Skip to content
Verslag Lezing – Van zoenkruis tot guillotine

Misdaad en straf in onze regio, een evolutie (1500-1800)

Lezing van Thieu Wieërs voor de Aldenborgh op 26 januari 2026

Door Wil Filott

Voorzitter Peter Korten mocht bij de eerste activiteit van de Aldenborgh in 2026 zo`n 65 belangstellenden verwelkomen voor een lezing van de éminence grise van onze regionale historie, Thieu Wieërs uit Geistingen.  

 Peter kondigde alvast een aantal activiteiten aan voor de komende periode: 

  • lezingen o.a. op 23 februari aanstaande van dr. Robert Nouwen, directeur van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren en schrijver van het recent verschenen boek “Rome in de Lage Landen”; 
  • een symposium over 200 jaar kanaal; 
  • een nieuwe editie van ”Gluren bij de buren”; 
  • een nieuwe cursus Weerterlogie, die na de Vastelaovend van start gaat. 

Verder reikte hij een getuigschrift uit aan een cursist van de cursus Weerterlogie uit Uden, die de cursus zelfs tweemaal had gevolgd.  Deze had daarvoor zo`n 1100 kilometer afgelegd. Een bewijs van waardering voor de kwaliteit van de cursus.

Thieu Wieërs begon zijn lezing met de mededeling dat wat onder misdaad wordt verstaan in de loop der tijd verandert. Voorbeelden van “verdwenen” misdaden: hekserij, homofilie. Voorbeeld van een nieuw misdrijf: rijden onder invloed van alcohol of drugs. 

 

In de periode, waar zijn lezing over ging, werden als misdaad onder meer beschouwd: moord, doodslag, brandstichting, bigamie, diefstal uit een kerk. 

Een groot probleem voor bestraffing was in die tijd het ontbreken van gevangenissen voor lange straffen. De oorzaken daarvoor waren te kleine territoria en het ontbreken van geld voor bouw, bewaking en onderhoud van gevangenissen. 

De eerste gevangenis voor langgestraften in de Zuidelijke Nederlanden werd pas in 1779 in Vilvoorde in het hertogdom Brabant geopend. Als men in een overlijdensakte van een persoon de vermelding aantreft dat die overleden is op het adres Langemolenstraat 19 te Vilvoorde, weet men dat die persoon overleden is in die gevangenis.  

In de Franse tijd kwam er rond 1798 in Maastricht op de Minderbroedersberg ook een gevangenis. 

 

Pelgrimage 

Alternatieven voor gevangenisstraffen waren: verbanning, pelgrimage en de doodstraf. 

Bekende pelgrimage-oorden waren: 

  • Compostella, 2000 km met als symbool de Sint Jacobsschelp; 
  • Rome, 1700 km;  
  • Jeruzalem;  
  • Wilsnack, 600 km, tussen Hannover en Berlijn; 
  • Rocamadour in Frankrijk. 

Een pelgrimstocht werd opgelegd voor de duur van twee of zeven jaren. 

Een pelgrimage was gevaarlijk. De gestrafte kende de omstandigheden en de taal van de gebieden waar hij door heen moest trekken, niet. Hij stond bloot aan regen, sneeuw, kou en berovingen. Hij was zonder middelen van bestaan en moest zich met bedelen in leven houden. De gezaghebbers in de streken waar hij doorheen moest trekken, waren hem vaak niet goed gezind. De overlevingskans was niet bijster groot. Maar dat was vaak de bijkomende gedachte bij het opleggen van een pelgrimage; de hoop dat de gestrafte onderweg zou sterven. 

De pelgrimage als straf werd allengs moeilijker door de Islam (Jeruzalem), Protestantisme (Wilsnack) en de vijandige houding van de Franse koning (Compostella, Rocamadour). Deze straf raakte langzamerhand uit beeld en werd vervangen door een geldboete.  

 

Aan de hand van een aantal misdaden in onze regio schetste Thieu de ontwikkelingen in de bestraffing daarvan. 

 

Een peijs en een zoen in Neeritter in 1572 

In Neeritter had Eeren Perren Johan van de Laer doodgeslagen. Ter voorkoming van wraak naar het Bijbelse “oog om oog, tand om tand”, wat kon uitmonden in een familievete, werd door de families van de dader en het slachtoffer een peijs gesloten. Dat gebeurde buiten het gerecht om. 

De peijs was een overeenkomst tussen de beide families die onder meer het volgende inhield:  

  1. De dader, Eeren, moest een kruis plaatsen op het graf van het slachtoffer, Johan van de Laer; een zoenkruis. 
  2. Hij moest binnen zes weken drie kloosters vragen te bidden voor Johan. 
  3. Eeren moest afstand doen van zijn bezittingen. 
  4. Voor deze afstand kreeg Eeren mede voor zijn kinderen 100 Hornse guldens 
  5. Eeren mocht een jaar lang niet op plaatsen komen waar de kinderen van Johan van de Laer zaten of dronken; een soort contactverbod.  

 

De zoen eindigde met: “en hiermede zullen ze verzoend zijn ten ewigen dage voor man, wijf en alle partijen, hoe ze gelegen zijn zo lang als zon en maan schijnen, sterren aan de hemel staan, gras op de aarde wast en zand in de zee is”. 

Het woord peijs is afkomstig van het Latijnse woord Pax en het Franse woord Paix (vrede). Bij een peijs moest de dader vaak ook een voetval doen: in de zondagse mis publiekelijk aan de familie van het slachtoffer vergiffenis vragen.  

Een bijzonder en zeldzaam zoenkruis in Groot-Gelmen met de namen van de dader, Gijsen Vasoens, en het slachtoffer, Jan Morbiers. 

 

Vrouwengratie in Thorn in 1651 

Heyn Meuwissen had Peter van Heythuysen in diens woning met een schot hagel aan zijn hoofd verwond. Ook had hij diens vrouw en dochter mishandeld. Eerder had hij op de hoeve de Grote Hegge te Thorn een knecht, genaamd Linssen, gedood. Hij moest zich voor zijn wandaden verantwoorden op de Wijngaard, het plein voor de kerk, in Thorn.  

Hij werd tot dood veroordeeld en zijn lijk zou begraven moeten worden in ongewijde aarde. Toen de beul klaar stond om het vonnis te voltrekken, vroeg Jehanne, dochter van Klaas Merten uit Geistingen, om genade. Zij zei dat ze met hem wilde trouwen. De meier van Thorn begaf zich spoorslags op zijn paard naar de abdis om dat verzoek over te brengen. De abdis willigde het verzoek in. Het koppel moest wel direct trouwen. De pastoor werd erbij gehaald en het huwelijk werd voltrokken in “den Rinck” waar normaliter het vonnis voltrokken zou worden. 

Het echtpaar kreeg 9 kinderen. De peters en meters van deze kinderen waren vaak kanunniken en adellijke dames. Bij het eerste kind was zelfs de abdis meter. 

 

Genade van de baron van Waes in 1726 

Jacobus Hallen, halfwin op de Meijseberg onder Hunsel, had zijn dienstmeid vermoord, een kar en 16 hopen koren gestolen bij Johanna Luijten en brand gesticht in de Uffelse molen door er een brandende durf in te gooien. Hij werd vanwege de brandstichting veroordeeld tot de doodstraf op de brandstapel. De heer van Waes verleende hem echter genade in die zin dat de straf iets minder en menselijker zou zijn. De beul zou hem op het hoogste van de dag, 12 uur, onthoofden.

Tortuur en bokkenrijders 

In 1532 kwam er in de Constitutio Criminalis Carolina van keizer Karel V een regeling voor het gebruik van de pijnbank, tortuur. Deze mocht alleen gebruikt worden als de rechter de overtuiging had dat de verdachte de dader was. De tortuur werd in de tijd van de bokkenrijders vaak toegepast. Een aantal schrijvers betwijfelt of bokkenrijders daadwerkelijk hebben bestaan.

Philip Mertens in 1785 

Philip Mertens uit Ophoven werd er in 1785 van beschuldigd een brandbrief gelegd te hebben. Hij werd daarvoor ter dood veroordeeld op de brandstapel. De Prins-Bisschop van Luik begenadigde hem door te beslissen dat hij eerst gewurgd zou worden en dan verbrand. Philip ontsnapte echter en na een tussenstop in het Pruisische leger kwam hij in Antwerpen terecht. Daar oefende hij min of meer illegaal het ambacht van schoenmaker uit. Ook in Antwerpen werd hij verdacht van het plegen van misdaden: het doden van zijn buurman en het stelen van zilver. Hij werd zesmaal gefolterd terwijl het maximum eigenlijk driemaal was.  De truc was een foltering op te delen zodat er meer dan 3 keer gefolterd kon worden. De laatste foltering met de halsband werd hem fataal. Het was overigens het laatste proces waarbij foltering werd toegepast.

De familie Verheijen uit Neeroeteren 

Vader en twee zonen van de familie Verheijen uit Neeroeteren werden ervan verdacht brandbrieven gelegd te hebben. Zij werden veroordeeld maar vluchtten naar Groningen, waar zij dienst namen in het Hollandse leger. Uiteindelijk werden ze uitgeleverd en kregen ze een nieuw proces met dezelfde rechters als bij de eerdere veroordeling. De tortuur was inmiddels afgeschaft. Ze werden opgesloten in Maaseik boven de Bospoort. Iedere week kregen ze nieuw stro, net als varkens. Zoals toen gebruikelijk, moesten ze leven van water en brood. Het brood werd geleverd door Jacques Schoufs, bakker te Maaseik. Uit een bewaard gebleven overzicht van het geleverde brood kan worden afgeleid dat een van de Verheijens in de gevangenis te Maaseik is gestorven. Waar voor de levering van brood in het begin 18 francs per dag in rekening werd gebracht, was dat vanaf 24 augustus nog maar 12 francs. 

De andere twee Verheijens werden veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf ‘met de ijzers’. 

Een Verheijen is in de gevangenis te Vilvoorde gestorven, de ander is teruggekeerd en zelfs tweemaal getrouwd. 

 

Terechtstellingen in Luik door middel van de guillotine in 1798 

Leonard Pendris, Leonard Fiddelaers en Carolus Donders uit het kanton Maaseik werden beschuldigd “chauffeurs” te zijn: stokers tegen het nieuwe regime. Zij werden door het Tribunal Militaire in Luik veroordeeld tot de doodstraf. In de Franse tijd was voor het voltrekken van de doodstraf de guillotine ingevoerd, vernoemd naar de arts Joseph Guillotin. Onthoofden met de guillotine zou pijnloos zijn en voor iedereen gelijk zijn.  

De veroordeelden werden op 20 juni 1798 op de Paardenmarkt te Luik onthoofd met de guillotine. 

 

Mathijs Verkennis in 1822 

Mathijs Verkennis, geboortig in Hunsel, schoenmaker, had grote financiële problemen. Hij kon bijvoorbeeld het leer voor schoenen en de notariskosten voor de aankoop van zijn huis in Thorn niet betalen. Om uit de financiële problemen te geraken zou hij een brandbrief bij bakker Boelen te Stramproy gelegd hebben. Onder een bepaalde steen moest geld gelegd worden, zo niet dan zou er brand gesticht worden in het huis van de bakker. Toen Verkennis het geld wilde ophalen, werd hij betrapt: een heterdaadje. Hij werd gevankelijk afgevoerd naar Weert. Hij ontkende echter de brandbrief geschreven te hebben. Bij huiszoeking vond men één vel papier, waar een stukje van ontbrak, gekocht in Weert. De brandbrief paste precies in het ontbrekende stuk. Het gerecht in Maastricht veroordeelde hem op 23 januari 1822 tot 25 jaar gevangenisstraf, een boete van 50 gulden en de proceskosten, voornamelijk bestaande uit kosten voor de getuigen. Mathijs Verkennis is in de gevangenis te Vilvoorde overleden. 

 

Met deze veroordeling uit het begin van de 19de eeuw beëindigde Thieu Wieërs zijn lezing. Een groot applaus viel hem ten deel. 

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………….. 

 

Peter Korten bedankte Thieu Wieërs voor zijn interessante lezing met een ferme handdruk. 

 

Hij bracht nogmaals de lezing van Robert Nouwen onder de aandacht en adviseerde de aanwezigen de nieuwsbrief en de site van de Aldenborgh in de gaten te houden voor komende activiteiten.