Herrie in de Hegstraat in 1851

Een verhaal van Wil Filott

Burenruzies en scheldpartijen zijn van alle tijden. Dit verhaal gaat over een scheldpartij in 1851 in de Hegstraat te Weert. Op zich geen wereldschokkende gebeurtenis. Het leek mij toch wel aardig om daar een artikel aan te wijden, mede gelet op de kring van de daarbij betrokken personen.

Wat was er op 19 augustus 1851 in Weert aan de hand?

Op 19 augustus 1851 vond er een ruzie met een hevige woordenwisseling in de Hegstraat in Weert plaats tussen de 49-jarige Maria Elisabeth Joosten, echtgenote van Willem Warnotte, en de 21-jarige Hendrik Gijbels.[i] De19-jarige zus van Hendrik Gijbels, Petronella Gijbels, bemoeide zich ermee. Ze zei tegen haar broer: “houd u stil, laat ze loopen, want zij stinkt een uur onder de wind”. Maria Elisabeth Joosten ging daarna tekeer tegen Petronella en schold haar uit voor canaille, tooi en loeder.

Dat gebeurde op de stoep voor de woning van Joosten in de Hegstraat. Petronella deed bij de politie aangifte van belediging. Johannes Petrus Pex, commissaris van politie van de stad Weert, maakte daar op 20 augustus 1851 een ambtsedig proces-verbaal van op.[ii]

De Hegstraat is een van de oudste straten van Weert. In het midden van de 19de eeuw was de bebouwing nog niet helemaal gesloten in tegenstelling tot de andere straten in Weert. De bewoners waren hoofdzakelijk ambachtslieden: wever, schoenmaker, bakker, smid, kleermaker.

De scheldende dames waren waarschijnlijk buren. Volgens het bevolkingsregister 1850-1860 woonde de familie Gijbels op het toenmalige adres Hegstraat 173. Van de woning van de familie Warnotte is in dat bevolkingsregister geen huisnummer vermeld. Mogelijk woonde zij in het huis dat volgens het kadaster in 1843 toebehoorde aan de Fundatie Berlo.

[i] De achternaam Gijbels wordt in documenten ook als Geijbels vermeld.

[ii] Joannes Petrus Pex is op 20 september 1797 geboren te Leiden, op 5 april 1823 te `s Hertogenbosch getrouwd met Clara Maria Wassing, op 9 november 1846 te Weert in tweede huwelijk getrouwd met Catharina Gertrudis Wilhelmina Erdwegh en op 20 november 1848 te Weert in derde huwelijk getrouwd met Wilhelmina Gubbels. Hij is op 4 februari 1874 op 76-jarige leeftijd te Weert overleden.

Uitsnede plattegrond Weert 1842. 1: Woning Gijbels, 2: Woning Joosten (waarschijnlijk), 3: Stadhuis, 4: Sint Martinuskerk

Kantongerecht Weert, eerste bedrijf[i]

Het Openbaar Ministerie bij het kantongerecht te Weert, vertegenwoordigd door commissaris Pex, dagvaardde Maria Elisabeth Joosten, huisvrouw van Wilhelmus Wernot, voor de kantonrechter te Weert.[ii] Haar werd overtreding van een aantal wetsartikelen inzake belediging, waaronder artikel 471 lid 11 Wetboek van Strafregt, ten laste gelegd.[iii] Het Openbaar Ministerie eiste dat Joosten daaraan schuldig werd verklaard en veroordeeld zou worden tot een boete van 50 cent tot 2 gulden 50 cent ten bate van de stad Weert, desnoods invorderbaar met lijfsdwang.

[i] Weert heeft van 1842 tot 1934 een kantongerecht gehad.

[ii] In de gerechtelijke stukken wordt als naam van de echtgenoot van Maria Elisabeth Joosten Wilhelmus Wernot vermeld. Na onderzoek bleek de juiste achternaam Guillaume Warnotte te zijn.

[iii] In het Franse keizerrijk, waartoe vanaf 1795 tot 1813/1814 de huidige provincie Limburg behoorde, was op 1 januari 1811 de Code pénal (wetboek van strafrecht) in werking getreden. Na de Franse tijd vaardigde Willem I een besluit uit “houdende bepalingen ten aanzien van de Lijfstraffelijke Regstuitoefening in de Vereenigde Nederlanden”: het zogenaamde “Gesel- en Worgbesluit”. Daarin werd onder meer de Franse Code pénal “bij provisie “gehandhaafd ‘totdat daaromtrent nader zal zijn voorzien’. Dat “bij provisie” heeft lang geduurd. De Code pénal/Wetboek van strafregt bleef met wijzigingen tot 1886 in Nederland van kracht.

Artikel 471 aanhef en lid 11Wetboek van Strafregt

Na het horen van een tweetal getuigen overwoog kantonrechter Hector Frederik Theodoor van Schaeck dat wettig en overtuigend was bewezen dat Maria Elisabeth Joosten “in den avond van den negentienden augustus laatstleden op de stoep harer woning op de openbare straat te Weert aan Petronella Gijbels heeft toegevoegd de woorden canaille, tooi en loeder”.[i] Niets leek een veroordeling van Maria Elisabeth Joosten meer in de weg te staan. Maar dat pakte anders uit.

De kantonrechter was van oordeel dat de belediging met het woord “loeder” van een zwaarder kaliber was dan canaille en tooi, namelijk een “ondeugd”. Daarop was een ander wetsartikel, namelijk 375 van het Wetboek van Strafregt, met een hogere geldboete, van toepassing en niet artikel 471 lid 11.

[i] Hector Frederique Theodore van Schaeck is op 22 oktober 1838 geboren in Mons, België, en overleden op 26 februari 1893 te `s Hertogenbosch. Hij is slechts gedurende korte tijd kantonrechter te Weert geweest.

Artikel 375 Wetboek van Strafregt

De beoordeling van die zwaardere belediging viel volgens de kantonrechter buiten zijn bevoegdheid, maar behoorde tot die van de rechtbank. De kantonrechter was ook van oordeel dat de beschuldiging van de scheldwoorden “canaille” en “tooi” dan ook maar door die rechtbank moesten worden beoordeeld. Kortom: hij verklaarde zich onbevoegd. Maria Elisabeth Joosten, zangeres van beroep, leek in deze zaak het hoogste lied te kunnen zingen, maar zij had buiten de waard, in dit geval commissaris Pex gerekend.

Commissaris Pex, in zijn hoedanigheid van waarnemer van het Openbaar Ministerie, kon zich niet vinden in het oordeel van de kantonrechter. Hij besloot in cassatie te gaan bij de Hoge Raad, maar alleen voor het woord “loeder”. Franciscus Geene, deurwaarder bij het kantongerecht Weert, betekende op 18 oktober 1851 het beroep in cassatie aan Maria Elisabeth Joosten, zangeres, persoonlijk in haar woning.[i]

De Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde op 23 december 1851 dat de woorden canaille, tooi en loeder kunnen worden gekwalificeerd als scheldwoorden in de zin van artikel 471 lid 11 Strafregt. Het woord loeder kon weliswaar gezien worden als een ondeugd (belediging) in de zin van artikel 375 Strafregt, maar dat woord had in de dagelijkse volkstaal volgens de Hoge Raad in het algemeen betrekking op een gemeen persoon. De Hoge Raad verklaarde de cassatie gegrond, vernietigde de uitspraak van de kantonrechter en verwees de zaak terug naar dezelfde kantonrechter te Weert om de zaak alsnog te berechten [ii]

Kantongerecht Weert, tweede bedrijf

Maria Elisabeth Joosten moest dus weer terechtstaan voor kantonrechter Hector Frederik Theodoor van Schaeck op beschuldiging van de woorden canaille, tooi en loeder gebruikt te hebben tegen Petronella Gijbels.

De kantonrechter overwoog dat het door de beëdigde verklaringen van getuigen en de bekentenis van Joosten voor de kantonrechter wettig en overtuigend was bewezen dat op de avond van negentien augustus 1851 Joosten een hevige woordenwisseling had met Hendrik Gijbels. Ook stond vast dat de zus van Hendrik Gijbels zich met de ruzie bemoeid had en aan haar broer gezegd had “houd u stil, laat ze loopen, want zij stinkt een uur onder de wind”. Joosten verklaarde dat zij door die woorden “uitgetergd “was.[iii]

Getuige Petronella Pouwels, huisvrouw van Arnold Joseph Korten, verklaarde dat zij op de bewuste avond gehoord had dat Joosten met de broer van Petronella Gijbels een dispuut had. Petronella Gijbels had toen tegen Joosten gezegd “Gij stinkt een uur onder de wind”. Joosten had daarop gereageerd met “bemoei je er niet mee” Vanaf de stoep van haar woning had Joosten op de openbare straat Petronella Gijbels de woorden toegevoegd “canaille” en “tooi”. Zij had niet gehoord dat Joosten het woord “loeder” had gebruikt.

De kantonrechter was van oordeel dat Joosten door de woorden van Petronella Gijbels “uitgetergd” was tot het uiten van de woorden canaille en tooi aan Gijbels.[iv] Na een dergelijke “uitterging” vielen die woorden niet onder het bereik van het strafrecht. Wat betreft het woord “loeder” achtte de kantonrechter niet bewezen dat Joosten dat woord aan Gijbels had toegevoegd.

Kantonrechter Van Schaeck deed op 21 januari 1852 uitspraak. Hij ontsloeg Joosten voor het gebruik van de woorden canaille en tooi van alle rechtsvervolging en sprak haar vrij voor het woord tooi.

Het was niet de eerste keer dat Maria Elisabeth Joosten, liedjeszangeres, in het beklaagdenbankje voor kantonrechter Van Schaeck te Weert zat. Op 5 december 1850 had haar hond `s morgens Hendrik Creemers, vioolspeler, aangevallen en gebeten. Maria Elisabeth Joosten moest zich voor de kantonrechter verantwoorden omdat zij de aanval van de hond niet had voorkomen. Er werden een zestal getuigen gehoord. Die waren blijkbaar zo gunstig voor Joosten dat het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door commissaris Pex, vrijspraak vorderde. De kantonrechter verklaarde dat niet bewezen was dat Joosten schuld had aan de aanval en sprak haar vrij.

Wie was Maria Elisabeth Joosten?

Maria Elisabeth Joosten is tijdens de Franse tijd geboren op 28 januari 1802 te Weert. Op 3 september 1823 schonk de 21-jarige, ongehuwde Maria Elisabeth Joosten het leven aan een zoon. Haar vader, Hendrik Joosten, dagloner, wonende op de Uilenmarkt te Weert, deed aangifte van de geboorte van die jongen, aan wie hij de voornamen Pieter Lambert gaf. Maria Elisabeth Joosten, dagloonster, woonde bij de geboorte van haar zoon op de Uilenmarkt bij haar ouders. Pieter Lambert heeft maar kort geleefd. Hij is op 11 oktober 1823 te Weert overleden.

Een ongehuwde moeder was in die tijd een schande, niet alleen maar zeker ook in katholieke gemeenschappen. Het ongehuwde moederschap werd beschouwd als een gevolg van onzedelijk gedrag. De norm dat geslachtsgemeenschap alleen toegestaan was binnen het huwelijk, was dan immers overtreden. De ongehuwde moeder kwam vaak in een sociaal isolement terecht. Die afkeuring en het isolement lijken in de kring van de in dit verhaal beschreven personen overigens niet of nauwelijks het geval te zijn.

Op 3 februari 1842 is Maria Elisabeth Joosten op 40-jarige leeftijd in Weert getrouwd met de 57-jarige Willem Warnotte, geboren op 10 februari 1784 te Mortier, een plaats ten noordoosten van Luik.[v] Bruid en bruidegom woonden toen volgens de huwelijksakte beide te Weert. Als beroep van de bruid is in de akte dagloonster vermeld, als dat van de bruidegom rondreizend orgelspeler. Het was voor Willem Warnotte zijn vierde huwelijk. Het echtpaar Warnotte-Joosten is kinderloos gebleven. Maria Elisabeth Joosten is op 20 juni 1859 overleden te Weert. Zij woonde ten tijde van haar overlijden op de Hoogensteenweg te Weert.

Willem Warnotte

Willem Warnotte is met drie vrouwen uit Weert getrouwd geweest en heeft minstens 18 jaar in Weert gewoond. Hoewel hij niet betrokken is geweest bij de scheldpartij in de Hegstraat heb ik toch zijn levensloop onderzocht. Dat leverde interessante gegevens op.

Guillaume (Willem) Warnotte is op 10 april 1784 geboren te Mortier, Land van Herve. Mortier is een dorp ten noordoosten van Luik, thans behorende tot de gemeente Blegny. Guillaume Warnotte is op 3 december 1812 te Trembleur getrouwd met Marie Martine de Larue. In de huwelijksakte is als zijn beroep journalier (dagloner) vermeld Het beroep van de bruid was couturière (naaister). Op 11 september 1813 werd in Mortier hun zoon Thomas geboren. Maria Martina de Larue is op 31 juli 1830 overleden te Merksplas, provincie Antwerpen. Merksplas behoorde toen nog tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Willem Warnotte is op 13 oktober 1832 te Venlo getrouwd met Marie Anne Lahaut, geboren op 5 april 1775 te Mortier. Zij was de weduwe van Jean François Dumont, geboren in 1780 te Warsage in de Voerstreek en overleden in 1818 te Maastricht. Als beroep van Willem Warnotte is in de huwelijksakte kramer vermeld; als dat van Marie Anne Lahaut dagloonster. In die akte staat dat de ouders van Willem Warnotte, Thomas Warnotte en Maria Agens Debij, “beide sedert lange jaren afwezig zijn”. Willem Warnotte verklaarde onder ede dat de plaats van overlijden en laatste verblijfplaats van zijn ouders hem niet bekend waren. Voor Marie Anne Lahaut gold hetzelfde.[vi] Marie Anne Lahaut is op 14 april 1833 overleden te Venlo.

Willem Warnotte is een klein jaar later, op 8 maart 1834, te Venlo getrouwd met Johanna Neijnens, geboren op 26 oktober 1803 te Weert en overleden op 10 mei 1840 te Venlo.[vii] Twee maanden na hun huwelijk is hun dochter Maria geboren te Tongeren, Koninkrijk België.

Zoals reeds vermeld, is Willem Warnotte op 3 februari 1842 te Weert getrouwd met Maria Elisabeth Joosten.

Vijf weken na het overlijden van Maria Elisabeth Joosten op 20 juni 1859 te Weert is hij op 75-jarige leeftijd getrouwd met Aldegonda Everaerts, geboren op 10 mei 1810 te Weert. Zij was weduwe van Bartholomeus van Gesteren, geboren 16 september 1791 te Schalkwijk, Utrecht, en overleden op 6 augustus 1855 te Nijmegen. Aldegonda Everaerts is op 22 juli 1880 overleden te Visé.

Willem Warnotte is op 29 oktober 1860 uit het bevolkingsregister van Weert uitgeschreven in verband met vertrek naar Luik. Hij is op 4 maart 1870 te Visé overleden.

In de overlijdensakte van Guillaume Warnotte worden de huwelijken met Marie Martine Delarue, Jeanne Neijens en Aldegonda Everaerts vermeld maar niet die met Marie Anne Lahaut en Maria Elisabeth Joosten.

[i] Franciscus Geene is op 11 augustus 1824 geboren te Ottersum. Hij is op 16 april 1861 te Weert getrouwd met Johanna Catharina Nies Zijn vader was blijkens de trouwakte op dat moment logementhouder te Weert. Franciscus Geene is op 14 april 1885 overleden te Baexem.

[ii] Weekblad van het Regt, 23 september 1852

[iii] Volgens artikel 471 lid 11 was iemand die uitgetergd was tot het uiten van scheldwoorden niet strafbaar.

[iv] Uittergen is een in onbruik geraakt woord voor provoceren. In juridische context kan uittergen betekenen dat men iemand uitlokt om een strafbaar feit te plegen.

[v] Mortier behoorde in die tijd tot het Prinsbisdom Luik.

[vi] De reden voor die onbekendheid moeten we zoeken in het feit dat sinds de Belgische opstand van 1830, waarbij België zich afscheidde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, die ouders in het koninkrijk België woonden. Nederland erkende het koninkrijk België toen nog niet.

Er waren in die jaren geen diplomatieke betrekkingen, waardoor extracten van officiële documenten, zoals overlijdensakten, niet of moeilijk te verkrijgen waren. De huidige Nederlandse provincie Limburg behoorde overigens van 1830 tot 1839 wel tot het koninkrijk België met uitzondering van Maastricht en Venlo.

[vii] De achternaam Neijens wordt in documenten ook als Neijnens en Nijnens vermeld.

Overlijdensakte Guillaume Warnotte, Burgerlijke stand stad Visé

Het echtpaar Warnotte-Joosten woonde blijkens het bevolkingsregister 1850 – 1860 van de gemeente Weert in de Hegstraat.

Behalve Willem Warnotte en Maria Elisabeth Joosten hebben in die periode in die woning, ook andere personen gewoond, namelijk:

*Maria Warnotte, geboren op 6 juli 1834 te Tongeren, België, gehuwd met Franz Hubert Stocks, kleermaker, afkomstig uit Erkelenz, Pruissen. Als beroep van Maria Warnotte is in de huwelijksakte dagloonster vermeld.

*Maria Louisa Warnotte, op 2 augustus 1837 geboren te Venlo, gehuwd met Petrus Hendrikus Bloemers, rondgaande muzijkant, afkomstig uit Beegden Als beroep van Maria Louisa Warnotte is in de huwelijksakte zangster vermeld.

Maria en Maria Louisa Warnotte zijn dochters van Willem Warnotte en zijn tweede echtgenote Johanna Neijnens.

*Jacobus Knapen, geboren op 8 juli 1823 te Weert, zoon van de bij de geboorte ongehuwde Maria Knapen, beroep werkman/marskramer/scharenslijper, op 1 mei 1849 te Weert gehuwd met Johanna Nijnens, geboren op 14 oktober 1829 te Maarheeze, dochter van de bij de geboorte ongehuwde Johanna Nijnens.[i] Johanna Nijnens was volgens de huwelijksakte zonder beroep.

*Jan Mathijs Knapen, geboren 30 september 1850, zoon van Jacobus Knapen en Johanna Nijnens.

[i] De moeder van Jacobus Knapen is Maria Knapen, dagloonster, weduwe van Pieter Claessens. Jacobus Knapen is geboren in het Gasthuis op de Biest. De vader van Jacobus Knapen is niet bekend.

Bron: Netherlands, Limburg, Civil Registration, 1792-1963; https://familysearch.org/ark:/61903/3:1:939F-1L9Q-F3?cc=2026214&wc=2KCZ-M56%3A343129301%2C34346670

Bevolkingsregister gemeente Weert 1850 – 1860

Wie was Petronella Gijbels?

Maria Petronella Gijbels is geboren op 6 juni 1832 te Weert. Op 26 maart 1850 schonk zij op 17-jarige leeftijd te Weert het leven aan Joannes Hubertus Gijbels. Zij was toen ongehuwd. De geboorteaangifte werd gedaan door haar vader, Renier Gijbels, linnenwever, wonende in de Hegstraat.

Op 11 juni 1852 werd te Broekhuizen aangifte gedaan van de geboorte van Theodorus Gijbels, zoon van Petronella Gijbels, liedjeszangeres, wonende te Weert. De geboorteaangifte werd gedaan door de 23-jarige Hubertus Beumer, zanger, wonende te Weert.

Op 28 februari 1855 is Petronella Gijbels te Weert getrouwd met deze Hubertus Beumer, geboren op 24 januari 1827 te Uden. Bij gelegenheid van dat huwelijk hebben de echtelieden Johannes Hubertus Gijbels en Theodorus Gijbels erkend en gewettigd. Beide kregen de achternaam Beumer.

Erkenning en wettiging Johannes Hubertus en Theodorus Gijbels in de huwelijksakte Beumer-Gijbels

Een kleine twee maanden na dit huwelijk werd op 15 maart 1855 in Schimmert hun dochter Maria Gertrudis Beumer geboren. Als woonplaats van de ouders is in de geboorteakte Weert vermeld, als beroep van de vader venter.

Uit het bevolkingsregister 1860- 1880 van de gemeente Weert blijkt dat Petronella Gijbels, Hubertus Beumer en hun kinderen in dezelfde woning woonden als de vader van Petronella Gijbels, Renier Gijbels. Als beroep van Renier Gijbels is wever vermeld en als dat van Hubertus Beumer ”rondloopend muzykant”. Ook woonden daar de bij de scheldpartij in 1851 betrokken broer Hendrik Gijbels en de in Gorinchem geboren Theresia Maria van Burg.

Bevolkingsregister gemeente Weert 1860- 1880

De overlijdensplaatsen en -data van Petronella Gijbels en Hubertus Beumer heb ik niet achterhaald. Eind 1883 waren beide nog in leven. Dat blijkt uit de huwelijksakte van hun zoon Johannes Hubertus Beumer.

Johannes Hubertus Beumer, de gewettigde oudste zoon van Petronella Gijbels en Hubertus Beumer, is op 15 november 1883 te Luik getrouwd met Barbara Mols. Hij had toen de Nederlandse nationaliteit. Als zijn beroep is colporteur vermeld. De ouders van de bruidegom, Hubert Beumer, colporteur, en Petronella Gijbels, zonder beroep, waren niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig maar hadden hun toestemming verleend bij notariële akte van 24 september 1883, verleden voor notaris Goetsbloets te Hasselt[i]

Johannes Hubertus Beumer is op 25 februari 1882 op- 31-jarige leeftijd in Tongeren overleden.

Barbaar Mols is op 9 juni 1848 te Halle Booienhoven, Vlaams-Brabant, geboren en op 6 september 1912 op 64- jarige leeftijd overleden te Tongeren. Als haar beroep is rondleurster vermeld. Het echtpaar Beumer-Mols heeft vijf kinderen gekregen, waarvan er drie jong zijn gestorven.

Wie was Hendrik Gijbels?

Hendrik Gijbels is 30 september 1827 geboren te Weert. Op 4 september 1863 is hij te Weert getrouwd met Theresia Maria van Burg, geboren op 15 december 1840 te Gorinchem. Voor het huwelijk woonde Theresia Maria van Burg al in het huis van haar toekomstige schoonvader en man. Op 19 februari 1868 zijn de echtelieden Gijbels en van Burg in Weert uitgeschreven in verband met vertrek naar Rotterdam. Daar hebben zij op verschillende adressen gewoond: 7 nummer 233 Bagijnenhof, Binnenweg 74, 26 en Jan van Loonslaan 28, 3. Hendrik Gijbels was sjouwer van beroep[ii] Hij is op 30 december 1896 te Rotterdam overleden. Zijn weduwe Theresia Maria van Burg woonde op Warmoezenierstaat 19/6 te Rotterdam. Haar beroep was waschvrouw.[iii] Zij is overleden op 16 januari 1910 te Rotterdam. Het echtpaar Gijbels-van Burg is kinderloos gebleven.

Epiloog

De banale scheldpartij in de Hegstraat in1851 leidde tot een tweetal rechtszaken voor het kantongerecht te Weert. Het verloop en de uitkomst daarvan geeft aanleiding tot de gedachte dat kantonrechter Van Schaeck een greep in de juridische gereedschapskist heeft gedaan om een veroordeling van de scheldende mevrouw Joosten te voorkomen.

Uit het onderzoek naar de betrokken personen rijst het beeld op dat die niet behoorden tot de doorsnee bevolking. De mannen hadden beroepen waar ze veel voor op pad waren: liedjeszanger, orgelspeler, vioolspeler, marskramer. Een aantal vrouwen is ongehuwd moeder geworden. Wat verder opvalt is dat er nogal wat zogenaamde samengestelde gezinnen waren, niet ten gevolge van echtscheidingen, zoals in onze tijd, maar van overlijden.

[i] Ville de Liège, Actes de Mariages 1883, 939.

[ii] Archief Rotterdam

[iii] Bron: diverse Adresboeken Rotterdam.

Verslag Lezing – Rome en de Lage Landen

Een nieuwe geschiedenis van Caesar tot Clovis

Verslag van de lezing van Robert Nouwen op 23 februari 2026

door Wil Filott

Peter Korten mocht tegen de honderd belangstellenden bij Antje van de Statie verwelkomen. Hij vroeg zich af of de grote opkomst een relatie had met het woord Rome in de titel van de lezing. Rome heeft voor katholieken immers nog steeds een speciale betekenis. 

Uw verslaglegger heeft kunnen constateren dat de bezoekers niet alleen uit Weert en directe omgeving, zoals Tungelroy en Nederweert, kwamen, maar ook van verder weg; zelfs uit plaatsen ver ten noorden en ten zuiden van een plaats, die Peter Korten pleegt aan te duiden als gelegen tussen Thorn en Asenray. Ook de opkomst van onze Vlaamse vrienden was veheugend. 

Het internationale karakter van de bezoekers werd nog onderstreept door een persoon, wiens wieg ver weg in het land van onze oosterburen heeft gestaan maar die inmiddels al vele jaren met liefde en door zijn lief verknocht is geraakt aan Weert.

Foto: Wil Filott

Peter maakte erop attent dat op 17 en 18 oktober 2026 in Grote Brogel gevierd wordt dat Pieter Breughel daar 500 geleden geboren is. Om in Belgisch Limburg te blijven memoreerde hij ook de recente Europese top in Alden Biesen. 

Daarna gaf hij het woord aan Robert Nouwen, die recent een boek gepubliceerd heeft over Rome en de Lage Landen  

 

Robert Nouwen 

Robert Nouwen lichtte zelf zijn doopceel. 

Na een klassieke opleiding met Grieks en Latijn, is hij oude geschiedenis en archeologie gaan studeren aan de KU Leuven. Zijn thesis handelde over de Tungri. Zijn professionele carrière strekte zich uit van leidinggevende functies in het Gallo Romeins museum te Tongeren, het openluchtmuseum Bokrijk, de Provinciale Bibliotheek Limburg tot de Koninklijke Bibliotheek van België.

Foto: Jack Duijf

Inleiding  

Robert Nouwen begon met de vermelding van het in 2008 verschenen het boek “De vergeten 20ste eeuw “van Tony Judt. Daarin toonde de schrijver zich bezorgd over de vervreemding in onze tijd van onze geschiedenis. Geschiedenis wordt blijkbaar pas interessant gevonden als er een directe relatie is met de huidige tijd. Geschiedenis leidt ook tot spektakelhistorie. Zo werd de vondst van een olifantsbot in Córdoba tot bewijs gebombardeerd dat Hannibal met olifanten gestreden heeft tegen de Romeinen. Een onterechte conclusie: Hannibal is nooit in Córdoba geweest en het bot bleek na onderzoek uit een andere tijdsperiode te dateren. 

Ook werd en wordt de geschiedenis gebruikt of misbruikt voor politieke en ideologische doeleinden. Zo liet Mussolini tegen de muur van de basilica van Maxentius in Rome vijf landkaarten aanbrengen met door de Romeinen in de loop der tijd veroverde gebieden. De vijfde kaart gaf een onjuist, “fascistisch” beeld en is inmiddels verwijderd. 

Ook wordt de historie aangewend voor commercieel gewin. Als voorbeeld noemde Nouwen de gladiatorspelen in de arena van Nîmes.  

Ons beeld van het oude Rome is deels gebaseerd op de Grand Tours van beroemde schrijvers zoals Edward Gibbon, Louis Couperus, Lord Byron en Johann Wolfgang von Goethe. 

Goethe in Rome. Wikipedia

De invloed van Rome  

Dat het oude Rome ook in onze tijd nog zoveel aantrekkingskracht heeft, ligt mede in de grootsheid van haar geschiedenis en haar invloed op de Lage Landen. De Romeinen brachten naar de Lage Landen onder meer infrastructuur (wegen), handel, cultuur, bestuurlijke organisatie. 

Ook de landbouw onderging in die tijd in onze streken een grote verandering. Tot de Romeinse tijd kon de landbouw als kleine boerenlandbouw – alleen produceren voor eigen gezin – betiteld worden. In de Romeinse tijd vond een omschakeling plaats naar productielandbouw: niet meer alleen voor eigen gebruik maar ook voor soldaten en stedelingen. In onze streken werden grote landbouwbedrijven gesticht zoals de Romeinse villa in Voerendaal.

“Reconstructie” Romeinse villa in Voerendaal

Er werd ook een begin gemaakt met een soort kadaster. Reminiscenties daarvan zijn terug te vinden in Orange in Zuid-Frankrijk en in de regio Tongeren.

Nouwen besteedde aandacht aan keizer Augustus, een autocraat en imperialistisch veroveraar. Augustus wordt wel eens als grondlegger van de Pax Romana en vredestichter beschouwd. Aan dat beeld heeft Augustus zelf flink bijgedragen door zijn uitgekiende propaganda. Die kwam onder meer tot uiting in de bouw van monumenten, zoals portici en de Triomfboog van Orange, met afbeeldingen van verslagen vijanden en buitgemaakte wapens.

Triomfboog van Orange

Een belangrijk monument was de Ara Pacis (altaar van de vrede) in Rome. Deze moest de boodschap brengen van vrede, welvaart en overvloed ter verheerlijking van de daden van Augustus en zijn familie. 

Ara Pacis in Rome

Gallia pacata 

In de streek tussen Schelde en Rijn bleef het na de verovering door Caesar onrustig. Het bewind van Augustus was in deze streken moorddadig. Het werd pas rustiger onder keizer Vespasianus.  

Na de onderwerping van de bevolking in de door Rome veroverde gebieden in Europa werden wegen aangelegd, steden gesticht, een bestuursstructuur in het leven geroepen en grensversterkingen (limes) aangebracht. Leden van de stamadel van de Galliërs gingen een pact aan met de Romeinen. In onze tijd zou men hen wellicht als collaborateurs betitelen. 

De tijd na Augustus er een van betrekkelijke vrede en welvaart. Dat kwam tot uiting in de benaming Pax Romana, de Romeinse vrede. 

In de pauze was er gelegenheid om een door de auteur gesigneerd exemplaar van het recent gepubliceerde boek van Nouwen “Rome en de Lage Landen” te kopen, van welke mogelijkheid gretig gebruikt werd gemaakt. De verkoop van het boek verloopt overigens uitstekend. Er wordt al gewerkt aan een tweede druk. 

Een volle zaal met geïnteresseerde toehoorders
Zegelring koning Childiric

De viae militares 

De Romeinen legden voor hun troepen wegen aan. Deze waren primair bedoeld voor snelle troepenverplaatsingen en ravitaillering van de soldaten. Maar al snel kregen deze ook economische betekenis. Er kwam via deze wegen handel tot ontwikkeling in onder meer glas en aardewerk. Het tracé van een aantal van deze wegen is in het huidige landschap nog te herkennen. Een belangrijke weg liep van Keulen via Tongeren naar Boulogne-sur-Mer  

Een van de gevolgen van de opkomst van de handel was de introductie van een geldeconomie in plaats van de traditionele ruilhandel. Dat leidde tot de opkomst van een nieuw beroep: argentarius (geldwisselaar). 

Belangrijke handelsproducten waren sal (zout), van welk woord salaris is afgeleid, garum (vissaus), sigillata (versierd rood aardewerk), wijn, olijfolie, brons en glaswerk. Ook kwamen er lokale productiecentra tot stand: smederijproducten, huishoudelijk aardewerk (in Tienen), glas (in Keulen). 

Langs de handelswegen ontwikkelden zich steden (bv Tongeren) en vici (burgerlijke nederzettingen) (bv Maastricht en Heerlen)  

 

Romeinse burgerrechten 

Burgerrechten waren in het begin voorbehouden aan de oorspronkelijke inwoners van Rome en hun nazaten. 

De Belgische premier Bart de Wever schrijft in zijn boek “Over identiteit ” dat nieuwkomers steeds werden opgenomen in de Romeinse identiteit. Niet vrijblijvend maar nadat zij zich inzake normen en waarden, cultuur en huwelijken met de Romeinen vermengd hadden. 

Maar zo gemakkelijk als Bart de Wever dat voorstelt, ging het in de praktijk, zeker in het begin, niet. Later konden leden van de met de Romeinen collaborerende stamadel als beloning Romeins burgerrecht verwerven. Ook Gallische en Germaanse krijgers in het Romeinse leger konden vanaf keizer Claudius burgerrecht krijgen. Krijsdienst was overigens een risicovolle aangelegenheid. De helft van de soldaten haalde de pensioengerechtigde leeftijd niet. 

Voor de “gewone man” was het verkrijgen van Romeins burgerrecht een moeilijke zaak. Pas in de Constitutio Antoniniana, in 212 uitgevaardigd door keizer Caracalla kregen alle mannelijke inwoners van het Romeinse rijk burgerrecht.  

 

Keerzijde van de Pax Romana 

De betrekkelijke welvaart tijdens de Pax Romana had ook zijn keerzijde. 

– Door het veelvuldige gebruik van lood trad vaak loodvergiftiging op. 

– De economische bloei leidde tot het grootschalig kappen van bomen voor: 

  • de aanleg van akkers 
  • gebouwen 
  • verwarming van woningen en thermen 
  •  industriële toepassing in o.a. de mijnbouw, pottenbakkerijen smederijen, glasproductie. 

– De grootschalige verbranding van hout leidde tot luchtvervuiling en daardoor tot een -overigens geringe – klimaatwijziging; daling van de temperatuur. 

– Ook het aantal diersoorten nam af. Aan het einde van de 4de eeuw waren de bruine beren bijna uitgestorven.  

– De uitgestrektheid van het Romeinse rijk bracht contacten met andere volkeren en culturen mee. Daardoor konden ook besmettelijke ziekten als de pest zich verspreiden. 

 

De overgang naar het christelijk tijdperk en de middeleeuwen in onze streken 

In het leger vond een zekere germanisering plaats. Huurlingen werden gerecruteerd bij lokale stammen, net zoals dat al onder Caesar het geval was. Er vond een wisselwerking plaats tussen Germanen en Romeinen. Langzamerhand wonnen nieuwe steden aan belang ten koste van oude steden. Een belangrijke reden daarvoor was de strategische ligging. Zo nam Maastricht de plaats in van Tongeren vanwege de ligging aan de Maas en de mogelijkheid van versterking van de brug op de beide oevers. Doornik verving Bavay. De invloed van Frankische krijgsheren in het westelijk deel van het Romeinse rijk werd allengs groter. Een voorbeeld daarvan is Childeric, die zich presenteerde zowel als Romeins officier en als koning van de Franken. Zijn zoon Clovis bekeerde zich tot het christendom. Het christendom wist zich in de structuur van het laat-Romeinse rijk te integreren. Bisschoppen kregen naast hun religieuze leiderschap ook macht in de politiek en de rechtspraak. Bisschoppen kwamen vaak uit welgestelde families. Voorbeelden daarvan zijn Remigius en Servatius.

Robert Nouwen beëindigde zijn lezing met het volgende citaat uit het boek “Verval en ondergang van het Romeinse Rijk” van Edward Gibbon:  

‘Te midden van de ruïnes op het Capitool vatte ik het plan op om mij toe te leggen op een werk dat bijna twintig jaar lang mijn zinnen heeft verzet en mijn aandacht heeft opgeëist, en dat ik, hoezeer het aan mijn wensen tekortdoet, tenslotte uitlever aan de nieuwsgierigheid v en het oprechte oordeel van de lezer.’ 

Met dat citaat gaf hij ook zijn drijfveer voor en intentie van zijn boek” Rome en de Lage Landen” weer.

 

Dankwoord

Peter Korten bedankte Robert Nouwen voor zijn interessante lezing. Het Romeinse Rijk werd daarin in een ander daglicht gesteld, evenals het beladen begrip collaboratie. 

Verder zei hij dat België dan wel een miskend classicus, Bart de Wever, als premier heeft, maar Nederland heeft sinds kort een klimaatdrammer, Rob Jetten, als aanvoerder. 

 

Nieuws en mededelingen 

*Het overlijden van Bert Adriaens, stadsgids, en Paul van Wegberg, echtgenoot van voormalig bestuurslid Anna van Wegberg-Veugen, en genealoog. 

*De Aldenborgh heeft een vernieuwde website  

* De historie leeft in Weert: dagelijks melden zich nieuwe vrienden aan. 

*Op 9 maart a.s. is er bij Antje van de Statie een lezing plaats over de Lichtenberg. Aanvang 19.30 uur. 

*De succesvolle cursus Weerterlogie gaat binnenkort weer van start. Er zijn nog drie plaatsen beschikbaar. 

*Op vette dinsdag (carnavalsdinsdag) is vergaderd over de Cultuurhistorische Zomer 2026. Het programma daarvan is nagenoeg rond. 

* De Zuid-Willemsvaart (het kanaal) bestaat dit jaar 200 jaar. Daaraan zal gepaste aandacht worden besteed. Het middelpunt van deze waterweg tussen Maastricht en `s Hertogenbosch ligt inmiddels in de gemeente Weert. Na grenscorrectie is de gemeente Nederweert dit belangrijke ijkpunt kwijtgeraakt. 

 

Peter Korten riep ten slotte regelmatig op de vernieuwde website te kijken. Daarop worden nieuwe activiteiten, aankondigingen van excursies en cursussen en historische verhalen gepubliceerd.

Verslag Lezing – Van zoenkruis tot guillotine

Misdaad en straf in onze regio, een evolutie (1500-1800)

Lezing van Thieu Wieërs voor de Aldenborgh op 26 januari 2026

Door Wil Filott

Voorzitter Peter Korten mocht bij de eerste activiteit van de Aldenborgh in 2026 zo`n 65 belangstellenden verwelkomen voor een lezing van de éminence grise van onze regionale historie, Thieu Wieërs uit Geistingen.  

 Peter kondigde alvast een aantal activiteiten aan voor de komende periode: 

  • lezingen o.a. op 23 februari aanstaande van dr. Robert Nouwen, directeur van het Gallo-Romeins Museum in Tongeren en schrijver van het recent verschenen boek “Rome in de Lage Landen”; 
  • een symposium over 200 jaar kanaal; 
  • een nieuwe editie van ”Gluren bij de buren”; 
  • een nieuwe cursus Weerterlogie, die na de Vastelaovend van start gaat. 

Verder reikte hij een getuigschrift uit aan een cursist van de cursus Weerterlogie uit Uden, die de cursus zelfs tweemaal had gevolgd.  Deze had daarvoor zo`n 1100 kilometer afgelegd. Een bewijs van waardering voor de kwaliteit van de cursus.

Thieu Wieërs begon zijn lezing met de mededeling dat wat onder misdaad wordt verstaan in de loop der tijd verandert. Voorbeelden van “verdwenen” misdaden: hekserij, homofilie. Voorbeeld van een nieuw misdrijf: rijden onder invloed van alcohol of drugs. 

 

In de periode, waar zijn lezing over ging, werden als misdaad onder meer beschouwd: moord, doodslag, brandstichting, bigamie, diefstal uit een kerk. 

Een groot probleem voor bestraffing was in die tijd het ontbreken van gevangenissen voor lange straffen. De oorzaken daarvoor waren te kleine territoria en het ontbreken van geld voor bouw, bewaking en onderhoud van gevangenissen. 

De eerste gevangenis voor langgestraften in de Zuidelijke Nederlanden werd pas in 1779 in Vilvoorde in het hertogdom Brabant geopend. Als men in een overlijdensakte van een persoon de vermelding aantreft dat die overleden is op het adres Langemolenstraat 19 te Vilvoorde, weet men dat die persoon overleden is in die gevangenis.  

In de Franse tijd kwam er rond 1798 in Maastricht op de Minderbroedersberg ook een gevangenis. 

 

Pelgrimage 

Alternatieven voor gevangenisstraffen waren: verbanning, pelgrimage en de doodstraf. 

Bekende pelgrimage-oorden waren: 

  • Compostella, 2000 km met als symbool de Sint Jacobsschelp; 
  • Rome, 1700 km;  
  • Jeruzalem;  
  • Wilsnack, 600 km, tussen Hannover en Berlijn; 
  • Rocamadour in Frankrijk. 

Een pelgrimstocht werd opgelegd voor de duur van twee of zeven jaren. 

Een pelgrimage was gevaarlijk. De gestrafte kende de omstandigheden en de taal van de gebieden waar hij door heen moest trekken, niet. Hij stond bloot aan regen, sneeuw, kou en berovingen. Hij was zonder middelen van bestaan en moest zich met bedelen in leven houden. De gezaghebbers in de streken waar hij doorheen moest trekken, waren hem vaak niet goed gezind. De overlevingskans was niet bijster groot. Maar dat was vaak de bijkomende gedachte bij het opleggen van een pelgrimage; de hoop dat de gestrafte onderweg zou sterven. 

De pelgrimage als straf werd allengs moeilijker door de Islam (Jeruzalem), Protestantisme (Wilsnack) en de vijandige houding van de Franse koning (Compostella, Rocamadour). Deze straf raakte langzamerhand uit beeld en werd vervangen door een geldboete.  

 

Aan de hand van een aantal misdaden in onze regio schetste Thieu de ontwikkelingen in de bestraffing daarvan. 

 

Een peijs en een zoen in Neeritter in 1572 

In Neeritter had Eeren Perren Johan van de Laer doodgeslagen. Ter voorkoming van wraak naar het Bijbelse “oog om oog, tand om tand”, wat kon uitmonden in een familievete, werd door de families van de dader en het slachtoffer een peijs gesloten. Dat gebeurde buiten het gerecht om. 

De peijs was een overeenkomst tussen de beide families die onder meer het volgende inhield:  

  1. De dader, Eeren, moest een kruis plaatsen op het graf van het slachtoffer, Johan van de Laer; een zoenkruis. 
  2. Hij moest binnen zes weken drie kloosters vragen te bidden voor Johan. 
  3. Eeren moest afstand doen van zijn bezittingen. 
  4. Voor deze afstand kreeg Eeren mede voor zijn kinderen 100 Hornse guldens 
  5. Eeren mocht een jaar lang niet op plaatsen komen waar de kinderen van Johan van de Laer zaten of dronken; een soort contactverbod.  

 

De zoen eindigde met: “en hiermede zullen ze verzoend zijn ten ewigen dage voor man, wijf en alle partijen, hoe ze gelegen zijn zo lang als zon en maan schijnen, sterren aan de hemel staan, gras op de aarde wast en zand in de zee is”. 

Het woord peijs is afkomstig van het Latijnse woord Pax en het Franse woord Paix (vrede). Bij een peijs moest de dader vaak ook een voetval doen: in de zondagse mis publiekelijk aan de familie van het slachtoffer vergiffenis vragen.  

Een bijzonder en zeldzaam zoenkruis in Groot-Gelmen met de namen van de dader, Gijsen Vasoens, en het slachtoffer, Jan Morbiers. 

 

Vrouwengratie in Thorn in 1651 

Heyn Meuwissen had Peter van Heythuysen in diens woning met een schot hagel aan zijn hoofd verwond. Ook had hij diens vrouw en dochter mishandeld. Eerder had hij op de hoeve de Grote Hegge te Thorn een knecht, genaamd Linssen, gedood. Hij moest zich voor zijn wandaden verantwoorden op de Wijngaard, het plein voor de kerk, in Thorn.  

Hij werd tot dood veroordeeld en zijn lijk zou begraven moeten worden in ongewijde aarde. Toen de beul klaar stond om het vonnis te voltrekken, vroeg Jehanne, dochter van Klaas Merten uit Geistingen, om genade. Zij zei dat ze met hem wilde trouwen. De meier van Thorn begaf zich spoorslags op zijn paard naar de abdis om dat verzoek over te brengen. De abdis willigde het verzoek in. Het koppel moest wel direct trouwen. De pastoor werd erbij gehaald en het huwelijk werd voltrokken in “den Rinck” waar normaliter het vonnis voltrokken zou worden. 

Het echtpaar kreeg 9 kinderen. De peters en meters van deze kinderen waren vaak kanunniken en adellijke dames. Bij het eerste kind was zelfs de abdis meter. 

 

Genade van de baron van Waes in 1726 

Jacobus Hallen, halfwin op de Meijseberg onder Hunsel, had zijn dienstmeid vermoord, een kar en 16 hopen koren gestolen bij Johanna Luijten en brand gesticht in de Uffelse molen door er een brandende durf in te gooien. Hij werd vanwege de brandstichting veroordeeld tot de doodstraf op de brandstapel. De heer van Waes verleende hem echter genade in die zin dat de straf iets minder en menselijker zou zijn. De beul zou hem op het hoogste van de dag, 12 uur, onthoofden.

Tortuur en bokkenrijders 

In 1532 kwam er in de Constitutio Criminalis Carolina van keizer Karel V een regeling voor het gebruik van de pijnbank, tortuur. Deze mocht alleen gebruikt worden als de rechter de overtuiging had dat de verdachte de dader was. De tortuur werd in de tijd van de bokkenrijders vaak toegepast. Een aantal schrijvers betwijfelt of bokkenrijders daadwerkelijk hebben bestaan.

Philip Mertens in 1785 

Philip Mertens uit Ophoven werd er in 1785 van beschuldigd een brandbrief gelegd te hebben. Hij werd daarvoor ter dood veroordeeld op de brandstapel. De Prins-Bisschop van Luik begenadigde hem door te beslissen dat hij eerst gewurgd zou worden en dan verbrand. Philip ontsnapte echter en na een tussenstop in het Pruisische leger kwam hij in Antwerpen terecht. Daar oefende hij min of meer illegaal het ambacht van schoenmaker uit. Ook in Antwerpen werd hij verdacht van het plegen van misdaden: het doden van zijn buurman en het stelen van zilver. Hij werd zesmaal gefolterd terwijl het maximum eigenlijk driemaal was.  De truc was een foltering op te delen zodat er meer dan 3 keer gefolterd kon worden. De laatste foltering met de halsband werd hem fataal. Het was overigens het laatste proces waarbij foltering werd toegepast.

De familie Verheijen uit Neeroeteren 

Vader en twee zonen van de familie Verheijen uit Neeroeteren werden ervan verdacht brandbrieven gelegd te hebben. Zij werden veroordeeld maar vluchtten naar Groningen, waar zij dienst namen in het Hollandse leger. Uiteindelijk werden ze uitgeleverd en kregen ze een nieuw proces met dezelfde rechters als bij de eerdere veroordeling. De tortuur was inmiddels afgeschaft. Ze werden opgesloten in Maaseik boven de Bospoort. Iedere week kregen ze nieuw stro, net als varkens. Zoals toen gebruikelijk, moesten ze leven van water en brood. Het brood werd geleverd door Jacques Schoufs, bakker te Maaseik. Uit een bewaard gebleven overzicht van het geleverde brood kan worden afgeleid dat een van de Verheijens in de gevangenis te Maaseik is gestorven. Waar voor de levering van brood in het begin 18 francs per dag in rekening werd gebracht, was dat vanaf 24 augustus nog maar 12 francs. 

De andere twee Verheijens werden veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf ‘met de ijzers’. 

Een Verheijen is in de gevangenis te Vilvoorde gestorven, de ander is teruggekeerd en zelfs tweemaal getrouwd. 

 

Terechtstellingen in Luik door middel van de guillotine in 1798 

Leonard Pendris, Leonard Fiddelaers en Carolus Donders uit het kanton Maaseik werden beschuldigd “chauffeurs” te zijn: stokers tegen het nieuwe regime. Zij werden door het Tribunal Militaire in Luik veroordeeld tot de doodstraf. In de Franse tijd was voor het voltrekken van de doodstraf de guillotine ingevoerd, vernoemd naar de arts Joseph Guillotin. Onthoofden met de guillotine zou pijnloos zijn en voor iedereen gelijk zijn.  

De veroordeelden werden op 20 juni 1798 op de Paardenmarkt te Luik onthoofd met de guillotine. 

 

Mathijs Verkennis in 1822 

Mathijs Verkennis, geboortig in Hunsel, schoenmaker, had grote financiële problemen. Hij kon bijvoorbeeld het leer voor schoenen en de notariskosten voor de aankoop van zijn huis in Thorn niet betalen. Om uit de financiële problemen te geraken zou hij een brandbrief bij bakker Boelen te Stramproy gelegd hebben. Onder een bepaalde steen moest geld gelegd worden, zo niet dan zou er brand gesticht worden in het huis van de bakker. Toen Verkennis het geld wilde ophalen, werd hij betrapt: een heterdaadje. Hij werd gevankelijk afgevoerd naar Weert. Hij ontkende echter de brandbrief geschreven te hebben. Bij huiszoeking vond men één vel papier, waar een stukje van ontbrak, gekocht in Weert. De brandbrief paste precies in het ontbrekende stuk. Het gerecht in Maastricht veroordeelde hem op 23 januari 1822 tot 25 jaar gevangenisstraf, een boete van 50 gulden en de proceskosten, voornamelijk bestaande uit kosten voor de getuigen. Mathijs Verkennis is in de gevangenis te Vilvoorde overleden. 

 

Met deze veroordeling uit het begin van de 19de eeuw beëindigde Thieu Wieërs zijn lezing. Een groot applaus viel hem ten deel. 

 

………………………………………………………………………………………………………………………………………….. 

 

Peter Korten bedankte Thieu Wieërs voor zijn interessante lezing met een ferme handdruk. 

 

Hij bracht nogmaals de lezing van Robert Nouwen onder de aandacht en adviseerde de aanwezigen de nieuwsbrief en de site van de Aldenborgh in de gaten te houden voor komende activiteiten.