Nadat dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 een lezing had gehouden over de prehistorisch grafvelden op Boshoverheide, lag het onderwerp van vanavond nog dichter bij huis en bij het heden, de geschiedenis van het welzijnswerk in Weert.
Voorzitter Peter Korten heette de bezoekers en in het bijzonder de sprekers van vanavond, de heren Paul Horsmans en Pierre Snijders, welkom. De sprekers kondigde hij aan als Petrus en Paulus. Paul Horsmans verzorgde de presentatie, bijgestaan door Pierre Snijders. Beide heren stelden zich kort voor.
Paul HorsmansPierre Snijders
Paul Horsmans
is na de sociale academie werkzaam geweest in het welzijnswerk in
Eindhoven en Utrecht en sinds 1999 bij Welzijnsopbouw Weert, de voorganger van Punt Welzijn. Thans is hij bestuurder van Unitus, een koepel van welzijnsorganisaties in Noord- en Midden-Limburg.
Pierre Snijders is na de sociale academie werkzaam geweest in jongerencentra in Brabant en vanaf 1971-2004 in Weert. Na zijn pensionering heeft hij het archief van het welzijnswerk in Weert geordend en beschreven.
Het welzijnswerk in Nederland in historisch perspectief
Paul Horsmans schetste de ontwikkeling van het welzijnswerk in Nederland aan de hand van het hierna opgenomen historisch overzicht.
Specifiek voor Weert vermeldde hij dat in Weert en Maastricht na de strenge winter van 1853-1854 de eerste Vincentiusverenigingen in Limburg werden opgericht, in Weert met de naam Weerter Martinusconferentie. Vincentiusverenigingen hielden zich bezig met de zorg voor armen, zowel in natura als met geestelijke (katholieke) hulp.
Hij wees ook op de rol van dr. Poels die zich inzette voor het katholiek sociaal werk ter voorkoming van invloed van het socialisme.
Welzijnswerk tijdens de wederopbouw na WO II
Toeslagzegels. Afbeelding toegevoegd door verslaglegger
Na de bevrijding werd het welzijnswerk weer opgestart met de oprichting van Nederlands Volksherstel. Dit is een organisatie die zich bezighield met stoffelijke en geestelijke hulp aan mensen die, mede ten gevolge van de oorlog, in nood verkeerden. Vermeldenswaard is dat de
kosten van Volksherstel deels gefinancierd werden met de verkoop van Amerikaanse sigaretten en toeslagen op speciale postzegels.
Cirkeldiagram levenswijze
In 1947 werden neutrale Provinciale Opbouworganen in het leven geroepen voor het bestrijden van ‘onmaatschappelijken en asocialen’. Voor het bepalen van mate van onmaatschappelijkheid werd een cirkeldiagram gebruikt, waarbij aan verschillende aspecten van levenswijze punten werden toegekend.
In Weert werd in 1949 bij het Interparochieel Sociaal-Caritief Centrum een betaalde kracht aangesteld. In 1950 opende in Weert een Caritaswinkel. In 1952 kwam er een nieuw ministerie voor maatschappelijk werk met dr. Marga Klompé als eerste vrouwelijke minister in Nederland.
Onderzoek in Centrum Weert en wijk Fatima
Flatgebouw in de Sint Jozefstraat in Keent
Begin jaren vijftig vond er in Weert door het Provinciaal Opbouworgaan Limburg een belangrijk onderzoek plaats naar de ‘onmaatschappelijkheid in Centrum en Fatima’. De uitkomst daarvan was dat een deel van de binnenstad (Hegstraat en Hoge Steenweg) als sloppenwijk werd aangeduid, dat de woningen (krotten) moesten worden afgebroken en dat de bewoners geherhuisvest dienden te worden in nieuwe woningen in Keent.
Stichting Bijzondere Zorg Weert
In 1956 werd een stichting Bijzondere Zorg Weert in het leven geroepen, die zich bezig ging houden met wijkgericht maatschappelijk werk, in het bijzonder de verhuizing van bewoners naar Keent en de begeleiding van gezinnen. Er werd een beroepskracht aangesteld die deel ging uitmaken van de selectiecommissie van “onmaatschappelijken”. De gezinnen waren groot. Het gemiddelde aantal kinderen per gezin bedroeg zeven.
In 1962 kwam het tot de oprichting van de stichting Bijzondere Sociale Zorg St. Jozef Keent, die haar werkterrein uitbreidde tot onder meer opbouwactiviteiten, peuterwerk en immigranten. In 1967 kwam er een nieuw buurthuis in Keent, nadat er vanaf 1962 al een tijdelijk buurthuis in een woning was geweest.
Andere ontwikkelingen in vogelvlucht en steekwoorden
De jaren 60 en 70
Jaren 60: toename welvaart, mijnsluitingen, afzetten tegen kerk, ‘hippies’, verdere democratisering, opkomst buurthuizen.
1965: Stedelijke Jeugdraad met meer dan 50 aangesloten organisaties.
1965: Algemene Bijstandswet, waardoor de materiële armenzorg verschoof van particuliere instellingen naar de overheid.
1968: regionaal samenwerkingsverband voor maatschappelijk werk en gezinszorg.
Jaren 70: oliecrisis. Onder invloed van Den Uijl kreeg welzijn prioriteit boven welvaart.
1970: jongerencentrum Subway in Fatima.
1971: Stichting Samenlevingsopbouw Streekgewest Weert (7 gemeenten) met een bestuur van 21 (!) personen.
1975: Ouderenwerk (De Roos).
1981 Stichting Welzijn Ouderen regio Weert
1979 Buurtopbouwwerk Weert.
De jaren ’80
1980: oprichting REJOIN (Regionale jeugd- en jongeren instelling Weert).
1982: Sociaal Culturele Raad Weert.
Opkomst vrouwengroepen, peuterspeelzalen, vrouwen in de bijstand en VOS-cursussen (vrouwen oriënteren zich op de samenleving).
Nieuwe doelgroepen: ouderen en buitenlandse werknemers, gezinshereniging.
No-nonsens politiek van kabinet Lubbers met minister Elco Brinkman. Bezuinigingen op sociaal werk. Verschuiving van zwaartepunt van subsidies naar gemeenten.
De jaren ’90
Decentralisering: minister Ien Dales vond financiering van maatschappelijk werk geen taak van het Rijk, maar van gemeenten. Bewoners moesten zelf hun buurt aanpakken (voorbeeld: Opzoomeren in Rotterdam). In Weert wijk- en dorpsraden. Veel projecten op basis van een tijdelijke financiering hetgeen belemmerend was voor professionalisering.
De jaren 2000
Fietskar met medewerkers Punt Welzijn
De decentraliseringstendens werd doorgezet. Er kwam een professionaliseringsslag. In 2002 werd in Weert de fusie-organisatie Punt Welzijn opgericht, die sinds 2021 ook in de gemeente Nederweert werkzaam is.
Het werkveld beslaat een aantal thema`s zoals buurtwerk, vrijwilligersinzet, mantelzorg, jeugd-, jongeren- en ouderenwerk, begeleiding nieuwkomers en het bevorderen van een gezonde levensstijl.
De organisatie kent thans ca. 60 professionals, 60 stagiaires en 300 vrijwilligers. Punt Welzijn maakt sinds 2010 deel uit van Unitus, een koepelorganisatie van van welzijnsorganisaties in Midden- en Noord-Limburg
Terugkijkend meende Paul Horsmans te kunnen stellen dat in de afgelopen 70 jaar het sociaal werk in Weert zich steeds ontwikkeld heeft in overeenstemming met de maatschappelijke ontwikkelingen. Vooruitblikkend is het van belang om duurzaam te blijven investeren in de inwoners en hun mogelijkheden.
Vooruitzichten
De zorg in zijn algemeenheid dreigt vast te lopen. Dat komt deels door de toename van het aantal ouderen en de afname van het aantal werkenden. Thans werkt één van de zeven werkenden in de zorg. In de toekomst zou dat één op de drie moeten zijn, een onmogelijke opgave. Als voorbeeld van toenemende zorgvraag werd vermeld dat er voor veel problemen, waarmee mensen bij de huisarts komen, geen medische oplossingen zijn. Inwonersinitiatieven, ondersteund door sociaal werk, zouden in die opgave (deels) kunnen voorzien.
Vragen en discussie
Overzicht bezoekers
Na de pauze was er gelegenheid tot het stellen van vragen. Er werd gevraagd naar de rol van de Maastrichtse sociaal-geograaf dr. Litjens bij het onderzoek naar de onmaatschappelijkheid in het Centrum en Fatima en de gevolgde werkwijze bij de selectie van gezinnen. Dat leidde tot een geanimeerde discussie tussen bezoekers die in het verleden nauw bij het welzijnswerk in Weert betrokken waren.
De vraag werd opgeworpen of de verhuizing van tientallen gezinnen wel ingegeven was door maatschappelijke misstanden in een deel van het centrum of door de politiek, die tot afbraak van de woningen en nieuwbouw wilde overgaan.
Ook werd door een bezoekster gewezen op het nagenoeg ontbreken van buurthuizen in Weert. Er kon een voorbeeld worden genomen aan België, waar in bijna ieder dorp of wijk een dergelijke voorziening aanwezig is. Als reden voor de sluiting van buurthuizen in Nederland werd naar voren gebracht dat deze een sluitende exploitatie moeten hebben.
Ook de toegenomen individualisering werd als oorzaak genoemd. Een bezoeker vroeg zich af of invoering van een sociale dienstplicht geen remedie zou kunnen zijn. Hij verwees in dat verband naar de maatschappelijk stage die enkele jaren geleden in zwang was. Er werd verder naar voren gebracht dat bibliotheken hun werkterrein hebben uitgebreid.
De voorzitter merkte op dat er mogelijk een relatie is tussen enerzijds de sociale problematiek en anderzijds de leegloop van de kerken, de vermindering van het aantal cafés en buurthuizen. Plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.
Tijdig : rede uitgesproken door Dr. H. Poels op den 5en Limburgschen Katholiekendag, Weert 1 juni 1903.
Wat betreft dr. Poels betreurde hij het dat in de recente Canon van Limburg geen venster meer is gewijd aan deze sociale voorman. Maar in Weert blijft zijn naam niet alleen voortleven in een naar hem genoemde straat maar ook in de Tijdigstraat. Deze straatnaam verwijst naar een door dr. Poels op 1 juni 1903 in Weert uitgesproken rede.
Peter Korten bedankte de heren voor hun interessante en onderhoudende lezing en overhandigde hen als dank een exemplaar van het boek ‘Weert, Parel van de heide’.
De Sint Martinuskerk in Weert voor het plaatsen van de toren ‘De Lange Jan’ in 1887 – Bron- Weert in kaart
In het gemeentearchief van Weert bevindt zich een handgeschreven inventarisstaat van de Sint Martinuskerk uit 1816, opgesteld door Joseph Waegemans.[1]
Joseph Waegemans was kerkmeester/kassier van de Sint Martinusparochie in Weert.[2] In 1816 trad hij
Inventarisatiestaat St. Martinuskerk
terug als kerkmeester. Bij gelegenheid van zijn aftreden heeft hij een staat opgemaakt van papieren en van enkele voorwerpen van de parochie die hij onder zijn beheer had. Het document begint met: “Staat van inventaris van het geene annex is ofte toebehoorende aan de parochiale Kerk alhier van Weert, gemaakt den 14 Meij 1816 door De heer joseph Waegemans, afgaande Kerkmeester”.
Het gaat in het kader van dit artikel te ver om een opsomming te geven van alle in de inventarisstaat vermelde 108 documenten en voorwerpen.
Ik volsta met een kleine selectie daarvan. De documenten op die inventarislijstzijn in een aantal categorien onder te verdelen. Ik houd in dit artikel de nummering aan van de inventarisstaat.
Kapellen in de buitenieën
Inventarisatie kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar
Als eerste is in de inventarisstaat een viertal documenten opgenomen over kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar.[3] Deze ressorteerden onder het bestuur van de parochie van Sint Martinus. Deze kapellen bestaan nu nog, zij het dat zij zich niet in dezelfde staat of op dezelfde plekbevinden als in het begin van de 19de eeuw.
Als document 5 is in de inventarisstaat opgenomen: “een brief van Tungelroij aangaende een kloksken”.
Brief verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk in Tungelroy
In 1792 was in Tungelroy een begin gemaakt met de bouw van een kerk ter vervanging van een kapel. De eerste steen daarvoor werd gelegd door de pastoor van Weert, Joseph Janssens. De brief hield waarschijnlijk een verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk.[4]
Rentebrieven en obligaties
Verder wordt er in de inventaristaat een groot aantal rentebrieven en obligaties vermeld. Rentebrieven en obligaties zijn documenten waarin vastgelegd is aan wie de kerk geld had uitgeleend en tegen welke voorwaarden.
De opbrengsten van deze geldleningen vormden voor de kerk een belangrijke bron van inkomsten. De schuldenaren zijn met naam in de inventarisstaat opgenomen.
Inventarisatiestaat
Een opvallende naam is die van pastoor Janssens, die bovendien de hoogste schulden had, te weten 970 en 1500 gulden.[5]
De schulden luiden in verschillende denominaties; de meeste in guldens, enkele in francs en pattacons. De reden daarvan is gelegen in het feit dat Weert eind 18de/begin 19de eeuw achtereenvolgens behoorde tot Oostenrijks Opper-Gelre, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Fysieke voorwerpen
Behalve documenten worden er ook enkele fysieke voorwerpen vermeld: een sluitende lessenaar, een tinnen kelk, een sleutel van het offerblok van Onze Lieve Vrouw, een sleutel van de binnendeur, sleutels van de kleine offerblokken, sleutels van de kast van de schaal, twee zilveren bekers.
Een nieuw kerkhof
Een aantal documenten in de inventarisstaat betreft de aanleg van een nieuw kerkhof. De hierna vermelde documenten hebben betrekking op dat kerkhof:
12 edict van het oprichten van nieuwe kerkhoven buiten de steden 26 juni 1784;
13 conditie van steenbakken voor het nieuwe kerkhof 1784;
14 decreet over de instaatstelling van het nieuwe kerkhof;
Inventarisatiestaat aanleg nieuw kerkhof
15 een brief aan de kerkmeesters der stad Weert, zijnde een bericht, om te ontvangen drie duizend gulden wisselgeld te Brussel, om het nieuwe kerkhof op te bouwen;
16 onderpand voor de interest voor het opgenomen geld van de religie, verordonneerd door de raad en momboir Stiens 1785;
17 accoord voor het metselen rondom het nieuwe kerkhof 1785;
24 ordonnantie van het magistraat, wanneer men moet beginnen te begraven op het nieuwe kerkhof;
27 brief van de momboir met de last om weer te begraven op het nieuwe kerkhof;[6]
31 conditie van verkochte stenen, die nog overgebleven zijn van het kerkhof, daarbij nog een lijstje.
Zoals we hiervoor gezien hebben, heeft een aantal documenten betrekking op een nieuw kerkhof. Dat was voor mij aanleiding om me verder in de totstandkoming daarvan te verdiepen.
Begraven tot eind 18de eeuw
Tot eind 18de eeuw was het gebruikelijk dat geestelijken en (belang)rijke personen in de kerk werden begraven. Minder belangrijke en arme stervelingen werden op het kerkhof vlak bij de kerk begraven. Zo ook in Weert. Voor het begraven in de kerk moest betaald worden. Hoe dichter bij het (hoog)altaar, hoe hoger de prijs. De graven in de kerk waren een belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Het aantal bergraafplaatsen in de kerk was echter beperkt. Daarom werden bestaande graven in de kerk geopend voor nieuwe bijzettingen. Dat leidde tot veel ongemak en – wat wellicht nog erger was- tot grote stank, als de lichamen van eerder begraven doden nog niet geheel waren vergaan.[7]
Sint Martinus, begrafenisregister
De grootouders van moederszijde van kerkmeester Joseph Waegemans, Claudius Emmanuel de Brias (plaatsvervangend schout en belastingontvanger) en Maria Helena van Bree zijn in de Sint-Martinuskerk begraven.
De grootmoeder, Maria Helena van Bree, is op 12 januari 1755 in het koor van de Sint-Martinuskerk begraven te Weert.
Sint Martinus, begrafenisregister
De grootvader, Claudius Emmanuel de Brias, is op 13 februari 1756 begraven in de Martinuskerk midden in het koor.[8] Vermeldenswaard is dat van Claudius Emmanuel de Brias wordt vermeld dat hij `receptor jurium suae majestatis in oppido Werthensis´, ontvanger van de belastingen van hare majesteit (keizerin Maria Theresia) in de stad Weert) was.[9]
Weert in Opper-Gelre, Oostenrijkse Nederlanden
Opper-Gelre (hertogdom Gelre) in 1789
Weert behoorde tot Opper-Gelre (hertogdom Gelre), dat sinds 1715 deel uitmaakte van de zogenaamde Oostenrijkse Nederlanden. Hoofdplaats van Opper-Gelre was Roermond. De regering van de Oostenrijkse Nederlanden zetelde in Brussel.
Portret van keizerin Maria Theresia.Bron- Historiehuis Roermond
Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk wilde een eind maken aan de onhygiënische toestanden,
die het begraven in de kerk opleverden. In 1771 gaf ze aan de Raad van Vlaanderen een memorie over de nadelen van de gewoonte om binnen de steden en vooral in de kerken te begraven.
De Raad van Vlaanderen bracht daarover een positief advies uit met onder meer het argument dat men nog van geluk kon spreken als men `s morgens bij het binnentreden van de kerk niet anders ondervond dan een tijdelijk onpasselijkheid. Tot een verbod kwam het echter niet.[10]
Het edict van keizer Jozef II van Oostenrijk over begrafenissen
Keizer Jozeph II van Oostenrijk
Keizer Jozef II van Oostenrijk, oudste zoon van keizerin Maria Theresia, volgde haar op. Zijn optreden kan worden gekenschetst als dat van een verlicht despoot. Hij streefde er onder meer naar de kerk ondergeschikt te maken aan de staat.
Begin van het Edict van 26 juni 1784
Jozeph II vaardigde op 26 juni 1784 het “Edict van den Keyser aengaende de begraeffennissen” uit. Het edict verbood het begraven in kerken, kapellen, bidplaatsen en andere overdekte gebouwen, zowel in de steden als daarbuiten, en het begraven op kerkhoven in de “steden,vlecken en borghten”.
Het werd verplicht om kerkhoven aan te leggen buiten de bebouwde kom. Het edict spreekt over kerkhoven hoewel de begraafplaatsen niet bij een kerk in die kernen gesitueerd mochten worden. De “Bestierders van de Parochien” moesten voor de aanleg en het beheer van die kerkhoven zorgdragen. De magistraat van de stad (het stadsbestuur) moest met toestemming van het gouvernement te Brussel de plaats van het kerkhof aanwijzen.
Het begrafenisverbod in kerken gold niet voor de Oostenrijkse Habsburgers. In de Kapuzinergruft in Wenen zijn 146 lichamen of harten van leden van deze familie bijgezet onder andere van Maria Theresia en Jozef II. Deze grafkelder is thans een toeristische attractie. Volgens artikel 26 van de huidige Nederlandse Wet op de lijkbezorging is een graf of grafkelder in een kerk of een ander gesloten gebouw niet toegestaan. Maar dat geldt niet voor leden van de Nederlandse Koninklijke Familie. Sterker nog: de hele Wet op de lijkbezorging is volgens artikel 87 lid 1 van die wet niet van toepassing op leden van het Koninklijk Huis. De koning en zijn familie staan blijkbaar boven de wet.
De aanwijzing van de plaats van het kerkhof in Weert[11]
Rumolduskapel bij de Molenpoort (Mile Poorte) op Ferrariskaart 1877
In Weert lag het parochiële kerkhof rond de Sint Martinuskerk, dus in de stad. Er moest dus volgens het edict naar een andere plek buiten de stad gezocht worden voor een nieuwe begraafplaats.
Na een vergeefse poging van de magistraat van Weert om het kerkhof van de Minderbroeders aan de Biest en een groot deel van de naastliggende tuin als kerkhof aan te wijzen, viel de keuze op een terrein bij de Sint-Rumolduskapel buiten de Molenpoort.
De magistraat had zonder toestemming en zonder overleg met de gardiaan van het klooster aan de Biest het plan opgevat het kerkhof van de minderbroeders en een deel van de daarbij liggende tuin, die buiten de stad lagen, te bestemmen tot begraafplaats voor Weert. Nadat de gardiaan kennis had gekregen van dat plan, wendde hij zich tot de provinciaal te Brussel. Deze bewerkstelligde dat het plan geen doorgang vond.
Sint-Rumolduskapel 2024 – Foto-Wil Filott
De “Bestierders der Parochie” waren verplicht dat terrein bij de Sint Rumolduskapel te kopen. Het kerkbestuur bleef verantwoordelijk voor de uitbating van het kerkhof. Het kerkhof moest volgens het edict ommuurd zijn. Verder moest er een kruis en een woning voor de grafdelver, die tevens als bewaker zou optreden, komen. Ook moesten de “Bestierders” onder goedkeuring van de magistraat zorgen voor de nodige “bedekte Waegens… om de lyken van de Kapelle, Bid-Plaats of Lyk-Kaemer” naar het kerkhof te transporteren. Als een parochie de kosten van de oprichting van het kerkhof niet kon bekostigen, kon van de Religie-Kas te Brussel een voorschot verkregen worden dat met drie procent rente terugbetaald moest worden.[12] Dat was in Weert het geval. De kerkmeesters van de Sint-Martinus vroegen aan de Religie-Kas voor het oprichten van de begraafplaats een lening van drieduizend Brabantse wisselguldens, die ook toegekend werd.
De totstandkoming van de begraafplaats
De totstandkoming van de begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel liep niet van een leien dakje. De ommuring was niet tijdig klaar; daarom werd er een gracht gegraven. De stenen voor de ommuring werden in een veldbrandoven in de buurt van een leemkuil bij Hushoven gebakken. Het decreet liet toe gedenktekens op de begraafplaats op te richten, maar die mochten geen grondoppervlakte innemen. Ze werden daarom tegen de muur van de begraafplaats geplaatst. Grafmonumenten uit die tijd zijn helaas op de nog steeds in gebruik zijnde begraafplaats niet te vinden. De Sint-Rumolduskapel werd aangewezen als lijkkamer. Overledenen moesten daar voor de begrafenis naar toe worden gebracht. Begrafenissen vonden ’s avonds of ’s morgens vroeg plaats.
In de ”Chroniek der stad Weert van 1784 tot 1802” van Lambertus Goofers staat hierover:
“”…en men kon begraven smorgens vroeg en savons laet; het gebruyk was op savons om sonne ondergank, maer van den waegen en is niets van gekomen; en op de 30 november is hij geweyd met de prosessie, de welke aldaer naer toe trok. En een mens, wel te pas, sprak: morgen word den niewen kerkhof geweyd, wie zal daer eerst op worden begraven? Die mens kwam den zelven dag nog te sterven en hy was den eersten die daer op begraven werdt.”[13]
Problemen met pastoor Janssens
De ingebruikname van het kerkhof leverde problemen op met pastoor Janssens. Deze weigerde de lichamen van de overledenen op die plek buiten de stad te zegenen, omdat dat niet tot zijn taak zou behoren. De binnen- en buitenburgemeesters van Weert wendden zich tot de momboir J. B. Stuers van het Hof van Gelre in Roermond om hun beklag te doen over de houding van de pastoor.[14] Of dat tot iets geleid heeft, is mij niet bekend. De magistraat had vice pastor (onderpastoor) Keuten verzocht de zegening te willen verzorgen. Deze kreeg daar een halve schelling per keer voor, hetzelfde bedrag dat de magistraat ook aan de pastoor had voorgesteld. In een conceptbrief van de magistraat van Weert aan de bisschop van Roermond wordt het probleem geschetst. De magistraat wilde dat hij of vice pastor Keuten een andere priester mochten aanwijzen voor het geval Keuten wegens ziekte of om een ander reden verhinderd was.[15]
Aquarel van Roermond ca 1810. Van links naar rechts: Bisschoppelijk paleis, later rechtbank, kanselarij Hof van Gelre, Hospice-Civil, eertijds woning stadhouder, Munsterkerk voor de ‘restauratie’ door Pierre Cuypers. [16]
De Brabantse omwenteling
In 1789 kwamen de gewesten Brabant en Henegouwen in opstand tegen keizer Joseph II. Directe aanleiding daarvoor waren edicten op bestuurlijk en rechterlijk gebied van 1 januari 1787 in het kader van de hervormingspolitiek van de keizer. De opstand breidde zich uit en had aanvankelijk succes. De gewesten van de Oostenrijkse Nederlanden verklaarden zich op 11 januari 1790 onafhankelijk. Tijdens die zogenaamde Brabantse omwenteling trokken de Staten van Gelderland in Roermond van de zich onafhankelijk verklaarde Gelderse republiek een aantal edicten in, maar niet het verbod op begraven in de kerk. De heerlijkheden Weert, Nederweert en Wessem wilden niet onder het gezag van Roermond vallen en verklaarden zich op hun beurt onafhankelijk. Het verbod op begraven in de kerk en op het oude kerkhof werd echter niet meer in acht genomen. Keizer Leopold II, die de op 20 februari 1790 plotseling overleden Joseph II was opgevolgd, toonde zich toegeeflijker dan zijn voorganger. Hij herstelde oude wetten en kon zo een einde maken aan de opstand. Na het herstel van het Oostenrijks gezag verplichtte de momboir van het Hof van Gelre op 13 april 1791 de kerkmeesters doden weer op het nieuwe kerkhof te begraven.
Lambertus Goofers schrijft hierover:
Brief Lambertus Goofers
“Den Keyser gebiedt nu weder om niet meer te begraven in de kerk en niet meer op den ouden kerkhof (by de kerk), hetwelk weder geschiede sedert het eerste van het jaer 1790, maar nu moet men weder op den nuwen kerkhof altemael en geen in de kerk begraven.”[17]
Het oude kerkhof
Straatnaambord Oud Kerkhof
Na de ingebruikname van de nieuwe begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel verviel de functie van het kerkhof bij de Sint-Martinuskerk. Het naambordje Oud Kerkhof voor de straat aan de zuid- en oostzijde van de Sint-Martinuskerk herinnert nog aan die bestemming.
De begraafplaats anno 2024
Deel begraafplaats Molenpoort 2024. Foto-Wil Filott
De begraafplaats bij de Sint Rumolduskapel aan de Molenstraat is nog steeds in gebruik. Velen hebben hier hun laatste rustplaats gevonden.
Niet alleen katholieke Weertenaren uit de stad en uit de buitenieën, maar ook protestantse Weertenaren. Ook zijn er Franse, Engelse en Duitse oorlogsslachtoffers begraven. Verder zijn er graven van mensen van Molukse, Chinese en Hindoestaanse afkomst, van Islamitische Weertenaren en van woonwagenbewoners.
Enigszins gechargeerd zou men kunnen zeggen dat de inmiddels vergrote begraafplaats een beeld geeft van de multi-etnische en multireligieuze samenleving die het hedendaagse Weert is geworden.
Ik eindig dit artikel met een wens. Moge de huidige en toekomstige beheerders van deze begraafplaats en het bestuur en de gemeenteraad van Weert zich bewust zijn en blijven van de grote waarde als funerair erfgoed die deze oude begraafplaats heeft voor de historie van Weert en voor de huidige en toekomstige inwoners van Weert.[18]
Bronnen
[1] Gemeentearchief Weert (B8.2 par. St. Martinus, inv. nr. 735).
Een kopie van deze inventarisstaat is mij aangereikt door Zef Coenen, waarvoor dank.
[2] Aan Joseph Waegemans en zijn familie hoop ik een apart artikel te wijden.
[3] Er waren in die tijd in Weert meer kapellen dan in de inventarisstaat genoemd zoals Sint Cornelius, Swartbroek, Sint Barbara, Tungelroy, Sint Rumoldus buiten de Molenpoort.
[4] De kerk te Tungelroy was een hulpkerk van Sint Martinus. Pas bij Koninklijk Besluit van 31 mei 1866 werd het beheer van die hulpkerk door de kerkfabriek van Sint Martinus beëindigd. De eerste bestuurders van de zelfstandige parochie St Barbara werden op 5 augustus 1966 geïnstalleerd. Bron: Inventaris Archief Parochie Sint Martinus Weert 1404-1997, C.H.J. Tubée.
[5] Joseph Janssens is op 11 juli 1758 geïnstalleerd als pastoor van Weert. Tijdens de roerige tijden gedurende het bewind van keizer Joseph II van Oostenrijk en de zogenaamde Brabantse Omwenteling en de inlijving bij Franrijk toonde pastoor Janssens zich een standvastig katholieke herder. Over deze priester valt een heel verhaal te vertellen.
[6] De momboir vertegenwoordigde de landsheer, in casu de Oostenrijkse keizer, bij het Hof.
[7] Er wordt wel beweerd dat de benaming “rijke stinkerds” betrekking zou hebben op rijke lieden die in de kerk begraven waren, maar volgens taalkundigen is dat niet waarschijnlijk.
[8] Een koor in een katholieke kerk is het gedeelte waar zich het (hoofd)altaar bevindt.
[9] Veel dank aan Zef Koenen en andere vrijwilligers van het gemeentearchief van Weert voor het duiden van het moeilijk leesbare suae majestatis.
[11] Een uitgebreide beschrijving is te vinden in ”Een verplichte begraafplaats voor Weert”, Emile Haanen. De Maasgouw, 121, 2002, 2, pag. 62 e.v.
[12] De rente over het voorschot moest betaald worden aan de administrateur van de opgeheven kloosters in Roermond, Franciscus Bernardus van der Renne. Vermeldenswaard is dat Constantin Emanuel Hubert Waegemans, zoon van kerkmeester Joseph Waegemans, op 20 september 1853 te Roermond trouwde met Maria Agnes Alexandrina Louisa van der Renne, een nazaat van deze administrateur.
[13] “Chroniek der Stad Weert 1784 tot 1802”, Lambert Goofers, uitgegeven door Jos. Habets in “Publications de la Societé historique et archéologique dans la Duché de Limbourg”, deel 25, pag. 367.
[14] Momboir Stuers, griffier Van der Renne en kanselier Luytgens zijn tijdens de Brabantse Revolutie door Weertenaren gevangengenomen en naar Brussel gebracht. Na korte tijd werden ze weer vrijgelaten. Jhr. Mr. Victor Eugène Louis de Stuers, een kleinzoon van de gevangengenomen momboir, is vanaf 1901 tot 1916 namens de kring Weert lid geweest van de Tweede Kamer. In Weert, Moesel, is een straat naar hem genoemd.
[15] “Een verplichte nieuwe begraafplaats voor Weert”, pag. 70.
Na de succesvolle lezing van dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 over het prehistorisch grafveld op de Boshoverheide voor een gezelschap van zo`n 100 liefhebbers van de Weerter geschiedenis, presenteren wij u nu weer een lezing over Weert. Deze keer gaat het over het recente verleden en over een totaal ander onderwerp, namelijk 70 jaar welzijnswerk in Weert.
Lezing – 70 jaar welzijnswerk in Weert – 8 april
In de lezing passeren deze ontwikkelingen van het professioneel welzijnswerk in Weert de revue. Er wordt duidelijk gemaakt hoe het sociale werk zich voortdurend aanpast aan lokale en landelijke ontwikkelingen. Thema’s als armoede, emancipatie, opkomst van de kinderopvang, instroom van arbeidsmigranten en vluchtelingen, werkloosheid, laaggeletterdheid en ouderenwerk zijn een greep uit de onderwerpen die van grote invloed waren en zijn op de naoorlogse ontwikkelingen in Nederland en Weert.
Sprekers
Pierre Snijders (1942) is van 1971 tot 2004 in Weert werkzaam geweest als coördinator vanhet sociale werk.
Paul Horsmans (1961) is vanaf 1999 in Weert werkzaam geweest als directeur. Hij is thans bestuurder van Unitus, de overkoepelde organisaties van welzijnsstichtingen, waaronder Punt Welzijn.
De heren Snijders en Horsmans baseren zich in hun lezing niet op uitgebreid onderzoek, maar spreken vanuit hun jarenlange praktijkervaring in het Weertse. Naast een historische terugblik zal ingegaan worden op hedendaagse ontwikkelingen en werkzaamheden.
Historie zorg in Nederland
Er zijn altijd personen geweest die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Lange tijd was het zo dat familie de zorg op zich nam voor geestelijk en lichamelijk gehandicapten, bejaarden, wezen en andere personen die niet (meer) voor zichzelf konden zorgen. Ook kerkelijke en bijzondere instellingen namen die zorg op zich.
In de Franse tijd ging ook de staat zich min of meer noodgedwongen bezighouden met die zorg. Dat was mede een gevolg van het feit dat kerkelijke instellingen die zich daarmee bezighielden, opgeheven en hun goederen genationaliseerd waren.
In het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd de lijn van zorg van staatswege doorgezet. In de Grondwet van 1815 was opgenomen dat armenzorg een onderwerp was van aanhoudende zorg voor de regering. De lokale overheid – de gemeente – werd belast met die zorg als die niet geboden kon worden door familie, vrienden, kerken of instellingen van liefdadigheid. In 1854 trad de Wet tot regeling van het armbestuur in werking. Deze Armenwet hield in dat het zwaartepunt van de armenzorg primair bij de kerken kwam te liggen. De gemeenten hadden slechts een aanvullende rol. Tot na de Tweede Wereldoorlog bleef het zwaartepunt van de zorg voor zieken en armen bij particuliere liefdadigheidsorganisaties liggen.
Straattoneeltje in Weert
Begin jaren vijftig van de vorige eeuw kwam daar na de wederopbouw verandering in mede door de opkomst van de verzorgingsstaat. De aandacht ging meer uit naar verzorging, talentontwikkeling en ondersteuning van mensen. Voor financiële ondersteuning kwamen aparte regelingen, zoals de Bijstandswet. Huisvesting werd een onderdeel van het brede aandachtsgebied. Dat leidde er in Weert toe dat rond 1980 oude, vaak schilderachtige maar verpauperde volksbuurten zoals de Hoge Kei en het Morregat werden gesloopt. Veel bewoners werden gehuisvest in nieuwbouw op Keent.
De opkomst en ontwikkeling van het welzijnswerk in Weert
Begin jaren vijftig kwam er, naast de armenzorg, veel aandacht voor het zogenaamde “onmaatschappelijke, asociale “gezin.
In 1952 werd een provinciaal onderzoek naar ‘onmaatschappelijkheid’ in Weert verricht. Dat was in het bijzonder gericht op het centrum en de wijk Fatima. Een gevolg van dat onderzoek was de oprichting van de Stichting Sociale Zorg Weert en een Wijkhuis op Keent, de wijk waar veel inwoners vanuit de binnenstad waren gehuisvest.
Het werkveld van de welzijnssector werd steeds uitgebreider, meer omvattend en geprofessionaliseerd. Er werden nieuwe stichtingen opgericht op het gebied van onder meer jongerenwerk, ouderenwerk en vluchtelingenwerk. Later vonden er diverse fusies plaats, hetgeen geleid heeft tot de stichting Punt Welzijn in Weert.
Praktische informatie
Datum: maandagavond 8 april 2024 Tijd: 19.30 uur Locatie: Brasserie-Hotel Antje van de Statie, Stationsplein 1 Weert Deelname: gratis
De Kring Weert van het Koninklijk L.G.O.G., de Aldenborgh en de Geschied- en Heemkundige Kring “Het Land van Thorn” nodigen u hierbij van harte uit om deel te nemen aan deze excursie, die plaatsvindt op zaterdag 20 april 2024.
In de ochtend reist u naar Nijmegen voor een rondleiding met gidsen door de stad Nijmegen. In de namiddag geniet u van een bezoek aan en een rondleiding in het prachtige kasteel Doorwerth, waar u na afloop nog kunt genieten van een drankje. Over beide reisdoelen het volgende:
Nijmegen
Nijmegen_grote markt met waaggebouw
Nijmegen wordt beschouwd als de oudste stad van Nederland. Al rond het begin van onze jaartelling werd Nijmegen dankzij de gunstige ligging een belangrijke uitvalsbasis voor het Romeinse leger.
Rond het jaar 100 na Chr. was er een volledige stad door de Romeinen neergezet met de naam Ulpia Noviomagus Batavorum en ontving Nijmegen van keizer Trajanus het stads- en marktrecht.
Niet alleen de Romeinen hebben een stempel gedrukt op de stad. Zo was Nijmegen de meest noordelijk gelegen verblijfplaats van Keizer Karel de Grote en hierdoor een bloeiende keizerstad.
Helaas is Nijmegen tijdens de Tweede Wereldoorlog niet ongeschonden gebleven. Op 22 februari 1944 werd een groot deel van de binnenstad verwoest door een bombardement door geallieerden. Wanneer je op de Grote Markt staat zie je hierdoor een duidelijk verschil in gebouwen wanneer je met je rug naar het waaggebouw toe staat of met je gezicht ernaartoe.
Nijmegen Valkhofkapel
Het Valkhof is het beroemdste en belangrijkste stuk grond van Nijmegen. De Romeinen stichtten hier het Oppidum Batavorum, dat rond het jaar 70 door de Bataafse opstandeling Julius Civilis in brand werd gestoken. In de laat-Romeinse tijd (3e-4e eeuw) lag hier een militaire versterking. Keizer Karel de Grote bouwde hier aan het eind van de 8e eeuw een paleis, dat uitgroeide tot één van zijn belangrijkste residenties.
Zelfs de Noormannen hadden het Valkhof een winter in hun bezit. Ook latere keizers van het Rooms-Duitse Rijk waren er geregeld te vinden. Keizer Frederik Barbarossa bouwde het in 1155 om tot een burcht. Deze burcht heeft vele eeuwen standgehouden, maar viel in 1796 ten prooi aan de slopershamer. Gelukkig zijn de Nijmeegse burgers toen in opstand gekomen zodat de Valkhofkapel en de Barbarossa-ruïne gespaard zijn gebleven.
Kasteel Doorwerth
Kasteel Doorwerth is een waterburcht gelegen in de uiterwaarden van de Rijn.
Wapen Schellaert
De eerste vermelding van het kasteel dateert uit 1260. Een zekere Reinald van Homoet verwierf het kasteel in 1435 en liet het flink vergroten.
Het kasteel heeft een Limburgs tintje. Rond 1560 zijn er door Adam Schellaert van Obbendorf, heer van Gürzenich, Schinnen, Geijsteren en Vlodrop verbouwingen uitgevoerd, die het kasteel zijn huidige uiterlijk gaven. In opdracht van zijn kleinzoon Johan Vincent van Schellaert van Obbendorf, heer van Oirlo, Oostrum, Geijsteren en Wanssum, en burgemeester van Roermond, van circa 1634 tot 1683, is het poortgebouw gebouwd.
Een spook in kasteel Doorwerth?
Isabelle Peters was een dienstbode van Johan Vincent, baron Schellaert van Obbendorf, de burgemeester van Roermond. Johan Vincent was iemand die de katjes in het donker kneep. Isabelle Peters werd door de baron meermalen verkracht. Toen haar minnaar, Jochem Janssen, dat ontdekte, was hij zo kwaad dat hij de baron wilde vermoorden. Maar de baron was hem voor. Jochem Janssen werd vermoord en zijn lijk in de gracht geworpen. Isabelle werd levend in het kasteel ingemetseld en stierf een hongerdood. Spookt Isabelle sindsdien in het kasteel?
Kasteel Doorwerth
De eigenaren van het kasteel verbleven er niet vaak. Dat droeg mede toe aan het verval. Jacob Adriaan Prosper van Brakell kocht het kasteel in 1837 en liet het restaureren. Na het overlijden van zijn weduwe ging het echter weer bergafwaarts. In 1910 verwierf de vereniging De Doorwerth het kasteel en die liet weer een restauratie uitvoeren. Het kasteel raakte in de Tweede Wereldoorlog ernstig beschadigd, waarna het van 1950 tot 1983 weer volledig hersteld is. U kunt het kasteel en de monumentale vertrekken op 20 april aanstaande in volle glorie aanschouwen.
In het kasteel is ook een drietal musea gehuisvest: het museum Veluwezoom, het Nederlands Jachtmuseum en de Nationale Bosbouwcollectie.
14.15 uur: rondleiding door gidsen in kasteel Doorwerth
15.30 uur: nazit met drankje in kasteelcafé De Zalmen
16.15 uur: vertrek naar Weert, respectievelijk Thorn
Genoemde tijden zijn bij benadering
Deelname
Voor deelname gelden verschillende tarieven:
deelnemers die lid zijn van het LGOG, vriend van de Aldenborgh of de GHK “Het Land van Thorn”, betalen een bedrag van € 65,-
niet-leden betalen € 70,-
deelnemers die lid zijn van een van beide verenigingen of vriend van de Aldenborgh en in het bezit zijn van een museumkaart betalen € 51,50
deelnemers die geen lid zijn, maar wel in het bezit van een museumkaart betalen € 56,50
De aanschaf van een museumkaart is dus zonder meer het overwegen waard!
In de deelnemersbijdrage zijn begrepen:
de kosten van de bus
koffie met gebak
begeleide stadsrondleiding Nijmegen
entree kasteel Doorwerth
gidsen kasteel Doorwerth
een drankje in kasteelcafé De Zallmen
fooi voor de chauffeur
Aanmelden
Aanmelding voor deelname aan de excursie dient uitsluitend te geschieden door overschrijving van het deelnamebedrag op bankrekening NL31 RABO 01769 68334 ten name van De Aldenborgh. De overschrijving geldt als aanmelding. U dient bij de omschrijving wel uitdrukkelijk te vermelden:
1) Na(a)men van de deelnemer(s)
2) Nijmegen/Doorwerth
3) uw opstapplaats
4) Museumkaart J/N
Er zijn voor deze excursie 50 plaatsen beschikbaar. Bij overboeking hanteren we de volgorde van aanmelding. Gezien de te verwachten belangstelling is aanmelding per omgaande aan te bevelen. Doe het dus liever vandaag dan morgen, maar in elk geval vóór 2 april 2024.
Indien u na aanmelding/betaling om de een of andere reden alsnog moet afzien van deelname en indien de organisatie geen deelnemers op de wachtlijst heeft staan, dan dient u zelf voor vervanging te zorgen. Teruggave van de deelnemersbijdrage is niet van toepassing.
Deze excursie is namens het L.G.O.G, Kring Weert, de Aldenborgh en de Geschied- en Heemkundige Kring “Het Land van Thorn” georganiseerd door Wil Filott en Hub aan den Boom. Zij zijn respectievelijk bereikbaar onder telefoonnummer 06-83138322 en 06-18845998.
Wij wensen u voor 20 april a.s. een heel leerzame en aangename excursie toe.
Let op: De opstapplaats in Weert is Sint Jozefskerkplein! Daar is voldoende gratis parkeergelegenheid. Vergeet uw museumkaart niet!
Exact 14 dagen nadat dr. Henk Hiddink de aftrap had verzorgd voor de nieuwste aflevering van de cursus Weerterlogie met als onderwerp “Prehistorie en Oudheid”, hield dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 voor een gezelschap van zo`n 100 liefhebbers van de Weerter geschiedenis een bijzondere lezing over het prehistorisch grafveld op de Boshoverheide.
Bouke Kouters, de amateur-archeoloog in het bestuur, heette de bezoekers en in het bijzonder de spreekster van deze avond, dr. Liesbeth Theunissen, welkom. Hij toonde zich verheugd en blij verrast over de geweldige opkomst.
De grafvelden op de Boshoverheide
Op de Boshoverheide tussen Weert en Budel bevindt zich het grootste prehistorische grafveld van Noordwest- Europa. Grafvelden bieden enig inzicht in begrafenisrituelen in de prehistorie. Doden werden gecremeerd. De asresten werden begraven. Het was traditie om graven te markeren. Uit crematieresten kan onder meer de leeftijdsklasse en geslacht van een overledene worden afgeleid. De gemiddelde leeftijd van de gecremeerden op de Boshoverheide was ongeveer 25-30 jaar. Deze was mede zo laag vanwege de hoge kindersterfte. Naar schatting werd overigens in de bronstijd maar 10 à 15% van de bevolking begraven onder grafheuvels. In latere tijd werd wel vrijwel iedereen begraven. In de graven zijn veel urnen gevonden.
Het Pestrupergrafveld in Noord-Duitsland is het enige urnenveld in Europa dat net zo uitgestrekt en groot is als de Boshoverheide.
Urnenvelden zijn niet zeldzaam in Nederland. Er zijn inmiddels zo`n 750 plaatsen met urnenvelden gelokaliseerd, met name in de oostelijke helft van Nederland op zandgronden.
Het urnenveld van Boshoverheide beslaat zo`n 30 hectare. Het is een rijksmonument, maar ook recreatiegebied en militair oefenterrein. Landschappelijk ligt het op een hoog zandplateau, met veel stuifduinen.
Onderzoeken
De eerste “onderzoekers” van de urnenvelden op de Boshoverheide waren in de tweede helft van de 19de eeuw
Pier en Bèr Houben uit Nederweert-Eind.
Casimir Ubaghs en Josef Habets. Een speciale vermelding verdienen de broers Pier en Bèr Houben, amateur-archeologen uit Nederweert-Eind. De door hen in het begin van de 20ste eeuw gedane ontdekkingen leidden tot de eerste opgravingen door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB).
In 1968 is er noodonderzoek op de schietbaan gedaan.
Belangrijk werk is er tussen 1984 en 1994 verricht door studenten van de Universiteit van Amsterdam. In die periode hebben 500 archeologen in opleiding gewerkt aan restauratie en consolidatie van grafvelden.
Het project Odyssee
Resultaten van het project Odyssee.
In 2010 werd op de Boshoverheide gestart met het project Odyssee. Vanwege de beperkte duur van het project werd gekozen voor onderzoek in de breedte en niet in de diepte. Het eerste doel was het creëren van een ruimtelijk raamwerk: een kaart waarop aangegeven was waar zich belangrijke vindplaatsen bevonden en wat daar te vinden was. Zo werden 400 heuvels en 110 plaatsen met crematieresten in kaart gebracht.
Bij het onderzoek naar plaatsen waar zich vondsten van de Boshoverheide
Plaatsen waar zich vondsten van de Boshoverheide bevinden.
bevonden werden 9 locaties achterhaald, waaronder het Limburgs museum in Venlo. Een bijzondere vondst werd gedaan in een museum te Mannheim. Daar werden in een magazijn 47 urnen ontdekt, afkomstig uit de collectie van Casimir Ubaghs.
Enige bevindingen
Bij onderzoek naar crematieresten werden onder meer fragmenten van kleine glazen kralen afkomstig uit Libanon en Syrië gevonden, een teken dat er ook al in de prehistorie uitwisseling en contacten over grote afstanden plaatsvonden.
Uit crematieresten werd aanvankelijk afgeleid dat er hoofdzakelijk mannen en kinderen begraven waren maar dat beeld is later bijgesteld. Een nieuwe studie wees uit dat er ook vrouwen in het grafveld zijn begraven.
Van het terrein van 30 hectare is bijna 3 hectare onderzocht. Naar schatting hebben er in de periode van 1000 tot 500 voor Christus 3135 begrafenissen plaatsgevonden. De bevolkingsgroep wordt geschat op zo`n 180 personen. Dat is een uitzonderlijk groot aantal mensen. Dat leidt tot een aantal vragen. Is de Boshoverheide van regionale betekenis geweest? Zo ja, betekent dat dat overledenen van heinde en verre naar het grafveld zijn gebracht om daar begraven te worden? Of is de Boshoverheide gewoon uitzonderlijk goed bewaard gebleven
Archeoscience
Na de pauze ging Liesbeth Theunissen in op ontwikkelingen in de archeologie.
Een belangrijk persoon daarbij is Kristian Kristiansen. In 2014 maakte hij gewag van een derde revolutie in de archeologisch wetenschapsbeoefening. Die ontwikkelingen kunnen als volgt geduid worden.
1. De eerste revolutie (1850-1860) wordt gekenmerkt door de ontwikkeling van archeologie als wetenschap en ordenen van data.
2. De tweede revolutie is de periode na de Tweede Wereldoorlog toen het met gebruik van de koolstofmethode 14 C mogelijk werd om vondsten exact te dateren.
3. De derde revolutie (2014-2024) is het gebruik van big data, modelling, oud-DNA, isotopenanalyse en volgens de spreekster ook Artificial Intelligence.
Reconstructie van het meisje van Egtved.
Archeoscience is meer en meer teamwork geworden: van de archeoloog die nauw samenwerkt met experts in het laboratorium.
Een belangrijke methode is oud DNA–onderzoek, met name het bemonsteren van kiezen en het rotsbeen. Besmetting met hedendaags DNA moet daarbij worden voorkomen. Archeologen moeten zich nu inpakken in beschermende kleding, met handschoenen en mondkapjes. Met dit DNA-onderzoek kunnen biologische- en familierelaties worden aangetoond.
Een recente ontwikkeling is de zogenaamde strontiumisotopentechniek. Strontium komt vanuit de grond via voedsel in het lichaam. Het gehalte aan strontium verschilt per streek. Door deze techniek kan nauwkeuriger de plaatsen worden bepaald waar een persoon heeft geleefd of tijdelijk heeft verbleven. Het geeft inzicht in hoe mobiel de mensen van toen waren.
Een in de archeologie bekend voorbeeld van de resultaten van deze techniek is het zogenaamde meisje van Egtved, een skelet uit de Bronstijd gevonden in Egtved in Jutland. Men heeft lang gedacht dat het een Deense was totdat via het gebruik van strontiumisotopen vastgesteld kon worden dat ze een Duitse was uit het Zwarte Woud.
Sinds kort is het mogelijk om strontiumanalyse op verbrande resten, zoals crematieresten, toe te passen.
Met het tonen van bovenstaand beeld sloot Liesbeth Theunissen haar lezing af.
Door onderzoek naar verschillende skeletonderdelen, zoals tanden, rotsbeen, pijpbeen en ribben, kan ook de mobiliteit van een onderzocht persoon nauwkeurig worden bepaald. De strontiumisotopen in het rotsbeen (gevormd tijdens de eerste 2 levensjaren) kan een ander signaal geven dan het ribfragment (gevormd tijdens de laatste 5 jaar). Is iemand lokaal of komt hij/zij uit een andere regio?
Het zou mooi zijn als deze techniek toegepast zou worden op crematieresten van de Boshoverheide die in het depot worden bewaard.
Vragen
Van de gelegenheid tot het stellen van vragen werd druk gebruik gemaakt. Ook werden er enkele aanvullende opmerkingen gemaakt. Een deelnemer merkte op dat eind 19de eeuw mogelijk nogal wat archeologisch materiaal verloren is gegaan door opgravingen van particulieren, die de urnen verhandelden. Een geluk was volgens een andere deelnemer dat een grootgrondbezitter op de Boshoverheide een verbod had ingesteld om op zijn terrein te komen.
Peter Korten bedankte Liesbeth Theunissen voor haar interessante en boeiende lezing. In zijn enthousiasme voor het promoten van het erfgoed van Weert riep hij ter plekke Weert uit tot archeologische hoofdstad van Europa.
Met een driedaags lichtfestival wordt het verhaal en de sfeer ten tijde van stadsicoon Lamoraal van Egmont op een spectaculaire manier tot leven geroepen.
De donkere wintermaanden opfleuren, het Zottegemse patrimonium letterlijk en figuurlijk in een ander licht laten zien en een unieke ervaring creëren voor het hele gezin, dat is wat EGMONT, Lichtfestival wil doen. Het parcours van één kilometer lang loopt dwars door het centrum, langs kunst- en lichtinstallaties. Het wordt een unieke combinatie van licht, geluid en natuurelementen. We zetten de gebouwen en aanwezige elementen in ons centrum efficiënt in, zodat bezoekers het gevoel hebben dat ze recht de geschiedenis in stappen. Zo zag je Zottegem nog nooit! Klik hier voor meer informatie.
Op maandag 4 maart 2024 organiseert de Stichting de Aldenborgh weer een lezing. Dit keer gaat het over het prehistorische grafveld op de Boshoverheide bij Weert. Liesbeth Theunissen, senior onderzoeker bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort, houdt de lezing. De lezing begint om 19.30 uur en vindt plaats in Hotel-Brasserie Antje de Statie, Stationsplein 1 in Weert. De toegang is gratis.
Prehistorische grafveld Boshoverheide
Het prehistorische grafveld op de Boshoverheide bij Weert staat bekend als een van de meest uitgestrekte urnenvelden van Noordwest-Europa. Met ruim 150 gerestaureerde grafheuvels is het een zichtbaar archeologisch monument dat sinds 1968 wettelijk is beschermd. In het kader van het onderzoeksprogramma Odyssee, uitgevoerd in 2011-2012, is veel van het oude onderzoek bijeengebracht, geanalyseerd en gebundeld tot een synthese. Daaruit blijkt onder meer dat de Boshoverheide een ware schatkamer is, vol met allerlei bijzondere elementen.
Er liggen 400 urnheuvels, met 111 crematiegraven en 13 afgedekte brandstapels. In het eerste deel van de lezing wordt teruggeblikt op prehistorische begravingsrituelen in het algemeen en het grafveld van de Boshoverheide in het bijzonder.
Na de pauze wordt ingegaan op de nieuwe methoden en technieken die vandaag de dag steeds meer worden ingezet, en die vaak verrassende resultaten opleveren. Zo is het mogelijk om met behulp van isotopen meer te zeggen over de mobiliteit van de begraven mensen. Wat ligt er in de toekomst in het verschiet?
Liesbeth Theunissen
Liesbeth Theunissen studeerde culturele prehistorie aan de Universiteit Leiden. In 1999 is zij gepromoveerd op een dissertatie over de bronstijdsamenlevingen in de Lage Landen. Sinds 1997 is zij werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort als senior onderzoeker voor de late prehistorie (de periode van ca. 3000 tot 12 voor Christus). In haar werk van advies en onderzoek staan de overblijfselen van boerengemeenschappen uit deze millennia centraal.
Praktische informatie
Wat: lezing
Wanneer: maandagavond 4 maart 2024
Tijd: 19.30 uur
Locatie: Hotel-Brasserie Antie van de Statie, Stationsplein 1 in Weert
Deelname: gratis
Ter gelegenheid van de viering van het 17e lustrum van Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Aldenborgh komt op zondagmiddag 10 maart a.s. de rijke geschiedenis van Weert weer even tot leven. De 85-jarige Aldenborgh en 144-jarige harmonie St.-Joseph 1880 bundelen voor deze feestelijke gelegenheid hun kennis, kunde en krachten in het Weerter Munttheater voor de presentatie van het jubileumprogramma Wereldse Weertenaren.
Docent van de Aldenborgh-cursus Weerterlogie, auteur en columnist Frits Nies, zal de middag inluiden en duiden middels een gesproken column.
Loop van de geschiedenis
Er zijn niet alleen in de afgelopen 85 jaar, maar ook al (ver) vóór die tijd meerdere Weertenaren geweest met een stip op de horizon (ver) buiten het zicht vanaf de Martinustoren. Ieder op eigen wijze en op eigen plek hebben zij in de wijde wereld een steen(tje) verlegd in de loop van de geschiedenis. Het zijn onze Wereldse Weertenaren die we bij deze gelegenheid terugbrengen voor het Weerter voetlicht.
Portretten
De volgende vertellers voeren u mee naar de wereld van enkele van die Weertenaren:
Rob Troubleyn, luitenant-kolonel b.d. en onderzoeker bij Kenniscentrum In Flanders Fields Museum in Ieper (B);
Alfons Bruekers, publicist en verteller van de Erfgoedgemeenschap Nederweert;
Peter Korten, onderzoeker en voortrekker van De Aldenborgh Weert.
Zo kunt u onder meer een aangrijpend portret tegemoetzien van een Weerter kindsoldaat die diende in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. En u ontdekt het leven van een beroemde architect die vanuit Weert afreisde om zijn stempel te drukken op het aanzien van een opkomende wereldstad.
Regisseur/acteur Johan Korten uit Stramproy kruipt in de huid van de eerste Weerter cowboy in het Wilde Westen, bijgestaan door een Amerikaanse acteur uit B-films in wie sommigen van u nog Ronald Reagan zullen herkennen.
Bewegende beelden
De voorstelling wordt verder ingekleurd met gefilmde verhalen en beelden van Weertenaren, geregistreerd door de filmmakerPeter Crins. Zijn visuele bijdragen voegen een extra dimensie toe aan de reis door de geschiedenis van Weert. En ja, Tjeu Jonckers (1905-2011) – wie kent hem inmiddels niet – komt ook weer aan het woord.
Muzikale omlijsting
Op het podium van het Munttheater prominent aanwezig deze feestmiddag rond Wereldse Weertenaren: de in de negentiende eeuw opgerichte Harmonie St.-Joseph 1880 (de kerkelijke). Deze muzikanten spelen onder leiding van dirigent Bart Deckers prachtige uitvoeringen van Les Misérables en Once Upon a Time in the West.
Zangeres Linda Smeets zal in de rol van de legendarische Weerter Antje vanne Stasie een voorproefje geven van Antje – De Musical, die op 17, 18 en 19 mei wordt opgevoerd in de open lucht op het Stationsplein Weert.
Tot slot ook nog een wereldpremière: de uitvoering van fonkelnieuw werk van Weerter componist Frits Kessels jr.
Praktische informatie
De entree bedraagt € 18,50 inclusief pauzedrankje. Kaartjes zijn hier te bestellen.
Telefonisch kunt u kaartjes bestellen van dinsdag t/m vrijdag van 11.00 tot 12.30 uur en van 13.00 tot 17.00 uur door te bellen naar: +31 (0)495 513575. U kunt ook kaartjes kopen aan de theaterkassa, die geopend is op donderdag en vrijdag van 13.00 tot 16.00 uur en één uur voor het begin van elke voorstelling.
Op zondagmorgen 26 juni 1927, een frisse, bewolkte zomerochtend, begaven kerkgangers in Weert zich in alle vroegte naar de St. Martinuskerk om daar de eerste mis bij te wonen. Tot hun verbazing zagen zij dat her en der in de stad biljetten waren aangeplakt.
Wat was er aan de hand?
Op de biljetten was het volgende te lezen:
“Limburgers! Brabanders!
Laat niet langer uw belangen opofferen aan de hebzucht der Amsterdamsche en Rotterdamsche kooplieden, die alles doen wat in hunne macht is, om U te verdrukken en te vernederen.
Wij Limburgers en Brabanders die onder die immer groot wordende verdrukking smachten, hopen dat al onze broeders, wanneer het uur der bevrijding zal slaan, hand in hand zullen gaan en alles opofferen tot het afschudden van dit ondraagbaar juk, voor de bevrijding van Godsdienst, land en volk.
En wees zeker, dat de Belgen, waarvan wij weggerukt zijn, gelijk een kind van zijn moeder, nevens ons zullen staan om ons uit die slavernij te bevrijden.
Harten hoog! Leve Brabant en Limburg, meester zijner toekomst”.
Uit de tekst doemt het beeld op van een onderdrukt en uitgebuit Brabant en Limburg. En dat de Belgen klaar staan de Limburgers en Brabanders, die van België “weggerukt zijn gelijk een kind van zijn moeder” te bevrijden uit de slavernij.[1] Het pamflet is anoniem, maar de woorden “Wij, Limburgers en Brabanders” suggereren dat het een actie betreft van Brabanders en (Nederlandse) Limburgers.
[i] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.
Hoe was de gang van zaken bij de nachtelijke plakkerij in Weert?
Het Kanton Weert berichtte in zijn editie van 1 juli 1927 onder de kop ‘De annexionistische Belgen weer aan het werk’ het volgende over deze aangelegenheid.
In de nacht van zaterdag op zondag hebben annexionistische Belgen weer een “aanval” op Nederland gedaan. Op verschillende plekken hebben zij biljetten aangeplakt. De biljetten zouden zijn aangeplakt door twee wielrijders die tegen middernacht de stad binnenfietsten. Later hadden ze de weg terug naar België gevraagd. De biljetten zijn niet lang zichtbaar zijn geweest omdat de bevolking ze afgerukt en vertrapt heeft.
Het blad Het huisgezin had een meer gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen: Twee fietsers zouden achter een langzaam rijdende auto vanaf het kanaal, vermoedelijk uit Belgische richting, om kwart voor twaalf Weert binnengekomen zijn. Waarschijnlijk was de auto de Maasstraat binnengereden. De fietsers waren doorgereden richting station waar zij aan een inwoner de weg naar het kanaal hadden gevraagd. Omdat het slecht weer was, waren er maar weinig mensen op de been. De heldendaden van de fietsers had men dan ook niet gezien. Toen inwoners `s morgens naar de kerk gingen, zagen zij overal op de huizen en vensters pamfletten van ongeveer 40 bij 25 centimeter aangeplakt. De verontwaardiging bij de bevolking daarover was zo groot dat ze direct werden verscheurd.[2]
Wat speelde op de achtergrond voor de plakactie?
Na de Eerste Wereldoorlog was er in België een beweging ontstaan die streefde naar annexatie van in haar ogen in 1839 ten onrechte aan België ontnomen gebieden, met name de Nederlandse provincie Limburg en Luxemburg. Verder wilde zij ook Zeeuws-Vlaanderen annexeren. Bij de vredesconferentie van 1919, met onder andere Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, over de voorwaarden voor een verdrag met het verslagen Duitsland, bracht België de annexatiewensen in. België had zwaar geleden onder de oorlog. Ook was er niet veel sympathie voor Nederland, ook niet bij de geallieerden. Hoewel Nederland in de oorlog officieel dan wel neutraal was geweest, had het er in Belgische ogen toch de schijn van dat het Duitsgezind was. Dat werd onder andere afgeleid uit de toestemming van Nederland – tegen de zin van de geallieerden – voor de doortocht in november 1918 van Duitse troepen van Maaseik via Roosteren en Susteren naar Duitsland. Ook het verlenen van asiel aan de gevluchte Duitse keizer Wilhelm II, waarin men -waarschijnlijk niet ten onrechte – de hand van koningin Wilhelmina bevroedde, had kwaad bloed gezet. Ondanks de geringe sympathie voor Nederland werden de wensen van België niet ingewilligd.
Enige reacties uit België?
De officiële reactie van de Belgische regering was dat het kwajongensstreken betrof. Actie werd er niet ondernomen. Het annexionisme leefde nauwelijks in Vlaanderen. Het was in het bijzonder een streven van Franstalige Belgen.
Het Belgische annexionistische blad La Nation Belge maakte op zondag 26 juni 1927 reeds melding van de plakkerij, die ongeveer op hetzelfde tijdstip plaatsvond als het drukken van het blad. Het bericht in de krant was blijkbaar al geschreven voordat de plakactie in Weert daadwerkelijk had plaatsgevonden.
De krant opende het artikel met de kop Des Limbourgois dégoutés de la Hollande (Limburgers walgen van Holland). In de aanhef stond dat een actieve groep Limburgers en Brabanders die nacht op een groot aantal kerken en huizen affiches had aangeplakt, met name in Budel, Weert, Ittervoort en Hunsel. De Franse vertaling van het `s nachts aangeplakte biljet stond ook al in het artikel, een bewijs te meer dat de krant nauw bij de actie betrokken was.
La Nation Belge, 27 juni 1927
In Weert had men het plaatselijke agentschap van de Limburger Koerier, een verwoed anti-Belgisch orgaan, geheel volgeplakt met meerdere biljetten biljetten.[3] Het blad meldde ook dat het volk de oproep met sympathie besprak tot de biljetten op last van de autoriteiten werden afgescheurd.
De waarheid was dat slechts weinigen de biljetten gezien hadden. De bevolking had de biljetten onmiddellijk afgerukt zonder bevel van de autoriteiten.[4]
Aan de Vlaamse kant van de grens was men gebelgd over het gebeurde. In de woorden van een burgemeester van een dorp in de grensstreek: “Wij zijn verontwaardigd en schamen ons over het optreden van enkele landgenoten – van wie weet gekomen – om den vrede en vriendschap die hier steeds heerschen, te verstoren. Het is een kinderachtig optreden van enkelen zonder verantwoordelijkheidsgevoel”.
Een verholen dreigement
In de Bredasche courant stond een lange, ingezonden brief van een zekere mr. A.J van Vessem, waarin hij het achterwege blijven van maatregelen van de Belgische en Nederlandse regeringen tegen de propaganda van de Belgische annexionisten fel hekelde. Tegenover het streven van een aantal Belgen om Nederlands Limburg te annexeren en zodoende de grens met Nederland te verleggen, schreef hij dreigend: “Kunnen de Belgen voor de verlegging naar het Noorden slechts rekenen op de medewerking van enkele hondsche Groenendalers, wij kunnen voor de verlegging naar het Zuiden rekenen op de medewerking van machtige, tot daden voor een hoog ideaal bereide ontevreden Volksgroepen in Vlaanderen”.[5]
Was Weert die nacht het enige doelwit?
Ook in Hunsel en Ittervoort werden in die nacht biljetten met dezelfde tekst aangeplakt. Een inwoner van Hunsel die rond half elf `s avonds per fiets naar huis ging, had halverwege Ittervoort en Hunsel een tweetal personen met een fiets aangetroffen. Hij was afgestapt en had hen gevraagd wat ze kwamen doen. Te voet gingen zij samen verder. Een van de Belgen bleef achter omdat hij voorwendde pijn in zijn been te hebben. Waarschijnlijk had die de biljetten aangeplakt. Net zoals in Weert zouden de biljetten `s morgens vroeg door de bevolking verwijderd zijn.[6]
Wie zat er achter de actie?
De actiefste annexionistische beweging was Le Comité de politique nationale. In een brochure van 1919 met de titel La protestation du Limbourg poneerde het comité de stelling: “C’est malgré lui que le Limbourg est devenu hollandais” (Limburg is zijns ondanks Hollands geworden).[7]
Kaart van België met in rood de gebieden die volgens Le comité de politique nationale in 1839 aan België waren ontnomen of aan haar geweigerd. Bron: https://www.ny-web.be/artikels/belgie-la-carte/
De Limburgse bevolking was echter na de Eerste Wereldoorlog in meerderheid tegen annexatie door België. Dat gold ook voor de katholieke kerk. Dat kwam onder meer tot uiting in de oprichting van het comité Le Limbourg à la Hollande, waarin notabelen uit de provincie en vertegenwoordigers van Limburgse standsorganisaties van boeren, middenstanders, werklieden en journalisten deel van uitmaakten. Zij publiceerden een manifest, waarin zij de Limburgse bevolking opriepen om te protesteren tegen de Belgische annexatiewensen. Ook werden er veel telegrammen met aanhankelijkheidsbetuigingen van onder meer gemeenten naar koningin Wilhelmina gestuurd.[8]
Een dissident met een kleine Weerter connectie
Zoals we hiervoor hebben gezien, keerden Limburgse organisaties, de katholieke kerk en Limburgse overheden zich tegen de Belgische aanspraken. Dat gold ook voor de Limburgse vertegenwoordigers in het Nederlandse parlement met één uitzondering.
Kiesdistrict XI Weert
Henri van Groenendael, in 1916 in de Tweede Kamer gekozen door het kiesdistrict Weert, zou zich een voorstander van de Belgische aanspraken getoond hebben en voor een volkstemming in Limburg zijn over de toekomst van de provincie.[9]
Ook in de Tweede Kamer kwam dat tot uitdrukking. Zijn pleidooi voor een volkstemming in Limburg werd uitgelegd als steun voor België. Het leidde ertoe dat hij per 1 oktober 1919 werd geroyeerd als lid van de R.K.-kamerfractie.[10] Hij bleef als onafhankelijk lid in de Tweede Kamer zitten. Hij kan beschouwd worden als de eerste ‘zetelrover’ in het Nederlandse parlement. Bij de verkiezingen In 1922 probeerde hij weer in de Tweede Kamer te komen.
Inmiddels was in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, in 1918 het kiesstelsel met districten gewijzigd in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en in 1919 het algemeen kiesrecht voor vrouwen ingevoerd.
In de verkiezingscampagne liet Van Groenendael vanuit een vliegtuig verkiezingsbiljetten uitstrooien over dorpen langs de Maas. Die voor die tijd spectaculaire verkiezingsstunt leverde echter geen succes op, integendeel. Van Groenendael kreeg maar 1636 stemmen. Hij kwam er meer dan 20.000 tekort voor een kamerzetel.[11]
Henri van Groenendael
Mr. dr. Henricus Antonius Godefridus van Groenendael was een telg uit een aannemers- en architectenfamilie in Nunhem. Hij is op 20 mei 1904 te Couillet, Henegouwen, getrouwd met de Belgische Albine Camille Maria Augusta Ghislaine Marsigny. Het echtpaar heeft 11 kinderen gekregen. De oudste twee zijn geboren in Maastricht, de volgende zes in Zwolle, de twee daarna in Sittard en de jongste in Angers, Frankrijk, naar welke plaats het echtpaar na de voor Henri van Groenendael desastreuze verkiezingen in 1922 was verhuisd. Henri van Groenendael is op 22 mei 1944 overleden te Brussel.
Wat was de directe aanleiding voor de actie?
Nederland en België hadden in 1925 na lange onderhandelingen overeenstemming bereikt over een verdrag over een herziening van een aantal punten in het scheidingsverdrag van 1839 tussen België en Nederland. Het verdrag behelsde onder andere een regeling over het beheer van de Schelde, de positie van de Antwerpse haven en de aanleg van een kanaal tussen Antwerpen en de Rijn door Limburg.
De Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde in juli 1926 met een zeer grote meerderheid het verdrag goed. Ook de Nederlands Tweede Kamer nam het aan, zij het met een kleine meerderheid. De Eerste Kamer verwierp het echter op 14 maart 1927.[12] Daaraan was het verzet tegen het verdrag in Rotterdamse en Amsterdamse havenkringen niet vreemd.[13] De verwerping wekte natuurlijk wrevel op in België. En het was koren op de molen van de annexionisten in België.
Was de nachtelijke actie in Weert de eerste?
Behalve de in dit artikel beschreven actie in Weert, Hunsel en Ittervoort, hadden al eerder andere plaatsen in Limburg kennisgemaakt met Belgische pamfletten. In de Limburger koerier van 11 april 1927 verscheen een bericht onder de volgende kop: EEN BELGISCHE RAID IN LIMBURG – Huurlingen van het Belgisch Comité de Pol. Nationale.
Afgaande op die kop zou men kunnen menen dat er een militaire inval van een Belgisch huurlingenleger had plaatsgevonden. In werkelijkheid waren in die nacht een vijf- of zestal Belgen de Maasbrug van Maaseik naar Roosteren overgestoken. In Roosteren en Dieteren, gemeente Susteren, hadden zij plakkaten aangeplakt met verschillende teksten waarin werd opgeroepen tot herroeping van het verdrag van 1839.
Een van die teksten luidde als volgt: “Limburg wordt verlost van de Hollandsche Protestantsche verdrukking en hebzucht. België wenscht geen verovering van land noch burger, maar eischt herstel van `t opgedrongen verdrag van 1839 en vooral vrije verbindingen met Limburg en de Maas en de vrijen doorgang per spoor, weg en kanaal naar het Rijnland. De dam van 1839 tusschen Limburg en België opgeworpen moet weg. De voorspoed en de toekomst van Limburg liggen in `t Westen en in `t Zuiden met en bij België en niet te Rotterdam en in het Noorden”.
Eind april 1927 waren vanuit een vliegtuig duizenden Belgische vlaggetjes met pamfletten boven Maastricht afgeworpen. In Spekholzerheide waren geschriften in de buurt van de ”Belgische” mijn Willem-Sophia, bij mensen onder de deur geschoven.
Een bericht uit Maaseik
Ik wil dit artikel afsluiten met een raillerend bericht in het Maeseycker Weekblad. Daaruit blijkt dat daar de acties niet serieus werden genomen.
“Waren wij in de plaats der Hollanders, wij zouden toch zoo zeer op ons gemak niet zijn. Ziet eens Roosteren, Dieteren en Susteren werden stormenderhand ingenomen, nu een paar maanden geleden door eenige nachtridders, die per auto te Maeseyck de brug overstaken; later werd Maastricht met papierkens gebombardeerd uit een vliegtuig, dat eenige duizenden meters boven de stad zweefde; en nu is het de beurt aan Ittervoort, Hunsel en Weert die eenvoudig ingenomen werden door een paar mannen per fiets. Wat ware de Duitschers, vergeleken met die helden? Met duizenden bestormden zij gedurende veertien dagen den Yzer en slaagden er niet in de minste brok grond te veroveren. Thans gaat dat eenvoudiger; met steekt eenige papierkens op zak, springt op een fiets, en `s nachts, als het goed donker is, plakt men die op een pomp of op de deur van een koestal en zie: de streek is geannexeerd. Het beste wat die “helden” zou kunnen overkomen ware, dat zij eens betrapt worden door den een of anderen “sjampetter” die hun eens duchtig de ooren wreef en hen niet losliet, dan nadat zij op de knieën vergiffenis voor hunne (daden) zouden hebben afgesmeekt, en de stellige belofte afgelegd niet meer in die zonde te hervallen. `k Wed voor al wat ge wilt dat het voorgoed gedaan ware met die kinderachtige streken”.[14]
Tot slot
Het aanplakken van biljetten in Weert was een laatste stuiptrekking van een zieltogende annexionistische beweging in België. Bij gebrek aan steun in België ging de beweging ter ziele. Le Comité de politique nationale werd in 1930 formeel opgeheven.
Bronnen
[1] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.
[2] Het huisgezin, 27 juni 1927.
[3] Het agentschap van de Limburger koerier was gevestigd in de Langstraat 380.
[4] Het Kanton Weert, 59ste jaargang, no 266, vrijdag 1 juli 1927.
[5] Bredasche courant, 27 juni 1927.
[6] De Nieuwe Koerier, 27 juni 1927.
[7] De brochure La protestation du Limbourg bevatte overdrukken van redevoeringen in het Belgisch parlement in 1831 en van verzoekschriften, die vanuit Nederlands Limburg in 1838 naar Brussel waren gestuurd om niet in te stemmen met teruggave van Nederlands Limburg aan de Hollandse koning. De brochure werd met name in Frankrijk verspreid.
[8] Meer hierover in het grotendeels Franstalige boek “La petition du Limbourg hollandais, 1918-1919, Ruremonde, Romen & Fils”.
[9] In 1916 gold een districtenstelsel met kiesrecht voor een beperkt aantal mannen.
[10] “Limburg. Een geschiedenis, vanaf 1800”, pag.84.
[11] htttps://11.nl/stemmen-uit-het-limburgs-verleden-henri-van-groenendael en “ Limburg en het Belgisch annexionisme 1918-1920”, Kasper Wagemans, pag. 118 e.v..
[12] Meer hierover in het boek “De Lage Landen 1780/1980, Twee eeuwen Nederland en België”, E.H. Kossmann, pag. 57 e.v..
[13] De Brusselse krant La Libre Belgique schreef over het aanplakken van pamfletten in Roosteren en Dieteren: “Er wordt beweerd dat het Belgen zijn, die de daad van straatbengels hebben begaan. Wij gelooven veeleer dat het Rotterdammers zijn, tegenstanders van het Hollandsch-Belgisch verdrag, want zulke kinderachtige streken zijn alleen in het belang van de tegenstanders van een overeenkomst tussen beide landen.” Het volk, 12 april 1927.
Al ruim één procent van de Weertenaren mag zich al Weerterloog noemen. De jongste is 15 en de oudste maar liefst 93 jaar. Door de nog steeds toenemende belangstelling voor het lokale verleden zal er ook in op 20 februari 2024 weer een cursus starten. Weerterlogie, dan weet je wat van je stad!
In een serie van 8 dinsdagavonden verzorgen enthousiaste experts een gevarieerde introductie in cultuur en geschiedenis van Weert. Elke reeks eindigt met de feestelijke installatie van de nieuwe Weerterlogen door uitreiking van een fraai getuigschrift.
Voor wie?
De avondcursus Weerterlogie staat open voor iedereen met belangstelling en een warm hart voor Weert. Er is geen vooropleiding vereist. De opgedane kennis biedt ook een solide basis voor cultuurhistorisch actieve leden van diverse verenigingen.
Met de opgedane kennis kan iedereen na afloop de naaste omgeving verrassen met een inhoudelijke rondleiding door Weert en zo nog meer genieten van stad en regio.
Cursusdata Weerterlogie – voorjaar 2024
Hieronder een overzicht van de dag, de onderwerpen en de deskundige sprekers.
Datum
Onderwerp
Door
20 februari
Prehistorie en Oudheid
dr. Henk Hiddink
27 februari
Middeleeuwen / Tachtigjarige Oorlog
drs. John van Cauteren
5 maart
17e en 18e eeuw
dr. Jos Wassink – LET OP: een andere locatie:
door omstandigheden gaat de les van 5 maart door in de foyer van het Munttheater, Collegeplein 3 te Weert.
12 maart
Franse tijd
dr. Joost Welten
19 maart
19e eeuw
Peter Korten
26 maart
Weerter kunst
drs. John van Cauteren
2 april
WOI, WOII en Interbellum
drs. Theo Schers
9 april
Opbouw en afbraak na WO II
drs. Frits Nies
Praktische Info
Tijdstip: 19.00 tot 21.00 uur
Cursuslocatie: Antje van de Statie, Stationsplein 1, 6001 CH Weert. Let op: Door omstandigheden vindt de cursusles op 5 maart plaats in de foyer van het Munttheater – Collegeplein 3 te Weert.
Deelnameprijs: € 121,- (betaling geldt als inschrijving).
Aanmelden: door overmaking van € 121 op bankrekening NL31RABO0176968334 t.n.v. stichting De Aldenborgh Weert