Skip to content
Verboden vruchten op de Moesdijk

Wil Filott

In de bijbel staat dat Adam en Eva alle vruchten in het aards paradijs mochten eten, behalve de vruchten van de boom die in het midden van de hof stond. Eva werd door een slang aangezet om toch van die vrucht te genieten. Eva kon de verleiding niet weerstaan. De bijbel zegt daarover:

En de vrouw zag dat het goed eten was van die boom en dat hij een lust was voor het oog en hoe aantrekkelijk het was er inzicht door te krijgen. Zij plukte dus een vrucht en zij at ervan; zij gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at ervan.

Nu gingen hun ogen open en ze ontdekten dat ze naakt waren. Daarom hechtten zij vijgebladen aaneen en maakten daar lendenschorten van”.1

Op de Moesdijk stond in 1877 ook een boom in een hof. Geen appelboom zoals beweerd wordt van de boom in het aards paradijs. Op de paradijselijke Moesdijk stond een grote kersenboom.

Kersen zijn heerlijke vruchten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat rijpe kersen een grote aantrekkingskracht hebben met name op jeugdige personen. Dat was ook in 1877 het geval op de Moesdijk. In dit verhaal beschrijf ik wat er half juli van dat jaar daar gebeurde en de nasleep daarvan.

Verder vermeld ik enige genealogische gegevens van een aantal personen, die genoemd worden in dit verhaal.

Moesdijk, half juli 1877

In de tuin achter het huis van Jacob Lamers op de Moesdijk stond die bewuste kersenboom. Half juli waren de kersen rijp. De buurkinderen van Jacob Lamers, Godfried (12 jaar), Mathijs (15 jaar) en Catharina (14 jaar) Verwijlen, konden de verleiding van die kersen niet weerstaan.2 Zij dachten onopgemerkt te kunnen genieten van de voor hen verboden vruchten. Dat was echter een misrekening. Jacob Lamers kreeg hen in het vizier.

Ligging Op de Moesdijk. Bron: Kuyperkaart Gemeente Weert

Aangifte en naar de rechtbank te Roermond

Jacob Lamers deed aangifte van het stelen van kersen.3 De Weerter veldwachter Antoon van der Heiden maakte daarvan op 20 juli 1877 een proces-verbaal op. De kinderen Verwijlen werden voor de rechtbank te Roermond gedagvaard, een dagtocht van heen en terug van zo`n 40 kilometer. Bij de zitting bij de rechtbank erkenden zij dat zij kersen hadden geplukt en gegeten van de kersenboom in de tuin van Lamers. De rechtbank oordeelde dat dat een overtreding van artikel 471 onder 9 van het Wetboek van Strafregt opleverde. Maar de rechtbank oordeelde zelf niet over die overtreding maar verwees bij vonnis van 9 oktober 1877 de zaak naar het kantongerecht te Weert.

Artikel 471 aanhef en lid 9 Wetboek van Strafregt

In het in 1877 geldende Wetboek van Strafregt waren de teksten in het Nederlands en in het Frans. De geldelijke straffen waren uitgedrukt in franken.

De reden daarvoor dateerde uit de Franse tijd en het begin van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In het Franse keizerrijk, waartoe vanaf 1810 tot 1813/1814 ook het huidige Koninkrijk der Nederlanden behoorde, was op 1 januari 1811 de Code pénal in werking getreden.4

Na de Franse tijd vaardigde Willem I in de hoedanigheid van Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden een besluit uit “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Regstuitoefening in de Vereenigde Nederlanden”: het zogenaamde “Gesel- en Worgbesluit”.5 Daarin werd onder meer de Franse Code pénal bij provisie “gehandhaafd “totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien”. Dat “bij provisie” heeft lang geduurd. De Code pénal bleef met wijzigingen tot 1886 in Nederland van kracht. Toen pas werd die overigens vaak gewijzigde code vervangen door het Nederlandse Wetboek van Strafrecht.

Kantongerecht Weert

Het kantongerecht te Weert maakte geen haast bij het behandelen van de zaak.6 Deurwaarder Frans Geene betekende op 6 februari 1878 een dagvaarding aan de kinderen Verwijlen. Daarin werden zij beschuldigd van “tezamen en in vereeniging den 15 Julij 1800 zeven en zeventig uit de onafgesloten tuin, gelegen achter de woning en ten nadele van Jacobus Lammers, onder de gemeente Weert, arglistig te hebben weggenomen en zich toegeëigend een hoeveelheid kersen, de eerste beklaagde bovendien van terzelfder plaats op den twaalfden Julij 1800 zeven en zeventig en ten nadele van genoemden Lammers eene hoeveelheid kersen arglistig te hebben weggenomen en zich toegeëigend”.

De kinderen Verwijlen herriepen bij de kantonrechter de bekentenis voor de rechtbank te Roermond. Kantonrechter mr. Godfried Loix overwoog daaromtrent dat de kinderen Verwijlen weliswaar bij de zitting voor de rechtbank in Roermond erkend hadden op de in de dagvaarding vermelde tijd en plaats kersen afgeplukt en gegeten te hebben, maar dat die erkenning niet als bewijs voor de procedure bij het kantongerecht gold.7 Er stond immers niet in de wet dat een erkenning voor een rechter ook gold voor een andere rechterlijke instantie. Een dergelijke erkenning moest plaatsvinden voor de rechter die over de zaak inhoudelijk moest beslissen.

Die herroeping mocht de kinderen Verwijlen echter niet baten. De kantonrechter oordeelde dat voor die herroeping geen gronden waren aangevoerd en dat de bekentenis voor de rechtbank te Roermond van kracht bleef. Er werden verder twee getuigen gehoord.

Getuige Jacobus Lammers, eigenaar van de bewuste kersenboom, verklaarde onder ede dat hij gezien had dat op 15 juli Godfried en Mathijs Verwijlen in de kersenboom zaten. Catharina Verwijlen stond toen onder de boom, maar hij had niet gezien dat zij kersen at.

Getuige Hendrik Seerden verklaarde onder ede dat hij op 12 juli Godfried en op 15 juli Godfried en Mathijs in de kersenboom had zien zitten. Op 15 juli had hij gezien dat Catharina onder de boom stond. Hij had echter niet gezien dat zij kersen aten of plukten.

Schets van de situatie op 15 juli 1877

De kantonrechter overwoog dat de bij de rechtbank afgelegde bekentenis samen met de onder ede bezwarende verklaringen het wettig en overtuigend bewijs opleverden van de twee ten laste gelegde feiten. De feiten werden door de kantonrechter als volgt gekwalificeerd:

1 Het door drie vereenigde personen plukken en eten van vruchten aan een ander toebehoordende op de plaats zelve zonder dat er eenige omstandigheid is, waaromtrent de wet voorziening doet.8

2 Het plegen van hetzelfde feit door een enkel persoon op een ander tijdstip,

beide feiten gepleegd te Weert, overtredingen voorzien en strafbaar gesteld bij art. 471 aanvangen no.9 van het Srafwetboek…”.

Vonnis

Kantonrechter Loix velde op 6 april 1878 het volgende vonnis:

“ In naam de Konings rechtdoende, verklaren de drie beklaagden overtuigd van en schuldig aan het in de eerste plaats gequalificeerde feit en bovendien de gedaagde Godfried Verwielen aan het in de tweede plaats gequalificeerde feit.

Veroordeelen de schuldig verklaarde Mathijs en Catharina Verwielen ieder in eene en Godfried Verwielen in twee boeten, elk van vijftig cent en allen hoofdelijk in de proceskosten, deze invorderbaar bij lijfsdwang”.9

Of de boetes betaald zijn, is niet bekend, maar is wel aannemelijk.

Volgens het toen geldende strafrecht moest een jeugdige onder zestien jaar worden vrijgesproken tenzij hij met “het oordeel des onderscheids” had gehandeld. In dit geval heeft de kantonrechter blijkbaar geconcludeerd dat de kinderen Verwijlen met het “oordeel des onderscheids” hadden gehandeld. Zij wisten dat het verboden was kersen uit andermans tuin te plukken.

Waar woonden Jacob Lamers, de kinderen Verwijlen en Hendrik Seerden?

De hoofdpersonen in dit verhaal woonden vlakbij elkaar op de Moesdijk, meer precies aan het einde van het oostelijk deel van de huidige Koekoeksweg.

Uitsnede uit kaart Aezel Geografie10

Woning 1: Jacob Lamers

Woning 2 Cornelis Meulen met gezin Verwijlen/Verwielen

Woning 3: Hendrik Seerden

Jacob Lamers woonde samen met zus Joanna Laemers, weduwe van Jacobus Kneepkens, in het laatste huis van de huidige Koekoeksweg, links voor de spoorlijn Weert – Roermond.11 Zijn moeder, Maria Gertruida Breuckers, weduwe van Joannes Francisus Laemers was op 22 februari 1873 overleden.

Bewoners woning Breuckers-Laemers. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880, Leuken no 679

Op de plek van de woning Breuckers -Laemers staat thans het pand Koekoeksweg met de huisnummers 29 en 31. In de tuin van nummer 29 staat anno 2026 weer een kersenboom.

Pand Koekoeksweg 29 anno 2026

De veroordeelde kinderen Verwijlen/Verwielen woonden met hun ouders Christiaan Verwijlen en Maria Geertrui Meulen in de woning van hun grootvader Cornelis Meulen.

Jan Mathijs Verwijlen is op 17 juli 1861 geboren te Weert. Hij is op 28 september 1887 te Weert getrouwd met Joanna Verstappen. Het echtpaar Verwijlen-Verstappen heeft 10 kinderen gekregen. Op 22 mei 1945 is Jan Mathijs te Weert overleden

Anna Catharine Verwijlen is op 2 april 1865 geboren te Weert. Zij is op 6 april 1925 ongehuwd en kinderloos te Weert overleden.

Godefridus Verwijlen is op 9 december 1864 te Weert geboren. Hij is getrouwd met Margaretha Nouwkens uit Reppel (Bocholt). Margaretha Nouwkens is overleden op 2 maart 1938 in het gesticht te Hamont. Uit haar bidprentje blijkt dat Godefridus Verwijlen toen nog in leven was. Het echtpaar Verwijlen-Nouwkes is kinderloos gebleven. De overlijdensplaats en -datum van Godfridus Verwijlen heb ik niet achterhaald. Waarschijnlijk is hij in België overleden.

Bewoners woning Cornelis Meulen. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880, Leuken no 680

Hendrik Seerden woonde met zijn vrouw Petronella Verstappen en zoon Peter naast de woning van Meulen. Hendrik is op 4 juni 1823 geboren te Weert. Hij is op 25 mei 1853 te Grathem getrouwd met Petronella Verstappen. Henricus Seerden is 24 mei 1904 overleden te Weert.

Bewoners woning Hendrik Seerden. Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880, Leuken no 681

Het stropen van fruit is nog steeds strafbaar als een vorm van diefstal. Meer specifiek bepaalt artikel 314 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht:

Hij die …ongeplukte boomvruchten …wegneemt, met het oogmerk die zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt als schuldig aan stroperij, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden of geldboete van tweede categorie.”12

In vergelijking met 1877 is nu bij stropen van vruchten gevangenisstraf mogelijk maar het eten ter plaatse daarvan is niet meer strafbaar gesteld

Maar de soep wordt in de huidige praktijk niet zo heet gegeten als zij opgediend kan worden. Meestal wordt er geen aangifte van stroperij door kinderen gedaan. De eigenaar jaagt de plukkers weg of spreekt hen aan. Als er al aangifte wordt gedaan, wordt die vaak afgedaan met een waarschuwing of een gesprek bij het bureau Halt. Tot een rechtszaak komt het zelden.

Epiloog

Na deze rechtszaak – en wellicht ook daarvoor – zullen de verhoudingen tussen de bewoners van de laatste huizen aan de Moesdijk niet optimaal zijn geweest. Met buurman Jacob Lamers was het in ieder geval kwaad kersen eten.


1 Oude testament, Genesis, vers 6 en 7, Willibrordvertaling 1975.

2 De achternaam Verwijlen wordt in documenten, zoals in de in dit verhaal vermelde processtukken, ook als Verwielen vermeld.

3 De achternaam Lamers wordt in documenten ook vermeld als Laemers en Lammers.

4 De huidige Nederlandse provincie Limburg was in 1895 al grotendeels ingelijfd bij Frankrijk.

5 Het Gesel- en Worgbesluit heeft zijn benaming te danken aan de volgende bepaling (artikel 7) in het besluit: “De straf van altoosdurende dwang-arbeid (travaux forcés à perpétuité) …wordt gesubstitueerd (vervangen) door de straf van geeseling, met de strop om den hals, aan de galg vastgemaakt…”. De straf “met de strop om de hals aan de galg vastgemaakt” stond symbool voor worgen

6 Weert heeft van 1842 tot 1934 een kantongerecht gehad.

7 Kantonrechter mr. Godefridus Antonius Hubertus Loix, is geboren op 7 oktober 1824 te Stratum, Eindhoven, en overleden op 4 mei 1896 te Weert.

8  De laatste bijzin betekent: “zonder dat daarbij sprake is van een bijzondere omstandigheid waarvoor de wet een afzonderlijke regeling bevat

9 ‘Kantongerecht Weert, 1878 rolnummer 42.

10 https://aezel.eu/en/ontdekken/geografie/minuutplans-eigendom?pos=14.304%2C5.738889%2C51.2445

11 De spoorlijn Weert- Roermond is een onderdeel van de in 1779 geopende zogenaamde IJzeren Rijn.

12 Een geldboete van tweede categorie bedraagt in 2026 maximaal € 5500.