigenverhoor kwam naar voren dat getuigen gezien hadden dat vader Van Bree tot zevenmaal toe koperen en zilveren munten uit het offerblok had gehaald. Zoon Van Bree was ook in de kapel aanwezig geweest. Hij stond op de uitkijk om te zien of er onraad dreigde. De rechtbank achtte de beschuldiging bewezen. Zij veroordeelde vader Van Bree tot een gevangenisstraf in eenzame opsluiting van zes maanden en zoon Van Bree wegens medeplichtigheid tot een ‘eenvoudige’ gevangenisstraf van twee maanden. Die laatste veroordeling was enigszins bijzonder. Zoon Van Bree was nog net geen zestien jaar. Volgens het toen geldende strafrecht moest een jeugdige onder zestien jaar worden vrijgesproken tenzij hij met het oordeel des onderscheids had gehandeld. In dit geval had de rechtbank na het verhoor van zoon Van Bree geconcludeerd dat hij met het oordeel des onderscheids had gehandeld.
Wat weten we van de daders?
Pierre Jean (Peter Jan) van Bree is op 7 september 1815 geboren te Laar. Hij is op 20 april 1837 voor de wet en op 24 april 1837 voor de kerk te Nederweert getrouwd met Maria Catharina Geelen, ook vermeld als Joanna Catharina Gielen, geboren op 30 augustus 1813 te Nederweert en overleden op 75-jarige leeftijd op 15 november 1888 te Weert.
Inschrijving kerkelijk huwelijk Petrus Joannes van Bree en Joanna Catharina Gielen. Huwelijksregister 1837 Sint-Lambertuskerk Nederweert
Vertaling:
“In het jaar van de Heer 1837 april 24 zijn in mijn tegenwoordigheid Petrus Joannes van Bree en Joanna Catharina Geelen na drie roepen in onze kerk die geen bezwaar aan het licht hebben gebracht een huwelijk aangegaan met als getuigen Wilhelmus Geelen en Maria Gertrude van Bree. De bruidegom is geboren en gedoopt te Weert, de bruid in deze parochie.”
G.W.H. Scheijven, pastoor
Als beroep van Peter Jan van Bree is bij het burgerlijk huwelijk landbouwersknecht vermeld. Als beroep van Maria Catharina Geelen dienstmeid. Het echtpaar Van Bree-Geelen is na hun huwelijk gaan wonen naast de ouders van Maria Geelen aan de Weerterweg te Nederweert.
Vermelding in 1844 van P.J. van Bree, wever, en huisvrouw, Kerkstraat, als eigenaar van de percelen 1011, 1013 en 1015. Bron: Kadastrale kaart Nederweert 1811-1832, Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels, Nederweert, NL/LI/NDW00/A1015
Ligging eigendommen van P.J. van Bree in 1844 in Nederweert. Bron Kadastrale kaart 1811-1832- minuutplan Nederweert, Limburg, sectie A, blad 01 (MIN11070A01)
In Nederweert zijn op 15 juli 1838 dochter Anna Maria, op 11 januari 1841 dochter Maria Catharina en 25 maart 1844 zoon Wilhelmus van Bree geboren. Het is deze Wilhelmus van Bree die door de rechtbank te Roermond in 1860 tot twee maanden gevangenisstraf is veroordeeld.
Het echtpaar Van Bree-Geelen is tussen 1844 en 1848 verhuisd naar Hushoven, Weert. Daar werden drie dochters geboren: Lucia op 14 mei 1848, Petronella op 25 juli 1851 en Wilhelmina op 14 maart 1855.
Peter Jan van Bree is op 29 november 1890 op 75-jarige leeftijd overleden te Weert.
Epiloog
Zoals we gezien hebben, zijn vader en zoon Van Bree in 1860 veroordeeld wegens het lichten van een offerblok in de kapel in ’t Zand te Roermond. Het lichten van offerblokken was blijkbaar een specialiteit van huize Van Bree. Op 20 februari 1856 waren moeder Van Bree-Geelen en dochter Anna Maria Geelen veroordeeld tot zes maanden eenzame opsluiting resp. drie maanden gevangenisstraf wegens het lichten van een offerblok in de Sint-Lambertuskerk te Nederweert. Zie ook het verhaal: Hengelen in de Sint-Lambertuskerk, maar niet naar zielen.
Op 24 augustus 1826 vond de officiële opening plaats van de Zuid-Willemsvaart (het kanaal), een gegraven waterweg tussen Luik en `s Hertogenbosch. Weert kreeg daardoor een rechtstreekse verbinding over water met die twee steden. Dat werd in Weert groots gevierd. s`Avonds voeren de eerste schepen het Bassin in, een haven/zwaaikom, die reeds gegraven was bij de aanleg van het onvoltooid gebleven Grand Canal du Nord.
Langs het Bassin vestigden zich bedrijven. Een daarvan was de steenkolenhandel van Leonard Broens. De steenkolen werden per schip aangevoerd uit het Luikse steenkolenbekken. In mei 1859 deden zich bij die steenkolenhandel ongeregeldheden voor. Deze trokken de aandacht van regionale en landelijke kranten en leidden tot een aantal rechtszaken. In dit artikel beschrijf ik deze gebeurtenis. Daarbij is het niet te vermijden dat er enig juridisch jargon gebruikt wordt. Ik hoop dat de lezer zich daardoor niet laat afschrikken.[1]
Wat was de aanleiding voor die ongeregeldheden?
Op 14 mei 1859 legde deurwaarder Frans Geene uit Weert op verzoek van Johannes van Laarhoven, fabrieksarbeider te Eindhoven, ten laste van Leonard Broens, koopman te Weert, executoriaal beslag op de voorraad steenkolen in diens magazijn aan het Bassin te Weert. De inbeslagneming vond plaats ter uitvoering van een vonnis van de rechtbank te Roermond. Om te voorkomen dat steenkolen aan het beslag zouden worden onttrokken, werd er een bewaker aangesteld, Laurens Bijlmakers, van beroep pruikenmaker, te Weert. De publieke verkoop van de in beslag genomen steenkolen zou volgens een advertentie in de Maas- en Roerbode van 21 mei 1859 plaatsvinden op maandag 23 mei 1859 om 9 uur `s morgens. Er werden 800 mud steenkolen te koop aangeboden tegen contante betaling.[2] Deurwaarder Frans Geene zou de verkoop leiden.
Verzet van Broens tegen de beslaglegging
Leonard Broens kon die voorgenomen verkoop van zijn steenkolen niet verkroppen. Hij was van mening dat er ten onrechte beslag was gelegd. Hij ging over tot actie. Hij ronselde een aantal personen om de in beslag genomen steenkolen weg te halen. Hij stelde hen een dagloon in het vooruitzicht en zo veel jenever als ze konden drinken. Op 20 mei 1859 `s avonds kwamen Leonard Broens, zijn vader en door hen gecharterde werklui bij het magazijn aan. Leonard Broens probeerde eerst door het aanbieden van geld bewaker Laurens Bijlmakers over te halen te vertrekken. Toen die poging mislukte, liet hij de latten en palen van het staketsel, dat om het magazijn stond, afbreken. Het ingehuurde werkvolk maakte vervolgens aanstalten met kruiwagens het terrein op te komen en de kolen op te laden.
Een drietal gewaarschuwde marechaussees van de brigade te Weert probeerde het weghalen van de steenkolen te verhinderen. Zij werden onverwachts aangevallen door de werklui, die door Broens goed waren onthaald op jenever. Intussen stroomde ook volk uit Weert toe, nieuwsgierig naar wat er gebeurde. De samengeschoolde menigte, opgejut door Broens, bekogelde de marechaussees met steenkolen en stenen. Volgens sommige berichten waren het zo`n 800 personen.[3] Een gewaarschuwde wachtmeester kwam met een andere marechaussee en de rijksveldwachter de in het nauw geraakte marechaussees te hulp. Zij slaagden met veel moeite en niet zonder gevaar zelf mishandeld te worden erin hun collega`s te ontzetten. Ook konden ze de aanstichters, Leonard Broens en zijn vader, arresteren. Toen zij deze naar het gevang wilden overbrengen, weigerden deze te lopen. De marechaussees zagen zich genoodzaakt hen op een stoel daar naartoe te dragen. Onderweg werden zij door Weertenaren met stenen bekogeld en met verwensingen overladen. Leonard Broens stond volgens een krantenbericht bij de politie te Weert ongunstig bekend. Hij zou bij een aantal gerechtelijke vervolgingen als medeplichtige betrokken zijn geweest.[4]
Een van de marechaussees bleek vijf verwondingen te hebben opgelopen. De wachtmeester was ernstig gewond. De epauletten en nestels (koorden) waren van de uniformen van de gezagsdragers afgerukt. Hun kleren waren gescheurd. Hun wapens waren onbruikbaar geraakt zonder dat zij, overvallen door de grote menigte toegestroomd volk, daar gebruik van hadden kunnen maken.[5]
De openbare verkoop op 23 mei 1859
De aangekondigde openbare verkoop van de steenkolen op 23 mei 1859 ging gewoon door. Omdat men voor nieuwe ongeregeldheden vreesde, gingen in de nacht van zondag 22 op maandag 23 mei 1859 de substituut-officier van Justitie, een luitenant en een brigade van de marechaussee te paard van Roermond naar Weert. Daar arriveerden ze `s morgens om vier uur, vastbesloten om zo nodig met geweld en gebruik van wapens de orde te handhaven. Dat machtsvertoon miste zijn uitwerking niet. Sterker nog: de substituut-officier van Justitie slaagde erin nog enkele personen, verdacht van medeplichtigheid aan de wanordelijkheden van de voorgaande vrijdag, aan te houden. Deze werden gevankelijk afgevoerd naar Roermond. Andere verdachten waren volgens sommige berichten op de vlucht naar België geslagen.[6] Van de aangehoudenen zouden enkelen reeds eerder tot zware straffen wegens verschillende misdrijven veroordeeld zijn.[7]
De verkoop van de steenkolen verliep verder zonder problemen. De aanstichters van de wanordelijkheden enige dagen tevoren waren immers gearresteerd.
Bij Koninklijk Besluit van 12 februari 1860 werd aan wachtmeester Krol en aan de manschappen Van Stevenick, Kospori en Roos, van de brigade marechaussee te Weert, een gratificatie tot een gezamenlijk bedrag van fl. 80 toegekend. De rijksveldwachter, (“opziener der jagt en visscherij der derde klasse”) W.J. Kleijnjans, gestationeerd te Weert, ontving een gratificatie van fl. 20. De gratificaties werden toegekend vanwege de betoonde moed en bijzondere plichtsbetrachting bij gelegenheid van de ongeregeldheden te Weert, waarbij geweld tegen deze personen was gebruikt.[8]
Arnold Godfried Broens
Door de arrestatie van Leonard Broens en de openbare verkoop van de steenkolen kwam de kolenhandel van Leonard Broens aan het Bassin stil te liggen. Weert bleef echter niet lang verstoken van steenkolen. In de Maas- en Roerbode van 25 juni 1859 verscheen de volgende advertentie.
“De ondergetekende heeft de eer aan zijn begunstigers te berigten dat Hij van af den vijfden dezer maand heeft opgehouden Namens L.J Broens te Weert te handelen terwijl thans de handel in steenkolen, timmer- en brandhout door hem voor eigen rekening wordt voortgezet. Zijn magazijnen te Weert, Asten en Eindhoven zijn ruim voorzien. Tevens beveelt hij zich in een ieders gunst aan. Weert, den 23 Junij 1859. Arnold Godfried Broens”.
Arnold Broens handelde voorheen blijkbaar ook als vertegenwoordiger van zijn jongere broer Leonard Broens naast zijn eigen handel in steenkolen in Asten en Eindhoven.
Arnold Broens had in de Beekstraat te Weert een handel in lompen gehad. Op 12 mei 1854 ontstond er vroeg in de avond brand in het lompenmagazijn. De lompen werden een prooi van de vlammen. Ook het gebouw werd zwaar beschadigd. Een geluk bij een ongeluk was dat er niet al te veel lompen waren opgeslagen, ander was er het gevaar geweest dat een gedeelte van de straat afgebrand zou zijn.[9]
De Volksstem, 20 september 1899
Arnold Godefridus Broens is geboren op 9 juli 1827 te Weert en overleden op 24 augustus 1899 te Nuth.
Hij is op 25 februari 1853 te Asten getrouwd met Anna Maria Beckx. Het echtpaar Broens-Becks heeft 12 kinderen gekregen, waarvan er drie kort na hun geboorte zijn overleden. Vermeldenswaard is dat niet minder dan drie zonen priester zijn geworden en alle drie naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd om zich te bekommeren om het zielenheil van Nederlandse, Duitse en Engelse katholieke emigranten.[10] Bij het overlijden van Arnold Broens verscheen in De Volksstem, een Nederlandstalig weekblad in de Verenigde Staten, het volgende bericht.[11]
De Weerter raddraaiersvoor het Provinciaal Gerechtshof van Limburg
Op donderdag 8 maart 1860 begon voor het Provinciaal Gerechtshof van Limburg een strafzaak tegen acht personen die beschuldigd werden van ”aantasting, gewelddadigen en feitelijken wederstand door meer dan twintig personen, gewapend tegen de gewapende magt, veldwachter en eenen geregtelijken bewaarder gepleegd, tijdens zij ter uitvoering van de wet, de bevelen van het openbaar gezag en van een geregtelijk bevel of vonnis handelden”. De vermelding van “meer dan twintig personen” in de tenlastelegging was van groot belang omdat bij bewezenverklaring daarvan bij wederspannigheid een minimumstraf van vijf jaren gold.[12] Sommigen verdachten werden ook beschuldigd van opruiing en belediging en dreigementen tegen agenten in de uitoefening van hun functie. De beschuldigingen hadden betrekking op de ongeregeldheden die op 20 mei 1859 in de nabijheid van de Zuid-Willemsvaart te Weert hadden plaatsgevonden. Door het Openbaar Ministerie waren niet minder dan 51 getuigen opgeroepen. De verdediging van de aangeklaagden gebeurde door zes advocaten: De Bieberstein, Sassen, Schous, Swart senior, Swart junior en Dessin. Met recht, een monsterproces.[13]
Het verhoor van de getuigen en de verdachten nam vier dagen in beslag. De getuigen moesten van Weert naar Maastricht reizen; geen sinecure in die tijd zonder treinverbinding, auto en fiets.
De eis en de uitspraak van het Gerechtshof
De advocaat-generaal van het Gerechtshof vroeg in zijn requisitoir zes van de verdachten schuldig te verklaren aan de hen ten laste gelegde feiten. Hij eiste een gevangenisstraf van ten minste vijf jaar tegen vader en zoon Broens, Kwasters en Luys en bovendien voor ieder van hen een boete van fl. 8,-. Voor Voets en Hoenraets[14] eiste hij een gevangenisstraf van ten minste zes maanden op grond van verzachtende omstandigheden. Voor de verdachten Gijbels en Meuwis vroeg hij vrijspraak.[15]
Op 20 maart 1860 deed het hof uitspraak. Het hof achtte niet bewezen dat bij de wederstand meer dan twintig gewapende personen waren betrokken. Dat was een enorm voordeel voor de verdachten omdat dan geen minimumstraf van vijf jaren opgelegd moest worden.
In vergelijking met de eis van de advocaat-generaal kwam het hof tot aanzienlijke lagere straffen. Leonard Broens werd veroordeeld tot zeventien maanden gevangenisstraf en vader Broens tot één jaar. Kwasters en Voets kregen een maand eenzame opsluiting. Luys kreeg een boete van fl. 15,- opgelegd.[16] De andere verdachten werden vrijgesproken. De president van het hof sprak na de uitspraak de verdachten ernstig toe waarbij hij het verkeerde en betreurenswaardige van het voorval schetste. Hij bracht vader Broens onder het oog dat zijn gedrag dubbel strafwaardig was. Niet alleen door zijn zoon niet van het wanbedrijf te weerhouden maar ook door daar zelf aan deel te nemen.[17]
De veroordeelden kregen drie dagen de tijd om tegen het arrest in cassatie te gaan bij Hoge Raad. Alleen Leonard Broens maakte daar gebruik van.
De Maasstraat in vroeger tijden. Bron- www.schumulder.nl
De vader van Leonard Broens, Jan Leonard Broens, is geboren op 28 december 1799 te Budel. Hij is tussen 15 en 21 maart 1878 overleden te Turnhout.[18] Hij is op 7 februari 1831 te Weert getrouwd met Catharina Vertu/Forteij, gedoopt op 13 januari 1790 in Roggel en op 11 mei 1868 overleden te Weert.[19] Jan Leonard Broens, koopman, was in 1844 volgens het kadaster eigenaar van een perceel ter grootte van 315 vierkante meter, met huis en erf, in de Maasstraat te Weert.
Op 12 mei 1868, een dag na het overlijden van zijn moeder, verkocht Leonard Broens, koopman, wonende te Turnhout, zijn erfdeel in de nalatenschap, zijnde de onverdeelde helft, voor een bedrag van vierhonderd gulden aan zijn broer Arnold Broens, wonende te Weert.
Bron Kadaster OAT Weert, 15-5-1844 NL:WEE01:00086
Vader Joannes Leonardus Broens was, zoals we gezien hebben, in maart 1868 overleden. Tot die nalatenschap behoorde een huis en erf gelegen in de Maaspoort, sectie O nr. 86, groot 3 roeden en 30 ellen.[20] Arnold Broens werd zodoende eigenaar van dat huis.
Met pijl aangegeven- ligging perceel 86, in de Maasstraat, eigendom van Jan Leonard Broens Bron- kadaster, minuutplan NL:LI:WEE01:O0086
Het cassatieberoep van Leonard Johan Broens
Ik beperk me in dit verhaal verder hoofdzakelijk tot Leonard Broens.
Het Gerechtshof had Leonard Broens junior schuldig verklaard aan “aantasting, feitelijke en gewelddadige wederstand door meer dan drie en minder dan twintig personen, ongewapend, jegens eenen geregtelijke bewaarder en agenten van de gewapende magt….” en aan “opruijng tot die rebellie…”. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad, Karseboom, concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, voor zover de feiten mede gekwalificeerd waren als rebellie. Dat leek er dus goed uit te zien voor Broens. De advocaat-generaal was van mening dat de feiten bewezen en strafbaar waren maar kwalificeerden als ” het slaan van van een agent der gewapende magt en van een bediende beambte onder de waarneming hunner dienst”. Hij adviseerde de Hoge Raad Broens daarvoor tot dezelfde straf te veroordelen als het gerechtshof en in de kosten van cassatie.
De behandeling door de Hoge Raad
De conclusie van de advocaat-generaal omtrent de kwalificatie van de gebeurtenissen leidde ertoe dat de Hoge Raad in zijn uitspraken uitgebreid en gedetailleerd inging op hetgeen zich op 20 mei 1859 aan het Bassin te Weert had voorgedaan. Ik geef een deel daarvan hierna, geparafraseerd in eigen bewoordingen, weer.
Ondanks het verbod van Bijlmakers, de pruikenmaker, die als bewaarder van de in beslag genomen steenkolen was aangesteld, hadden Broens en een andere verdachte de palen van de afsluiting waar de steenkolen opgeslagen waren, afgebroken. Na het afbreken van het staketsel had Broens tegen Bijlmakers gezegd: “Bijlmakers, ge kunt vertrekken, pruikenmaker gij hebt hier voldaan, ik bedank u voor uwe goede oppassing, -nu gauw eruit, of ik laat u door mijn werkvolk uitgooien”. Tegen het werkvolk had hij geroepen: “allez jongens, alles is ter mijner verantwoording, wat er van komt of niet”.
Vervolgens was een aantal personen uit het samengestroomde volk de bergplaats binnengedrongen. De bewaarder had zich als zodanig kenbaar gemaakt en gezegd dat niemand aan de steenkolen mocht komen. De door de bewaarder geïnformeerde marechaussee Van Zutphen was met een patrouille ter plaatse verschenen, had de menigte meegedeeld dat hij commandant was en verzocht de plaats te ontruimen. Anders zou hij geweld moeten gebruiken. Leonard Broens had daarop geantwoord: “ik commandeer hier, allez jongens, pak de kruiwagens, allez mannen, aan het werk.” Toen niemand daar aanstalten toe maakte, had hij tegen zijn vader gezegd: ”begint gij dan maar”. Vader Broens had een mand met steenkolen gevuld. Bewaarder Bijlmakers, die zijn taak serieus nam, had de mand leeggeschud. Leonard Broens had daarop de mand van Bijlmakers afgenomen en hem daarbij in de hand geknepen. Ook had hij een handvol kolengruis op de marechaussee Van Steveninck gegooid. Toen deze hem wilde arresteren, had hij zich samen met zijn vader daartegen verzet. Daarbij had hij met een stuk steenkool de marechaussees Van Zutphen en Van Steveninck op het hoofd geslagen en verwond. Vader Broens had zich er ook mee bemoeid en marechaussee Van Zutphen gestoten en geslagen. Vervolgens was er een worsteling ontstaan tussen vader en zoon Broens en de beide marechaussees. Daarbij waren van de marechaussees de epauletten en nestels van de uniformen afgerukt. Leonard Broens had de te hulp geschoten veldwachter Kleijnjans in een vinger gebeten en diens vest verscheurd. Van de marechaussee Roos had hij de stormbanden van diens casque (helm) afgescheurd. Tijdens die worsteling had Leonard Broens geroepen: “allez jongens, werpt op, gooit op, sta me bij, help mij, heb ik u lieden daarvoor van daag getracteerd en betaald, dat gij mij niet helpen wilt, helpt mij, ik zal u daarvoor beloonen”. Een aantal van de medebeschuldigden had daarop de marechaussees aangevallen, hen de wapens uit handen gerukt, bedreigingen geuit en kolen en gruis naar hen gegooid. Aan de worsteling kwam pas een einde toen wachtmeester Kroll, commandant van de brigade te Weert, samen met marechaussee Kaspori, op het terrein verscheen en de menigte op zijn verzoek uiteenging.[21]
De uitspraak van de Hoge Raad
Het gebouw aan het Plein in Den Haag, waarin van 1860 tot 1988 de Hoge Raad gehuisvest was (bijgenaamd ’het hondenhok’), 1904. Haags Gemeentearchief:RCE
De Hoge Raad achtte de hiervoor vermelde feiten bewezen. De daarna volgende redenering is een voorbeeld van hogeschool juristerij.
De Hoge Raad vond dat het bijten in de vinger van veldwachter Keijnjans en het slaan van marechaussee Van Stevenick niet viel onder de bewoordingen van artikel 209 van het Wetboek van Strafregt, “toute résistance avec violence et voies de fait”.[22] Daarmee was alleen bedoeld geweld bij daadwerkelijk verzet. Het bijten van de veldwachter en het slaan van de marechaussee waren” volgens de Hoge Raad “beledigingen en geweldplegingen als bedoeld in artikel 228 Wetboek van Strafregt”.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Provinciaal Gerechtshof van Limburg op dit punt en oordeelde dat het toebrengen van slagen aan agenten van de gewapende macht en aan een dienstdoende beambte in de uitoefening van hun functie strafbaar was volgens artikel 228 Wetboek van Strafregt.
Die andere kwalificatie van de feiten baatte Leonard Broens echter niet. Ook de Hoge Raad veroordeelde hem in zijn zitting van 15 mei 1860 tot zeventien maanden gevangenisstraf en bovendien in de kosten van de procedure.[23]
Een eerdere strafzaak tegen Leonard Broens wegens de ongeregeldheden op 20 mei 1859
Leonard Joannes Broens, koopman, geboren en wonende in Weert, had zich al eerder, kort na de ongeregeldheden aan het Bassin te Weert, moeten verantwoorden voor de rechtbank te Roermond voor een ander ten laste gelegd strafbaar feit, namelijk dat hij op 20 mei 1859 ´wederspannigheid door één persoon met wapenen´ had gepleegd. Deze tenlastelegging was van een lichtere categorie dan die voor het Provinciaal Gerechtshof. Daardoor was de rechtbank bevoegd die te behandelen. De rechtbank had hem op 29 juni 1859 daarvoor tot een gevangenisstraf van zes maanden veroordeeld. Leonard Broens had tegen dat vonnis beroep aangetekend bij het Provinciaal Gerechtshof van Limburg. Het hof had op 13 april 1860 het vonnis van de rechtbank bevestigd. Ook tegen die uitspraak van het hof was Broens in cassatie bij de Hoge Raad gegaan.
De Hoge Raad nam in zijn uitspraak van 19 juni 1860 als bewezen aan dat Leonard Broens veldwachter Hoens, die hem wilde beletten inbeslaggenomen steenkolen op te scheppen, een stoot tegen de borst had gegeven en de schop, die hij bij zich had, dreigend opgeheven had en gezegd had: “wanneer gij niet teruggaat, sla ik u met de schop in de nek”.
De Hoge Raad was van oordeel dat deze feiten geen wederspannigheid door één persoon met wapenen in de zin van artikel 212 van het Wetboek van Strafregt opleverden. Hij vernietigde de uitspraak van de rechtbank te Roermond. Maar ook in deze cassatiezaak leverde dat voor Leonard Broens niets op. De Hoge Raad veroordeeld hem op 19 juni 1860 wegens het toebrengen van slagen aan en het beledigen met dreigementen van een bedienend ambtenaar in zijn functie[24] tot een gevangenisstraf van zes maanden, een geldboete van fl. 10,– en betaling van de kosten van cassatie.[25]
De gevangenisstraf van Leonard Broens
Inschrijvingsregister gedetineerden, archiefnummer 54, Gevangenissen in Eindhoven, inventarisnummer 51, Gemeente Eindhoven, Periode 1860-1862
De veroordeling van Leonard Broens was met de uitspraken van de Hoge Raad definitief geworden. Op 9 juni 1860 werd hij ingesloten in de gevangenis te Eindhoven. In het gevangenisregister is een aantal persoonlijke gegevens van Leonard Johann Broens vermeld. Als zijn vadersnaam is vermeld Johan Leonard. Die van zijn moeder Catharina Fortij.[26] Zijn geboorte- en woonplaats zijn Weert. Hij is 27 jaar en ongehuwd. Zijn gewone taal is Nederlands. Zijn beroep koopman. De godsdienstige gezindheid is niet vermeld.
Verder is zijn signalement vermeld. Zijn lengte is 1 El 8 Palm en 5 Duim.[27] Wat opvalt is dat bij `Bijzondere teekenen´ staat: “geprikt op de regter hand en linker arm”.[28] Verder is in het register als plaats van herkomst Heeze (!) vermeld.
Inschrijvingsregister gevangen mannen, archiefnummer 52, Gevangenissen in ‘s-Hertogenbosch 1815-1940, inventarisnummer 305, Gemeente `s Hertogenbosch, Periode 1859-1862
Het verblijf van Leonard Broens in de gevangenis te Eindhoven is van zeer korte duur geweest. Al op 10 juni 1860 wordt hij ingeschreven in het register van de gevangenis te `s Hertogenbosch. In het register is aangetekend dat de straf zijn eerste veroordeling betreft. In de rubriek “misdaad, wanbedrijf of overtreding” is vermeld: “Het toebrengen van slagen aan agenten der gewapende magt en van een bediende beambte” en “wegens rebellie”. Hier is wel zijn godsdienstige gezindheid ingevuld: “Roomsch”. Als dagtekening van het vonnis of arrest is vermeld: “Hogeraad der Nederlanden d.d. 31 Mei 1860, 29 Junij 1859 Arr. Regtb Limburg”. Als tijdsduur van de straf is opgetekend: zeventien maanden, een maand, zes maanden en als dagtekening van de ingang van de straf 20 maart 1860. Voor de gevangenisstraf van een maand heb ik geen verklaring kunnen vinden. Als einde van de straf zijn vermeld 12 augustus 1861, 12 september 1861 en 10 maart 1862 en als datum van ontslag uit de gevangenis 10 maart 1862.
Hoe verging het Leonard Broens na het uitzitten van zijn gevangenisstraf?
Leonard Broens is vrij snel na zijn ontslag op 10 maart 1862 uit de de gevangenis op 3 juni 1862 te Weert getrouwd met Carolina Margaretha Maria van Lierop, modemaakster. Carolina van Lierop was een 20-jarige wees uit Eindhoven. Bij het huwelijk waren de ouders van Leonard Broens, Joannes Leonardus Broens, zonder beroep, en Catharina Vertu, zonder beroep, aanwezig.[29] Zij verklaarden toestemming te geven voor het huwelijk. De voogd en toeziend voogd over de minderjarige Carolina hadden hun toestemming bij notariële akte gegeven.[30]
Otterstraat, Turnhout, met rechts vooraan het pand ”De Spiegel, 1901. www.turnhoutvanvroeger.be
De echtelieden Broens-Van Lierop zijn na hun huwelijk in 1862 naar België geëmigreerd en hebben zich gevestigd in Turnhout.[31] De achternaam Leonard Broens wordt daar als Bruens vermeld. Het echtpaar heeft daar, voor zover ik heb kunnen nagaan, negen kinderen gekregen. Een van de kinderen, Melanie Leonard Mathilda, is tussen 24 en 30 augustus 1878 overleden, 7 maanden oud.[32] Het echtpaar Bruens-Van Lierop woonde toen in de Otterstraat te Turnhout.
Carolina van Lierop, geboren rond 1841 te Eindhoven is op 1 juli 1880 te Turnhout overleden. Léonard Broens is daarna nog een tijd in Turnhout blijven wonen, maar later met meerdere kinderen verhuisd naar Sint-Jans-Molenbeek.[33] Dat leid ik af uit het feit dat in de jaren negentig van de 19de eeuw enkele van zijn kinderen in Sint-Jans-Molenbeek zijn getrouwd, onder meer op 16 juli 1890 en 3 september 1896. Zo trouwde Theodore Antoine Marie Bruens, beroep répresentant de commerce (handelsreiziger), geboren op 25 september 1872 te Turnhout, wonende in Sint-Jans-Molenbeek op 16 juli 1898 te Brussel met Laure Caroline Martin, beroep lingère (linnennaaister), geboren op 18 oktober 1869 te Antwerpen, wonende in Brussel, voorheen in Cugnon.[34] Als vader van de bruidegom is vermeld Léonard Bruens, van beroep négociant (handelaar), wonende te Sint-Jans-Molenbeek. Een jaar later wordt bij het huwelijk van zijn zoon Constantin Arnold Antoine Bruens als beroep van Léonard Bruens rentier (rentenier) vermeld. Andere zonen van Leonard Bruens waren pharmaciens (apothekers) in Sint-Jans-Molenbeek en Antwerpen en droguiste (drogist) te Sint-Jans-Molenbeek. Een drietal zonen van Leonard Bruens is in de jaren 1889, 1891 en 1892 opgenomen op Lijsten der Lotelingen van Turnhout.
Aankondigingsblad, zaterdag 24 juli 1897
Leonard Broens/Bruens heeft in Turnhout fortuin gemaakt. Dat blijkt onder meer uit de aankondiging van de openbare verkoop in 1897 van een “Huizing van 2 Woningen met plaats en magazijn” in de Otterstraat te Turnhout. De verkoop vond plaats ter herberg van den heer Aug. Peeters “in den Spiegel” in de Otterstraat te Turnhout. Leonard Broens woonde toen in Sint-Jans-Molenbeek.
Aankondigingsblad zaterdag 16 september 1911
De overlijdensdatum- en plaats van Leonard Broens heb ik niet achterhaald. Dat zal in ieder geval voor 1911 geweest zijn. In dat jaar vond in Turnhout op verzoek van de erven Bruens-Van Lierop te Brussel de openbare verkoop plaats van zeven huizingen, ook een bewijs van de welstand van Bruens.
Epiloog
Op 20 mei 1859 vonden aan het Bassin te Weert ongeregeldheden plaats. Aanleiding daarvoor was een poging van Leonard Broens om in beslag genomen steenkolen weg te halen. Een aantal deelnemers aan de ongeregeldheden werd strafrechtelijk veroordeeld. Leonard Broens vocht de hem opgelegde gevangenisstraffen tot en met de Hoge Raad aan; echter tevergeefs. Na het uitzitten van zijn gevangenisstraf is Leonard Broens getrouwd en naar Turnhout vertrokken. Daar heeft hij fortuin gemaakt. Een aantal jaren na het overlijden van zijn vrouw is hij met kinderen naar Sint-Jans-Molenbeek verhuisd.
NOTEN
[1] De inhoud van dit verhaal is hoofdzakelijk gebaseerd op krantenberichten, gerechtelijke uitspraken en gevangenisregisters.
[2] Een mud is een inhoudsmaat van 100 liter. Een mud steenkolen weegt tussen de 40 en 50 kilo.
[3] Ter bepaling van de gedachten: Weert telde bij de volkstelling van 1859 6800 inwoners, waarvan 3392 van het mannelijk en 3408 van het vrouwelijk geslacht. Van die 6800 waren er 6773 katholiek en 27 protestant.
[4] Maas- en Roerbode, 28 mei 1859.
[5] Maas- en Roerbode, 28 mei 1859; Nieuwe Rotterdamsche Courant, 28 mei 1859; De Noord-Brabanter, 31 mei 1859.
[6] De Tijd, 28 mi 1859; Noordbrabantsche en `s Hertogenbossche courant, 30 mei 1829.
[7] Maas- en Roerbode, 28 mei 1859.
[8] De Volksvriend, Weekblad van Roermond, 3 maart 1860.
[9] De Noord-Brabanter, 16 mei 1854.
[10] Zie voor meer informatie over deze familie: Weert, “Parel van de heide…in de 19de eeuw”, Frits Nies, pag.203.
[11] De Volksstem was een Nederlands-Amerikaans katholiek weekblad, dat van 1890 tot 1919 verscheen in De Pere, Wisconsin, USA.
[12] Artikel 210 Wetboek van Strafregt.
[13] Le courrier de la Meuse, 10 maart 1860, Nieuwe Rotterdamsche Courant, 10 maart 1860.
[14] In Weert heb ik geen personen met de naam ‘Hoenraets’ gevonden. Bedoeld zal zijn ‘Haenraedts’.
[15] Le courrier de la Meuse, 11 maart 1860.
[16] Le courrier de la Meuse, 22 maart 1860.
[17] Nieuwe Rotterdamsche Courant, 22 maart 1860; Nieuw Amsterdamsch handels- en effectenblad, 22 maart 1860.
[18] De Kempenaar 22 maart 1878.
[19] Vermeldenswaard is dat de ouders van Catharina Vertu, Arnold Vertu en Joanna Aloffs, volgens de in het Latijn geschreven doopakte, in Velsen “in Hollandia” getrouwd zijn.
[20] Veel dank aan Zef Koenen voor het aanleveren van het bronmateriaal voor deze gegevens.
[21] In het arrest van de Hoge Raad is de toedracht van de gebeurtenissen ietwat verschillend van die in de krantenverslagen.
[22] Tot 1886 gold in het Koninkrijk der Nederlanden nog de uit de Franse tijd daterende Code pénal met een vertaling in het Nederlands.
[23] Weekblad van het regt, 11 juni 1860.
[24] Artikel 230 Wetboek van Strafregt, resp. artikel 224 van het Wetboek van Strafregt.
[25] Weekblad van het Regt, 16 juli 1860
[26] De achternaam Forteij wordt in ander documenten ook als Vertu en Verdu vermeld.
[27] Bij wet van 21 augustus 1816 was in het Koningrijk der Nederlanden per 1 februari 1820 het metrieke stelsel ingevoerd ter vervanging van de verschillende regionale en plaatselijke maten. Deze bleven echter nog lang in gebruik.
Een El werd in de genoemde wet gelijkgesteld met een meter, een Palm met tien centimeter en een duim met één centimeter. Leonard Broens was dus een meter vijfentachtig centimeter: een grote jongen, zeker voor die tijd.
[28] Mogelijk betekent dit dat Leonard op die plaatsen tatoeages had.
[29] De meerderjarigheidsgrens lag vanaf 1838 tot 1901 op 23 jaar.
[30] Van 1838 tot 1970 hadden trouwlustige personen tot een leeftijd van 30 jaar toestemming van hun ouders c.q. voogden nodig voor het aangaan van een huwelijk.
De benaming het Maasland of Maasvallei wordt in deze lezing gebezigd voor het smalle, laaggelegen gebied langs de Maas tussen Lanaken in Belgisch Limburg en Thorn in Nederlands Limburg. De Maas scheidt dan wel fysiek de beide Limburgen maar niet de bevolking.
In sociaal en cultureel opzicht zijn er veel overeenkomsten tussen de inwoners van deze regio. Hoewel het dialect plaatselijk enigszins kan verschillen, kunnen de bewoners elkaar zonder problemen verstaan.
Ook in religieus opzicht is er sprake van een zekere eenheid, zeker tot voor kort.
Spreker Frans Medaer
Frans Medaer zal ons aan de hand van dia`s en anekdotes verhalen over de geschiedenis van deze streek. Beginnend met de oertijd zal hij ons door de eeuwen heen gidsen met aandacht voor de Eburonen, de Romeinen, de Franken, Karel de Grote, het graafschap Loon, het prinsbisdom Luik, de Franse tijd, de Hollandse periode en de beide wereldoorlogen. Ook zal hij aandacht besteden aan de waterwegen, de Maas en de kanalen.
Zijn lezing is geen opsomming van feiten. De geschiedenis wordt verteld aan de hand van lokale verhalen met een verbindend karakter over echte mensen. Daarin staat de mens met zijn waarden en overtuigingen centraal.
Hij zal zijn lezing besluiten met zijn “Boodschap voor een Betere Wereld”; een boodschap die al in honderden talen en dialecten verpreid is.
Frans Medaer is afkomstig uit Lanklaar. Hij was leraar Frans, geschiedenis en Latijn bij de Kruisheren te Neeroeteren en later directeur van die school. Na zijn pensionering heeft hij veel activiteiten ontplooid, onder meer op het gebied van geschiedenis, heemkunde en muziek. Hij is een veel gevraagd spreker.
Mini-symposium ‘Het verhaal van het kanaal’
Op 17 augustus van dit jaar was hij een van de sprekers op het mini-symposium “Het verhaal over het kanaal” (geschiedenis van de Zuid-Willemsvaart) te Bocholt.
Frans Medaer is een boeiend en gepassioneerd causeur, die zijn verhalen met humor en anekdotes doorspekt.
Wij hopen u op maandagavond 4 december 2023 bij Antje van de Statie te mogen begroeten.
Praktische Informatie
Activiteit:
Lezing ‘Het Maasland doorheen de eeuwen’
Door:
Frans Medaer
Wanneer:
maandag 4 december 2023 om 19.30 uur
Waar:
Brasserie-hotel Antje van de Statie, Stationsplein 1 in Weert
In het land van Weert staan nog betrekkelijk veel molens, een zichtbare herinnering aan vervlogen tijden. Dat zijn voornamelijk windmolens maar ook enkele watermolens. Deze molens zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling en groei van Weert en omgeving. Een aantal vroegere molens zijn in de loop der tijd verdwenen. Een van die verdwenen molens was de standerdmolen van Hushoven. Deze molen en zijn eigenaars staan in dit artikel centraal.Maar eerst verhaal ik iets over molens in Weert ten tijdevan de oprichting van de standerdmolen te Hushoven.
Malen
Overal ter wereld waar graan wordt verbouwd, is brood volksvoedsel. Om brood te kunnen bakken,moet het graan verwerkt worden tot meel. Dat gebeurt al sinds mensenheugenis. Aanvankelijk door het vermorzelen van graankorrels tussen twee stenen. Later met primitieve handmolens en molens die door paarden of mensen aangedreven werden. Een grote vooruitgang was de uitvinding van water- en windmolens, waarbij de aandrijving gebeurt door natuurkrachten.
Molens in Weert eind 18de eeuw
Op de Ferrariskaart van 1777 is binnen de grachten van de stad Weert een molen aangegeven, de binnenmolen, en een eindje daarbuiten een andere molen, de buitenmolen. Beide molens behoorden toe aan de heer van Weert, Philippe Gabriel Maurice Joseph d’Alsace d’ Henin Liétard, prins van Chimay.
Uitsnede Ferrariskaart 1777 van Weert met daarop aangegeven de binnenmolen en de buitenmolen.
Buitenmolen, graanmolen Weert
De buitenmolen, een graanmolen, lag buiten de stadswallen van Weert bij de molenpoort in de buurt van de Sint Rumolduskapel. De molen werd daarom ook Rumoldusmolenof Romboutsmolengenoemd. Deze molen werd in 1875 gesloopt. Zij werd door 12 paarden overgetrokken. Op dezelfde plek werd een nieuwe molen gebouwd.iOp 6 november 1921 is deze molen tijdens een zware storm omgewaaid en in 1922 afgebroken. De molenlagongeveer op de hoek van de huidige Coenraad Abelstraat en de Willem I straat in Weert.ii
Binnenmolen Weert
De binnenmolen lag, zoals al uit de benaming blijkt, binnen deomwallingvan Weert,ongeveer op de plek waar nu het appartementsgebouw De Kluis aan de Wilhelminasingel ligt. Ook de binnenmolen was een graanmolen. Wanneer bij belegeringen van de stad de buitenmolen niet gebruikt kon worden, kon in die molen graan gemalen worden zodat er in de belegerde stad meel was voor het bakken van brood voor de inwoners. De binnenmolen stond op de stadswal. De molen is in 1919 afgebroken voor de uitbreiding van het College Sint Jozef.Van de binnenmolenresteert nog een maalsteen op de middenbermvan de huidige Wilhelminasingel.iii
De molens van Weert in de Franse tijd
In het najaar van 1794 veroverden Franse militairen de hele linker Rijnoever, waaronder in september 1794 ook Weert.Weert werd op 1 oktober 1795 formeel ingelijfd bij de Franse republiek.Het werd een Franse gemeente en de inwoners werden Franse burgers. Weert vormde samen met Nederweert en Stramproy een kanton van het departement Nedermaas. De heerlijke rechten werden afgeschaft. De molens van de heer van Weert, Philippe Gabriel Maurice Joseph d’Alsace d’ Henin Liétard, Prince de Chimay, werden genationaliseerd.iv
Prins Philippe Gabriel, laatste heer van Weert, Nederweert en Wessem.
Op 28 april 1800 verkocht de Franse Republiek de buitenmolen aan de hoogstbiedende Maastrichtse notaris Jean Théodore van Gulpen, die handelde in opdracht van J. H Neven, bierbrouwer, uit Maastricht, voor een bedrag van 240.000 francs.vEen zekere Antoine Clephas werd pachter van de buitenmolen.viDeze uitbater van de molen is naar alle waarschijnlijkheidAntonius Clephas, op 8 juli 1764 gedoopt te Nederweert samen met zijn tweelingbroer Joannes.Antonius Clephas is op 2 oktober 1838 op 74-jarige leeftijd overleden. Hij woonde toen op de Biest te Weert.
De binnenmolen werd gekocht door Josephine de Merode – Westerloo, echtgenote van Louis Charles Victor de Riquet, hertog van Caraman en prins van Chimay.vii
Josephine de Merode is op 3 oktober 1763 geboren te Everberg (thans gemeente Kortenberg bij Brussel) en op 11 februari 1824 overleden te Parijs. Zij is op 10 juli 1785 te Everberg getrouwd met Louis Charles Victor Riquet de Caraman (Parijs, 24 december 1762- Montpellier, 25 december 1835). De familie de Merode is nog steeds eigenaar van het kasteel de Merode te Everberg.viii
Antoine Clephas is niet lang pachter van de buitenmolen geweest. Rond 1803 was Laurent Frencken pachter van zowel de binnenmolen als de buitenmolen.ix
Een verzoek tot bouw van een nieuwe molen in Weert in 1803
Kaart Bataafs Gemenebest in 1802
In 1803 werd er een verzoek gedaan aan de onderprefect van het arrondissement Roermond om een windmolen, bestemd voor het malen van graan, in Weert te mogen bouwen. De “maire de la commune de Weert” werd om advies gevraagd. Hij was van mening dat de gevraagde toestemming voor de bouw kon worden gegeven. De plaats die men voor de molen uitgezocht had, was volgens hem zo gekozen dat zowel de inwoners van de stad als die van de gehuchten daar voordeel van zouden ondervinden. De plaats was in elk seizoen gemakkelijk te bereiken. De ligging van de molen tussen Hushoven en Boshoven was op meer dan vijf kilometer van de Bataafse grens. De molen zou ook dicht bij het douanekantoor van Weert komen te liggen zodat men niet bevreesd hoefde te zijn dat de molen gebruikt zou worden als illegale opslagplaats van graan om de uitvoer daarvan naar Bataafs gebied te faciliteren.x
Uit de omschrijving in het advies van de burgemeester kan afgeleid worden dat het verzoek een molen in de nabijheid van Hushoven betrof.
De stichting van de standermolen te Hushoven
In een boek over Molens in het Weerterland staat over de bouw van de standerdmolen van Hushoven het volgende.xi
“Over de voorgeschiedenis van die bouw staat in Het Kanton Weert een aardig verhaal te lezen. Men had bij gelegenheid van de sloop van de binnenmolen gevraagd of er nog lezers waren die interessante herinneringen aan deze molen bewaarden. Een van de lezers reageert hierop met een verhaal dat ik maar geef voor wat het waard is, omdat ook hier een kontroleerbare bronvermelding is weggelaten.’
‘De Binnenmolen en de St. Romboutsmolen werden in 1803 door een zekeren Frenken van Weert bemalen. Toen was er sprake van dat er nog een derde molen zou worden gesticht; genoemde Frenken betoogde evenwel bij den rentmeester, dat, als er een derde molen bijkwam, hij (Frenken) dan de pachtprijs der binnenmolen en der St. Romboutsmolen niet meer zou kunnen opbrengen en Frenken bedong dat in een nieuw op te maken schriftelijk huurkontrak de bepaling moest worden opgenomen dat, ingeval er een derde molen bijkwam, Frenken dan voor iederen molen vierhonderd francs minder pachtgeld zou hebben op te brengen. Toen de huurovereenkomst in dier voege was gewijzigd, heeft Frenken zelf een derden molen gezet en wel de Hushovermolen. Aldus betaalde Frenken per jaar achthonderd franken minder huur’.”xii
Standerdmolen te Hushoven. Bron: weertisveranderd.
Als dit verhaal waar is, dan is Frencken een gewiekst persoon geweest.
In aflevering 4 van “Ach lieve tijd” over “Molens en molenaars” staat over deze molen te Hushoven:
“Op oude prenten herkent men een standaardmolen, die ongeveer op deze plaats stond. De geschiedenis daarvan is onbekend,… “.xiii In het eerder verschenen boek “Molens in het Weerterland” van drs. G.C Egelie was echter al enige aandacht besteed aan de geschiedenis van die molen. Zo geheel onbekend was die geschiedenis dus niet. Ik hoop met dit artikel die geschiedenis enigszins aan te vullen.
De molen in Hushoven is waarschijnlijk in 1804 of kort daarna gebouwd. De molen was een zogenaamde standerdmolen. Een standerdmolen is een richtbare, houten windmolen en het oudste type windmolen in de Lage Landen.xiv
Molen St Jan te Stramproy. Bron: www.kempenbroekmolens.nl.
Voorbeelden van nog intact zijnde standerdmolens zijnin onze regio de Auroramolen te Baexem en de molen St. Jan te Stramproy.
Laurentius Henricus Frencken, de eerste eigenaar van de Hushovermolen
Akte van het kerkelijk huwelijk van Laurentius Henricus (Laurent) Frencken en Anna Maria Catharina Heiligers. Bron: huwelijksregister Martinuskerk Weert.
De eerste eigenaar van de Hushovermolen was Laurentius Henricus (Laurent) Frencken alias Knepkens, geboren te Weert op 12 februari 1754. Zijn ouders zijn Joannes Franciscus Frencken alias Knepkens en Maria Anne Linssen. Laurent Frencken is op 5 april 1780 te Weert voor de kerk getrouwd met Anna Maria Catharina Heiligers, geboren op 25 november 1760 te Weert en overleden op 20 september 1836 te Weert, dochter van Georgius Heiligers en Anna de Vos. Laurent Frencken was ten tijde van zijn huwelijk timmerman.
Vanwege de wellicht wat moeilijke leesbaarheid van de kopie van de handgeschreven tekst van de huwelijksakte van Laurent Frencken en Anna Maria Catharina Heijligers volgt hier een transcriptie daarvan.
“Laurentius henricus frencken alias knepkens hier woonende ende gebooren meerderjarige sone van wijlen Joannes frencken alias knepkens en maria anna linssen is nae 3 voorgaande roepenxv5den april 1780 getrouwt met anna maria Catharina heijligers hier woonende ende gebooren minderjarige dochter van wijlen Joris heijligers en anna de vos hier present de getuigen sijn Jan Jacobus Frencken alias knepkens en maria Tuenissen bijde hier woonende aldus getuijgen de onderschreven (volgen de handtekeningen van de echtelieden en de getuigen) ..princen …pastor mit speciale commissiexvi van den eerw. Heer pastoor J. Janssen”.
Het echtpaar Frencken-Heijligers heeft niet minder dan 15 kinderen gekregen, van wie de oudste, Joannes Georgius Frencken (Weert, 5 november 1781- Asten, 24 mei 1871), molenaar in Asten is geweest.
Laurentius Henricus Frencken is op 72-jarige leeftijd op 22 november 1815 te Weert overleden. Hij woonde ten tijde van zijn overlijden in de Maasstraat.
De erfgenamen van Laurent Frencken verkochten na de dood van hun moeder, Anna Maria Catharina Heiligers, in 1836 op 21 februari 1837 middels een openbare verkoping “een wind-korenmolen met den grond waar op dezelve geplaatst is, ter grootte van 4 aren en 22 centiaren en al het daarop aanwezige materieel, als steenen, billen, zeilen, en zoo voorst, wijders met de eraan gehoorige wegen, gestaan en gelegen te Weert tusschen den Beekpoort en het gehucht Hushoven, aanpalende zuid den grootten weg, west en noord de erven Frencken en oostwaarts den Molenweg, gebracht op kadaster nummers 557 en 558 sectie C”, de Hushovermolen dus. Kopers waren voor een bedrag van 13.000 francs Hubertus Hermans en zijn echtgenote Maria Catharina Hooffers/Hoovers. xvii
Op onderstaande uitsnede van het minuutplan van 1844 is de plaats van de molen ten zuidoosten van Hameau de Hushoven (gehucht Hushoven) aangegeven. Duidelijk is te zien dat de molen redelijk ver van de bebouwing van Hushoven verwijderd was.
Vergroot weergegeven is hieronder te zien dat de molen is aangeduid met een X, symbool voor de wieken van de molen. Duidelijk is te zien dat de molen op een rond perceel stond met kadastraal nummer 558, een “enclave” in het perceel kadastraal nummer 557.
Hubertus Hermans en Joanna Maria Hoovers, de tweede eigenaren van de Hushovermolen
Hubertus Josephus Hermans is op 14 december 1801 geboren te Nederweert. Hij is op 16 juli 1821 te Weert getrouwd met Joanna Maria Catharina Hoovers (1795-1853). Het echtpaar Hermans-Hoovers heeft 9 kinderen gekregen.De familie Hermans-Hoovers woonde blijkens de geboorteplaatsen van hun kinderen in 1824 in Weert, in 1831 in Hunsel, in 1834 in Ell en in 1836 weer in Hunsel. In de geboorteakte van hun oudste kind, Pieter Josephus, van 1 mei 1824 staat dat het echtpaar toen in de Maasstraat in Weert woonde. Als beroep van Hubertus Hermans is in de akte molenaar vermeld. Op welke molen hij toen molenaar was, is mij niet bekend, waarschijnlijk in Nederweert. Zijn vader Jan Hovers was ook molenaar en wel in Nederweert.
Na enig zoekwerk heb ik gevonden dat Hubertus Hermans op 3 december 1861 op 60-jarige leeftijd is overleden te Tongeren, Belgisch Limburg.xviii
Louis Beerenbroek, de derde eigenaar van de Hushovermolen
Plaats van het woonhuis.
Hubertus Josephus Hermans en Johanna Maria Hovers zijn slechts kort eigenaren van de molen geweest. Op 8 september 1840 verkochten Hubert Hermans, volgens de verkoopakte vroeger molenaar, thans zonder beroep, en Maria Catharina Hoovers, zonder beroep, de windmolen, gelegen te Weert tussen de Beekpoort en het gehucht Hushoven op 8 september 1840 aan Lodewijk Frans Hubert (Louis) Beerenbroek, getrouwd met Johanna Sophia Francisca Van Mulbracht, rentenier, wonende binnen de stad Weert, voor een bedrag van zesduizend vijfhonderd gulden. Het echtpaar Hermans – Hoovers woonde toen op de Biest te Weert.xix
In de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel van1844 van de gemeente Weert is als eigenaar van de percelen 557 en 558 vermeld L.F.H. Beerenbroek, grondeigenaar. Perceel 557, groot 6 are en 60 centiare, was in gebruik als schaapsweide. Op perceel 558, groot 4 are en 20 centiare, stond de windgraanmolen.
Een rechtszaak van Louis Berenbroek tegen een voormalige huurder van de molen van Hushoven
Louis Beerenbroek ging de molen niet zelf exploiteren maar verhuurde die aan een molenaar. Met een huurder ontstond in 1858 een conflict. Wat was het geval?
Beerenbroek had de wind-graanmolen op het gehucht Hushoven te Weert verhuurd aan een zekere Nijssen.xx Deze had op 1 mei 1858 de molen verlaten. Volgens Beerenbroek had hij niet het volledige bedrag van de huur over het afgelopen jaar betaald. Dat bedrag moest ieder jaar op 1 mei betaald worden. Nadat Nijssen ondanks een sommatie niet betaalde, ging Beerenbroek snel tot actie over. Hij dagvaardde Nijssen bij deurwaardersexploot van 15 mei 1858 om op 21 mei 1858 voor de kantonrechter te Weert te verschijnen.
Beerenbroek stelde bij de kantonrechter dat hij de molen mondeling voor een bedrag van 800 franken, in Nederlands geld fl. 376,- per jaar, aan Nijssen had verhuurd. Nijssen had de molen op 1 mei 1858 verlaten maar hij had het restant van de huurprijs van het laatste jaar ter grootte van 400 franken of fl. 185 niet betaald. Beerenbroek vorderde betaling van dat bedrag met rente en de kosten van de rechtszaak. Nijssen gaf voor de kantonrechter toe dat hij de molen gehuurd had voor een bedrag van 800 franken, telkenjare te betalen op 1 mei. Hij voerde aan dat hij het gevorderde bedrag niet hoefde te voldoen zolang er met Beerenbroek geen afrekening had plaatsgevonden over door hem aangebrachte vernieuwing en verbetering van zaken die zich bij het begin van de huurovereenkomst in de molen bevonden.
Beerenbroek bracht naar voren dat dat niet waar was en ontkende dat er sprake was van de beweerde vernieuwing en verbetering. Als de zaken al verbeterd mochten zijn en Nijssen volgens zijn sustenu (bewering) een vordering op Beerenbroek zou hebben, en hij die wilde verrekenen met de huurprijs, zou hij dat moeten doen in een aparte procedure of in een tegeneis opgeven wat hij van Beerenbroek te vorderen zou hebben. Nijssen bracht verder naar voren dat de kantonrechter niet bevoegd zou zijn om over het geschil te oordelen omdat de huurprijs van de molen meer bedroeg dan fl. 200.xxi
De kantonrechter deed al op 2 juli 1858 uitspraak. Hij wees het beroep van Nijssen op zijn onbevoegdheid af. De vordering van Beerenbroek bedroeg fl. 188, een bedrag dat binnen zijn bevoegdheid viel. Hij verklaarde de eis van Beerenbroek gegrond. Hij veroordeelde Nijssen om aan Beerenbroek een bedrag van fl. 188 met rente te betalen en tot betaling van de kosten.xxii
Ludovicus Franciscus Hubertus (Louis) Beerenbroek is geboren op 25 maart 1805 te Weert. Hij behoorde tot een welgestelde familie, afkomstig uit Eindhoven. Zijn grootvader, Judocus van Beerenbroeck was burgemeester van Eindhoven. Zijn vader, Gijsbertus Beerenbroeck, gedoopt 27 mei 1750 te Eindhoven en overleden te Weert op 28 november 1821, was koopman, vrederechter te Weert en lid van de raad van het arrondissement Roermond. Gijsbertus Beerenbroeck is in tweede huwelijk op 24 november 1790 te Roermond getrouwd met Maria Barbara Painsmay, geboren op 3 november 1768 te Roermond en op 16 oktober 1830 overleden te Weert, de moeder van Louis Beerenbroek.
Louis Beerenbroek was gedurende de periode dat Weert bij België hoorde, van 1830 tot 1839, burgemeester van Weert. Hij was ook van 1835 tot de opdeling van Limburg in 1839 lid van de Kamer van Afgevaardigden van België. Nadat Weert in 1839 (weer) tot het Koninkrijk der Nederlanden ging behoren, verzocht hij om ontslag als burgemeester van Weert. Dat werd hem eervol toegekend.xxiii
Het feit dat Louis Beerenbroek overheidsfuncties in het Koninkrijk België bekleed had, vormde geen belemmering voor een ambtelijke en politieke loopbaan in het Koninkrijk der Nederlanden. Dat was overigens geen ongebruikelijke gang van zaken. Veel personen, behorend tot de adel of de gegoede burgerij, waren flexibel, om niet te zeggen opportunistisch, genoeg om zich soepel aan de nieuwe werkelijkheid aan te passen. Ook de overheid in het Koninkrijk der Nederlanden had er belang bij om de transitie van oostelijk Limburg van België naar Nederland zo soepel mogelijk te laten verlopen. Daarbij hielp om aan invloedrijke personen in de nieuwe provincie belangrijke posten in het bestuur toe te kennen.
Tijdens de jaren de jaren dat Nederlands Limburg tot het Koninkrijk België behoorde, gold hier ook de Belgische rechtspleging. Dat veranderde voor de Nederlandse provincie Limburg per 1 januari 1842.xxiv Weert kreeg in de nieuwe structuur een kantongerecht. Louis Beerenbroek was daarop vooruitlopend al tot plaatsvervangend kantonrechter in het kanton Weert benoemd.xxv
Journal du Limbourg, 4 juni 1843.
In 1843 werd Louis Beerenbroek benoemd tot schoolopziener van het zesde schooldistrict in Limburger (Weerterland), welke functie hij tot 1870 heeft uitgeoefend.xxvi
In hetzelfde jaar 1843 werd hij gekozen tot lid van Provinciale Staten van Limburg in de plaats van Costerius van Boschoven.xxvii Deze functie vervulde hij tot 1847.
In 1847 werd Louis Beerenbroek door Provinciale Staten van Limburg tot lid van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal gekozen in de plaats van de heer J.L.M. Leclercq, die niet tot de Tweede Kamer was toegelaten. Louis Beerenbroek is overigens slechts kort lid van de Tweede Kamer geweest.In 1849 werd hij namens het hertogdom Limburg lid van de Eerste Kamer, welk mandaat hij tot zijn dood heeft vervuld.xxviii
L.H. F (Louis) Beerenbroek. Bron: fotoarchief Eerste Kamer.
J.L.M. Leclercq werd in 1847 niet toegelaten als lid van de Tweede Kamer omdat bij onderzoek van diens geloofsbrieven gebleken was dat hij op 22 september 1795 geboren was te Maaseik, België, uit het huwelijk van daar getrouwde ouders. Volgens de meerderheid van de Tweede Kamer was hij daarom geen geboren Nederlander; een vereiste om lid te zijn van de Tweede Kamer. In 1849 is hij toch lid van de Tweede Kamer geworden, wat hij echter slechts een jaar is geweest. Hij is verder burgemeester van Roermond en president van de rechtbank aldaar geweest.
Dagblad van Zuidholland en `s Gravenhage, 7 mei 1884.
Van 1847 tot 1850 was Louis Berenbroek districtscommissaris van Roermond en van 1856 tot zijn overlijden in 1875 burgemeester van Roermond. Na zijn overlijden verschenen er in diverse kranten uitgebreide necrologieën. Een daarvan is hierna opgenomen.
Dagblad van Zuidholland en `s Gravenhage, 7 mei 1884_vervolg
Louis Beerenbroek was een vermogend man. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels van de gemeente Weert was hij op 15 mei 1844 eigenaar van niet minder dan 149 percelen grond in de gemeente Weert. Hij was ook eigenaar van het kasteel Elizabethsdal. In 1841 kocht hij de ruïne van kasteel de Nijenborgh aan de Biest te Weert. Op de resten van de oostelijke toren liet hij een nieuw herenhuis bouwen.
Louis Beerenbroek is op 6 augustus 1838 te Roermond getrouwd met Jeanette Sophie Françoise Mulbracht, gedoopt op 18 september 1813 te Goch en op 26 september 1875 overleden op kasteel Elisabethsdal. Het echtpaar Beerenbroek- Mulbracht heeft vijf kinderen gekregen.
Straatnaambord Louis Beerenbrouckstraat. Let op de “deftige” spelling van de achternaam.
In Weert is een straat vernoemd naar Louis Beerenbroek. Bij mijn weten de enige straat in Weert die de naam draagt van een burgemeester van Roermond, hoewel: Louis Beerenbroek was tijdens de Belgische periode (1830- 1839) burgemeester van Weert.
Petrus Josephus Meulen, de vierde eigenaar van de molen
Op 20 juli 1857 vond er een erfmangeling (ruiling) plaats tussen Lodewijk Frans Hubert Beerenbroek, lid van de eerste kamer der Staten-Generaal, burgemeester en grondeigenaar, wonende te Roermond en Jozef Meulen, molenaar, wonende in Nederweert. Jozef Meulen verkreeg bij die ruiling “eenen windgraanmolen, met al het daar ten dienste en ter bemaling van denzelven materieel benevens een schaapsweide, gestaan en gelegen te Weert op Hushoven bevattende eene gezamenlijke oppervlakte van tien roeden twintig ellen, gekadastrering, Weert C, nummers 558 en 973”. Louis Berenbroek verkreeg een perceel bouwland aan de Molenweg te Nederweert en een perceel bouwland te Swartbroek. Verder moesten er nog geldelijke verrekeningen plaatsvinden.xxix
Petrus Josephus Meulen is geboren op 27 maart 1825. Op 31 maart 1855 deed zijn vader, Jan Mathijs Meulen, aangifte van zijn geboorte bij Johan Eustachius Janssens, schepen van de stad Weert. Uit de Akte van Geboorte blijkt dat Petrus Joseph Meulen geboren is op Vrakker en dat zijn vader molenaar was. Jan Mathijs Meulen is gedoopt 3 april 1796 te Tungelroy en op 11 mei 1866 overleden te Leveroy, gemeente Nederweert. De moeder van Petrus Josephus Meulen is Elizabeth Sleegers. In de huwelijksakte van Joannes Mathias Meulen en Elisabeth Slegers wordt als zijn beroep molenaarsknecht en dat van haar landbouwster vermeld.
Elisabeth Slegersisophuitfrimairel`an onze (29 november 1802) geboren te Weert tijdens de periode dat Weert ingelijfd was bij Frankrijk. Een bijzonderheid is dat haar vader Joseph Slegers op diezelfde dag om een uur `s middags, 11 uur na de geboorte van zijn dochter, is overleden. In de geboorteakte van Elisabeth Slegers staat dan ook dat zij een dochter is van wijlen Joseph Slegers.Elisabeth Slegersis op 14 maart 1837 op 34-jarige leeftijd overleden te Leveroy, gemeente Nederweert.
Na het overlijden van zijn echtgenote Elisabeth Slegers in 1837 is Petrus Josephus Meulen op 24 oktober 1855 te Nederweert getrouwd met Maria Elisabeth Smeets, geboren 2 mei 1830 te Nederweert en op 64-jarige leeftijd op 27 december 1894 overleden te Weert. Petrus Josephus Meulen is op 11 april 1890 overleden te Weert.
Het echtpaar Meulen-Smeets heeft 10 kinderen gekregen, waarvan er een jong is overleden.
Petrus Joannes Bocken: de vierde eigenaar
De erven van de overleden echtelieden Peter Josef Meulen en Maria Elisabeth Smeets gingen kort na het overlijden van hun moeder op 24 december 1894 over tot de openbare verkoop van onder meer de windmolen en het weiland, gelegen te Hushoven.
Al op 19 januari 1895 verscheen er in Het Kanton Weert een advertentie waarin werd aangekondigd dat notaris Schillings op verzoek van de kinderen Meulen op maandag 4 februari 1895 ten koffiehuize van Martinus van de Kerkhof in de Molenstraat te Weert publiek zou verkopen:
1. Huis met erf en tuin, en opvaart, gelegen in de Molenstraat, sectie O nrs. 259 en 261.
2. Eene goed beklante Windgraanmolen (standaardmolen) met complete inventaris en het daarbij gelegen weiland, sectie C nrs. 558 en 973.
3. Een oliemolen, met complete inventaris en het daarbij gelegen huis en erf, gelegen aan de Molenpoort te Weert sectie P nr. 2897.xxx
4. Een perceel struwelen, gelegen ”in de Heide” in de gemeente Nederweert, sectie F nr. 661.
Op 28 januari 1895 vond er ten koffiehuize van Martinus van de Kerkhof, wonende te Weert in de Molenstraat, de eerste zitting plaats van die openbare verkoop. De opdrachtgevers, de erven van Peter Joseph Meulen en Maria Elisabeth Smeets, waren:
1 Jean Meulen, olieslager,
2 Peter Meulen, molenaar,
3 Jozef Meulen, molenaar,
4 Jacques Meulen, bakker,
5 Mathieu Meulen, bakker,
6 Arnold Meulen, slager,
7 Josephine Meulen, zonder beroep,
8 Hubert Ariaens, landbouwer, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met Elisabeth Meulen, xxxi
9 Antoon Ramaekers, molenaar, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met Catharina Meulen.
Op de ingezette bedragen voor het huis, 2100,- gulden, en de windgraanmolen, 4100,- gulden werd niet gemijnd. Op de oliemolen, 1800 gulden, werd gemijnd door Antoon Ramaekers.
Op 4 februari 1895 vond, wederom ten koffiehuize van Van de Kerkhof, de finale veiling plaats. Het huis in de Molenstaat werd verkocht voor 2380 gulden aan Jean, Peter, Josephine en Joseph Meulen. De oliemolen aan de Molenpoort werd voor 2000 gulden verkocht aan Antoon Ramaekers. Op de windgraanmolen, die nu was ingezet op 3900 gulden werd niet gemijnd. Die bleef onverkocht.xxxii
Van het perceel struwelen in Nederweert wordt geen melding gemaakt.
Het Kanton Weert, 30 maart 1895.
De erven – of een aantal van hen – wilden, ondanks de niet-geslaagde velling op 4 februari 1895, blijkbaar toch snel van de windgraanmolen af. Al in de editie van 30 maart 1895 van Het Kanton Weert werd de finale verkoop van de windgraanmolen ten koffiehuize van Jean Theunissen in de Molenstraat te Weert aangekondigd. De inzet was fors lager dan bij de eerdere veiling, namelijk 2800 gulden.
De finale verkoop vond plaats op 3 april 1895. Na ´het uitbranden van waslicht´xxxiii werden de molen en het weiland toegewezen aan Peter Jan Bocken, landbouwer, wonende te Weert, voor de som van twee duizend driehonderd en vijftig gulden koopprijs en negentig gulden hooggeld, 450 gulden lager dan de inzet.xxxiv’xxxv
Petrus Joannes Bocken is op 15 augustus 1841 geboren in Weert en op 72-jarige leeftijd op 9 maart 1914 overleden te Weert. Als zijn beroep is in de overlijdensakte landbouwer vermeld.
Petrus Joannes Bocken is op 31 oktober 1873 te Weert getrouwd met Maria Ida Nouwen, geboren op 15 november 1845 te Hushoven, Weert en op 87-jarige leeftijd overleden op 26 oktober 1933 te Weert. Het echtpaar Bocken-Nouwen heeft acht kinderen gekregen.
Vier kinderen Meulen: de vijfde eigenaren
Peter Jan Bocken is nog geen drie maanden geweest van de molen. Op 17 juni 1895 werd voor notaris Schillings te Weert een akte verleden, waarbij Peter Jan Bocken aan Peter Meulen, molenaar, wonende te Weert aan de Molenstraat, Jean Meulen, olieslager, Jozef Meulen, molenaar, en Josephina Meulen, zonder beroep, de windmolen en het weiland verkocht voor een bedrag van 2440,- gulden, exact het bedrag dat Bocken had betaald voor de aankoop van de molen.xxxvi De kopers zijn dezelfde personen die bij de veiling van 4 februari 1895 het huis in de Molenstraat hadden gekocht.
Naar de reden van deze snelle ‘doorverkoop’ aan de vier Meulens kunnen we slechts gissen. Waren de kinderen Meulen het niet eens over een toedeling van de molen aan de drie broers en de zus? Was er onenigheid over de prijs of de waarde van de molen? Was de openbare verkoop door de kinderen Meulen een manier om uit onverdeeldheid te geraken? Fungeerde Peter Jan Bocken als een stroman voor de vier kinderen Meulen? Daar lijkt het wel op.
Op 4, 5 en 6 februari 1895 was overigens al op verzoek van de erven Meulen-Smeets door notaris Schillings vee, meubelen en akkergereedschap uit de nalatenschap verkocht, amper zes weken na het overlijden van hun moeder. Er werden overigens in die drie dagen 227 stukken geveild.
Peter Meulen, de zesde eigenaar
Bij akte van 5 juni 1896, verleden voor notaris Schillings, werden de door de broers Jean, Joseph en Piet Meulen, allen molenaars, en hun zus Josephine Meulen, zonder beroep, allen wonende te Weert aan de Molenstraat, de door hen in gezamenlijke eigendom toebehorende, direct of indirect uit de nalatenschap van hun ouders verworven roerende en onroerende goederen gescheiden en verdeeld. Het huis aan de Molenstraat, alle roerende goederen in dat huis met onder meer een paard, twee koeien, drie varkens en een hond, en twee kleed- en lijnkasten, drie tafels, achttien stoelen, twee kachels, een cuisinière, twee ledikanten met beddengoed, het bakkerijgereedschap, te velde staande gewassen op Laarakker en Boshoverakker en de windgraanmolen op Hushoven met bijgelegen weiland werden toebedeeld aan Piet Meulen.xxxvii
Vermelding van vruchtgebruik van de achterkamer van Joseph Meulen. Uitsnede legger 6691.
Vermeldenswaard is dat Joseph Meulenzich in de akte van 5 juni 1896 het levenslange vruchtgebruik voorbehield van de achterkamer naast de steeg inhethuis aandeMolenstraat.
Peter Hendrik Hubertus Meulenxxxviii.
Peter Hendrik Hubert (Piet) Meulen is op 28 maart 1861 geboren te Weert en overleden op 87-jarige leeftijd op 24 juni 1948 te Weert. Hij is op 21 juni 1897 te Maasniel getrouwd met Maria Helena Nijssen, geboren op 18 november 1872 te Maasniel en overleden op 56-jarige leeftijd op 19 augustus 1929 te Weert.
Het einde van de standerdmolen van Hushoven
Kanton Weert 13 juni 1903.
Op 10 juni 1903 sloeg tijdens een hevig onweer de bliksem in de molen van Piet Meulen. Onderdelen van de molen werden zwaar beschadigd. Ook ontstond er brand die echter snel door de buren geblust kon worden. Op het moment van de inslag was er niemand in de molen aanwezig. De molen was verzekerd bij de Onderlinge Verzekering voor Molenaars.xxxix
Mede omdat door de toegenomen bebouwing bij de molen de windvang werd belemmerd, werd de molen afgebroken. Daarmee kwam na honderd jaar een einde aan de standerdmolen te Hushoven.
De Wilhelmus Hubertus
Op bijna dezelfde plaats als de standerdmolen werd in opdracht van Piet Meulen een nieuwe stenen molen gebouwd. Deze molen werd in 1904 gebouwd door de Weerter molenmaker Wilhelmus Hubertus Adriaens, aan wiens voornamen later de naam van de molen is ontleend.
Uittreksel uit legger 6691 met vermelding van slooping van de oude molen en stichting van de nieuwe molen.
Deze molen is een hoge stenen beltmolen met een vlucht van bijna 26,5 m. De molenberg is 6 meter hoog. In de loop der tijd heeft de molen behoorlijk wat schade opgelopen en verschillende eigenaren gehad.xl
Anno 2023 staat de molen aan de Hushoverweg 30 te Weert er weer prachtig bij, al zijn er, evenals in 1903 voor de oude standerdmolen te Hushoven, wat zorgen over de windvang. Over de historie van deze molen is ook veel te verhalen, maar dat valt buiten het bestek van dit artikel.
De Wilhelmus Hubertus molen. Bron: https://en.molendatabase.nl.
NOTEN
[1] Het Kanton Weert, Nieuws- en advertentieblad, waarin opgenomen het weekblad “Land van Thorn, 1 augustus 1919.
[4] Philippe Maurice Joseph d’Alsace d’ Henin Liétard, prins van Chimay, is geboren op 12 september 1736 te Brussel en overleden op 24 juli 1804 te Parijs. Hij is begraven in de Chapelle funéraire des Seigneurs de Bousssu, in Boussu, Wallonië. Na de onthoofding van Philips de Montmorency, graaf van Horne, waren de heerlijkheden Weert door het Hof van Gelre vervallen verklaard aan koning Philips II als hertog van Gelre. Deze confiscatie werd op 17 november 1610 opgeheven door de landvoogden Albrecht en Isabella van de Habsburgse Nederlanden. Sabina van Egmond werd deels hersteld in haar rechten als rechtsopvolgster van Philips de Montmorency. De heerlijkheid kwam na een kort intermezzo in handen van de familie d’Alsace d’ Henin Liétard, prinsen van Chimay.
[5] Joannes Henricus/Jean Henri Neven is geboren 26 september 1759 te Maastricht en overleden op 30 oktober 1805 te Maastricht. Zijn zoon Jacobus Libertus Neven (Maastricht, 16 januari 1791 – Maastricht, 26 mei 1877) bezat volgens de kadastrale kaart 1811-1832 rond 1840 in Weert 27 percelen grond.
[6] https://weertinkaart.nl.
[7] Frits Nies, Weert ‘Parel van de heide…’…in de 19e eeuw”, pag.152.
[8] Op 2 augustus 2023 is te Chimay op 97-jarige leeftijd overleden Martha Marie Elisabeth Antoine Manset, geboren op 20 maart 1926 te Bordeaux. Zij was de weduwe van Elie de Riquet, prince de Chimay. Zij heeft zich ingezet voor het behoud van het erfgoed van de familie De Riquet de Caraman en de conservering van de archieven van het kasteel Chimay. Zij onderhield warme banden met geschiedbeoefenaren in Weert en Nederweert. Zie ook: ”Een Blijde Inkomst voor de prins van de heerlijkheden Weert en Nederweert”, Alfons Bruekers, www.dealdenborgh.nl.
[10] Molens in het Weerterland, drs. G.C. Egtelie, pag. 42.
[11] Molens in het Weerterland, drs G.C. Egelie, pag. 41.
[12] Het Kanton Weert, 1 augustus 1919.
[13] Ach lieve tijd, 1000 jaar Weert, aflevering 4, Molens en molenaars, pag. 90. Piet Adriaens en Frits Weerts. Met “deze plaats” wordt de plek bedoeld waar nu de Wilhelmus Hubertusmolen staat.
[15] Een voorgenomen huwelijk werd in de katholieke kerk door de priester in de hoogmis in drie voorafgaande zondagen aangekondigd: de zogenaamde roepen. De parochianen werden er dan op gewezen dat zij verplicht waren een huwelijksbeletsel kenbaar te maken.
[16] Mogelijk wordt met “commissie” bedoeld “permissie”.
[17] Gemeentearchief Weert A.4.2 Inv. 092.
[18] Overlijdensakte gemeente Tongeren, 4 december 1861.
[19] Gemeentearchief Weert, A.4.1. Inv. 92.
[20] Antonius Nijssen, geboren te Nunhem op 30 januari 1816 en overleden te Weert op 10 april 1891. De reden voor het beëindigen van de huur van de molen van Hushoven door Antonius Nijssen was waarschijnlijk dat hij in 1858 aan de westzijde van de Zuid-Willemsvaart een stenen beltmolen voor graan, schors, en olie bouwde. Hij verkocht die molen in 1878 aan het echtpaar Nies uit Maasbree. Deze molen was de zogenaamde Smeetsmolen naar de laatste eigenaar, Louis Smeets. De molen verloor in 1930 het gevlucht. De molen werd niet meer herstelden raakte in verval. In 1939 is de nog resterende molenromp afgebroken.
[21] De bevoegdheid van de kantonrechter om te oordelen was beperkt tot geschillen beneden fl. 200.
[22] De gegevens over de rechtszaak zijn afkomstig uit de uitspraak van de kantonrechter te Weert van 2 juli 1858, te vinden in het Weekblad van het Regt van donderdag 25 augustus 1859.
[23] Administratief memoriaal voor het Hertogdom Limburg, IIIde deel, 1840.
[24] Wet tot opheffing van den bijzonderen en exceptioneelen regtstoestand van het hertogdom Limburg. Wet van 26 mei 1841.
[25] Nederlandsche Staatscourant, 18 december 1841.
[26] Journal de la Haye, 12 juli 1843
[27] Ferdinand Antonius Costerius van Boschoven is geboren op 21 november 1785 te Roermond en op 72-jarige leeftijd op 29 april 1858 overleden te Roermond. De familie Costerius heeft in de Weerter geschiedenis een belangrijke rol gespeeld. Zie over de vermeende adeldom van deze familie het artikel ” De familie Costerius deBoschofen: haar adeldom en haar teloorgang (1678-1859)”, Emile Haanen, De Maasgouw 127,2008,3, pag. 79. e.v.
[28] Weekblad van het regt, 14 maart 1847
[29] Gemeentearchief Weert, akte notaris A.G.J. Clercx, 20 juli 1857.
[30] De oliemolen was op 9 juni 1891 voor een helft gekocht door het echtpaar Meulen-Smeets en voor de andere helft door de negen kinderen van het echtpaar.
[31] Gehuwde vrouwen waren in die tijd volgens de wet handelingsonbekwaam. Pas in 1956 is die handelingsonbekwaamheid afgeschaft.
[32] Gemeentearchief Weert, akte notaris Schillings, 4 februari 1895
[33] Zolang een waskaars brandde, kon er geboden worden.
[34] Hooggeld is een premie op het verhogen van de inzet om biedingen aan te wakkeren.
[35] Gemeentearchief Weert, A.4.1. Inv. 390.
[36] Gemeentearchief Weert, A.4.1. Inv. 128
[37] Gemeentearchief Weert, akte notaris Schillings, 5 juni 1896.
[38] Afbeelding afkomstig uit Ach lieve tijd, 1000 jaar Weert, aflevering 4, Molens en molenaars, pag. 90.