Hoe een gesloten deur van een herberg in Nederweert leidde tot een rechtszaak

Wil Filott

In dit artikel beschrijf ik een gebeurtenis uit 1847 in Nederweert die blijkbaar van zo weinig belang werd geoordeeld, dat zij geen enkele krant heeft gehaald. Toch heeft die gebeurtenis geleid tot een rechtszaak tot bij de Hoge Raad.[1] Behalve aan die gebeurtenis en de nasleep daarvan besteed ik aandacht aan personen die in het verhaal een rol spelen. Verder wijd ik enkele passages aan in mijn ogen interessante familieleden.

Wat gebeurde er op 11 oktober 1847 `s avonds bij de herberg van Coenrard Holten in Nederweert?

Op donderdag 11 oktober 1847 klopten manschappen van de marechaussee `s avonds om half twaalf op de deur van de herberg van Coenrard Holten in de Kerkstraat te Nederweert. De marechaussee was bezig met controle op het naleven van het “Reglement op het sluiten der herbergen in het hertogdom Limburg”. Op het kloppen op de deur werd niet gereageerd. De deur werd niet opengedaan. In het reglement stond dat aan opsporingsambtenaren de toegang tot een herberg niet mocht worden geweigerd. De reden daarvoor was dat door weigering de opsporingsambtenaren zouden worden belet om eventuele overtredingen van het reglement te kunnen constateren. Weigering was strafbaar.

Van het feit dat de deur niet werd opengedaan werd proces-verbaal opgemaakt. Dat leidde tot een strafvervolging. Coenrard Holten werd door het Openbaar Ministerie voor het kantongerecht te Weert gedaagd.[2] Hij moest zich verantwoorden voor weigering om de marechaussee toegang tot zijn herberg te verschaffen.

Ligging herberg van Holten aangegeven met locatiepunt

 

Wie was Coenrard Holten?

De “boosdoener” in dit verhaal is Coenrard Holten. In het jaar dat dit verhaal speelt, 1847, was hij herbergier en koopman in de Kerkstraat te Nederweert.

Coenrard Holten was een inwijkeling in Nederweert. Hij is geboren op 1 februari 1809 te Kessel. Op 22 november 1837 trouwde hij te Kessel met Mathea Kroef, afkomstig uit Nederweert. [3] Zijn ouders waren toen al overleden.

Mathea Kroef is geboren op 11 oktober 1811 te Nederweert. [4]Ook haar ouders waren ten tijde van het huwelijk al overleden. [5] In de huwelijksakte is als beroep van Mathea Kroef dienstmeid vermeld en als dat van Coenrard Holten brander. [6]

Het is aannemelijk dat Coenrard Holten en Mathea Kroef de exploitatie van de herberg van de ouders van Mathea Kroef in Nederweert hebben overgenomen.[7]

Het echtpaar Holten-Kroef heeft in 1838 in Nederweert een kind gekregen, dat na enkele weken is overleden.[8] Mathea Kroef is op 28-jarige leeftijd 10 april 1840 te Nederweert overleden.

Coenrard Holten trouwde op 17 februari 1841 te Nederweert in tweede huwelijk met Maria Aldegonda Leijssen, geboren op 30 april 1816 te Groote Brogel. Als zijn beroep is in de huwelijksakte herbergier vermelden en als dat van de bruid landbouwster te Groote Brogel.[9]

Kerkelijk huwelijk Conrardus Holten en Maria Aldegonda Leijssen, Huwelijksregister Parochie Sint-Lambertus

 

Het echtpaar Holten-Leijssen heeft, voor zover mij bekend, vier kinderen gekregen, alle geboren te Nederweert.

Coenrard Holten is op 8 april 1850 op 41- jarige leeftijd overleden. Als zijn beroep is in de overlijdensakte landbouwer vermeld. De aangifte van het overlijden werd gedaan door Petrus Thomas Vossen, bakker, en Jan Mathijs Verhoeven, schoenmaker. Zijn weduwe heeft de exploitatie van de herberg voortgezet.

 

Aan het oudste kind van het echtpaar Holten-Leissen wijd ik een kleine passage.

Poulus Hubertus Holten is geboren op 14 november 1841 te Nederweert. Hij heeft dezelfde voornaam Poulus, met ou, als zijn Belgische grootvader Leijssen. Poulus heeft aan de Koninklijke Academie voor Schoone Kunsten te Antwerpen gestudeerd. Op 1 mei 1864 ontving hij daar een zilveren medaille voor modeltekenen.[10] In de jaren zestig van de 19de eeuw heeft hij in Roermond gewoond en gewerkt. Hij heeft in een soort pensions gewoond op de Schuitenberg, in de Hamstraat en in de Swamakerstraat. In het bevolkingsregister van Roermond zijn als zijn beroepen ornamentmaker en beeldhouwer vermeld. Na zijn terugkeer in Nederweert is hij gaan wonen in de Kerkstraat in de woning met de huidige huisnummers 29 en 31. In die woning bevindt zich een monumentale trap, vervaardigd door Poulus Holten. De woning Kerkstraat 29/31 zijn thans een rijksmonument.

In de Sint-Lambertuskerk staat een Heilige Hartbeeld van zijn hand. Poulus Holten is op 20 januari 1889 overleden te Nederweert. Hij was ongetrouwd.

De Maas- en Roerbode wijdde het volgende bericht aan zijn overlijden:

“Deze week overleed alhier een nog jeugdig, doch bekwaam beeldhouwer, de heer Paulus Holten; verscheidene zeer goed door zijn hand gebeitelde beelden prijken in verschillende kerken dezer omstreken.”

De gemeente Nederweert heeft deze lokale kunstenaar geëerd door een straat naar hem te vernoemen; de Poulus Holtenstraat, voorheen Weerterweg.

De zaak voor de kantonrechter te Weert

Coenrard Holten, koopman en herbergier, werd door het Openbaar Ministerie voor het kantongerecht te Weert gedaagd. Hij moest zich verantwoorden voor weigering om de marechaussee toegang tot zijn herberg te verschaffen.

Het Openbaar Ministerie werd in die tijd vertegenwoordigd door de commissaris van politie van Weert, Joannes Petrus Pex. Kantonrechter was Dr. Andreas Waltherus Janssens.

De kantonrechter achtte bewezen dat Holten de toegang tot zijn herberg had geweigerd. Toch ontsloeg hij Holten van rechtsvervolging. De motivering daarvan was dat volgens de kantonrechter de marechaussees niet bevoegd waren tot het opsporen van die overtreding. De kantonrechter baseerde zijn oordeel op artikel 11 aanhef en lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin stond:

“Met het opsporen der misdrijven zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgende ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëdigd:

2 De officieren en onderofficieren der maréchaussée;”

Het opsporen van het niet-naleven van het sluitingsreglement van herbergen van Holten was gebeurd door manschappen van de marechaussee, dus door daartoe niet bevoegde ambtenaren.

Wie was Joannes Petrus Pex?

Joannes Petrus Pex is geboren en gedoopt op 20 september 1797 te Leiden. Volgens de militieregisters 1816 van Leiden was hij in dat jaar brigadier In Breda. Op 5 april 1823 is hij te `s Hertogenbosch getrouwd met Clara Maria Massing, geboren op-9 januari 1791 te `’s-Hertogenbosch en op 21 maart 1845 overleden te Weert. Als marechaussee werd Pex vaak overgeplaatst. Dat blijkt onder meer uit de geboorteplaatsen van zijn kinderen: Geertruidenberg. Helmond, Asten en Weert

Na het overlijden van Clara Maria Massing is Joannes Petrus Pex op 9 november 1846 in Weert in tweede huwelijk getrouwd met Catharina Gertrudis Wilhelmina van den Erdwegh. Hij was toen wachtmeester van de koninklijke marechaussee. Vader Van den Erdwegh was onderwijzer te Leveroy.  Catharina Gertrudis Wilhelmina van den Erdwegh is op 22 juni 1819 geboren te Waldenrath en op 9 oktober 1847 overleden te Weert.[11] De overlijdensaangifte werd gedaan door haar buren Hendrik Waelbers, zadelmaker, en Joseph Jacob Stultiens, bakker. [12]  Bij haar overlijden woonde het echtpaar Pex-van de Erdwegh op de Markt te Weert.

Bij koninklijk besluit van 7 mei 1848 werd Pex benoemd tot commissaris van politie te Weert.

Hij is op 20 november 1848 in derde huwelijk getrouwd met Wilhelmina Gubbels. Wilhelmina Gubbels is op 10 september 1812 geboren in Dieden en op 20 februari 1892 op 79-jarig leeftijd overleden te Weert.[13]

Joannes Petrus Pex is op 4 februari 1874 overleden te Weert. De overlijdensaangifte werd gedaan door Jan Mathijs Franssen, koster, en Andreas Saes, werkman. Pex woonde bij zijn overlijden in de Hegstraat.

Overlijdensakte Joannes Petrus Pex, Burgerlijke stand gemeente Weert.

 

Wie was Andreas Waltherus Janssens?

Andreas Waltherus Janssens is geboren en gedoopt op 26 november 1794 te Weert. Zijn vader is Joannes Eustachius Janssens, geneesheer en later schepen van Weert. De familie Janssens behoorde tot de notabelen van Weert.

Andreas Walterus Janssens is op 29 juni 1830 te Weert getrouwd met Johanna Lydia Eleonora Carolina Fortunata de Gallièris, dochter van Nicolaas baron de Gallièris en Antonetta van Wreden. Antonneta barones de Wrede is geboren op 12 maart 1877 te Bergh. Zij is afkomstig uit een adellijk Westfaals geslacht.

De schoonouders van Andreas Waltherus Janssens waren dus van hoge komaf.

Portret van Nicolaas Cornelis baron de Gallières (1778-1836), J.W. Pieneman, 1832, collectie Nationaal Militair Museum.

Van Nicolaas de Gallièris is in de huwelijksakte van dochter Johanna Lydia Eleonora Carolina Fortunata en Andreas Walterus Janssens het volgende vermeld:

“Kolonel Kommanderende het Regiment Kurassiers nummer negen, Ridder van St. Wlademir, van de Koninklijke Willems-orden en van St. Andreas en St George band, in garnizoen te Haarlem”.[14] 

 

Nicolaas Cornelis baron de Gallièris is op 6 april 1778 geboren te Oisterwijk. Hij vocht in Russische dienst in veel veldslagen begin 19de eeuw tegen de Fransen. Tijdens de slag bij Waterloo was hij kurassier. Bij de tiendaagse veldtocht in 1831 tegen de opstandige Belgen was hij commandant van het 3de regiment Kurassiers. Hij verloor bij die veldtocht zijn linkerbeen.

Andreas Waltherus Janssens was van beroep geneesheer. Hij heeft medicijnen in Utrecht gestudeerd.[15]

Hij zou ook aan de Universiteit in Duisburg gestudeerd hebben.[16]

Hij was een vermogend man. Volgens het kadaster was hij in 1845 eigenaar van 106 percelen grond in de gemeente Weert. Behalve geneesheer is hij ook vrederechter en kantonrechter in Weert en lid van de gemeenteraad van Weert geweest. Vermeldenswaard is dat hij mede-oprichter van de nog steeds bestaande sociëteit Amicitia in Weert is geweest. Hij was Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.Hij behoorde tot de gehobene Leute van Weert.

Andres Waltherus Janssens is overleden op 30 mei 1851 te Weert. De aangifte van zijn overlijden werd gedaan door Franciscus Catoire, gepensioneerd kapitein, en Volkerdinus De Haan, particulier.

 Overlijdensakte Andreas Waltherus Janssens, Burgerlijke stand gemeente Weert

Hij woonde ten tijde van zijn overlijden in een woning in de Langstraat/zuidkant hoek Paradijsstraatje, thans een gemeentelijk monument.

Ligging woning Andreas Waltherus Janssens in de Langstraat, hoek Paradijsstraatje, aangegeven met een locatiepunt

Pand Langstraat/hoek Paradijstraatje anno 2026, gemeentelijk monument

 

Hoger beroep- bij de rechtbank Roermond en de Hoge Raad

Commissaris Pex tekende bij de rechtbank te Roermond beroep aan tegen de uitspraak van de kantonrechter. Deze verwierp bij vonnis van 1 maart 1848 dat beroep.

Het gebouw in de Pollartstraat in Roermond anno 2026 waarin van 1822 tot 1996 de rechtbank te Roermond was gevestigd (het voormalig bisschoppelijk paleis). Foto: Alard van der Varst, met dank voor de toestemming

De officier van Justitie bij de rechtbank van Roermond ging van dat vonnis in cassatieberoep bij de Hoge Raad.[17] De advocaat-generaal bij de Hoge Raad eiste vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Weert en schuldigverklaring van Holten aan het weigeren van toegang van zijn herberg aan de daartoe bevoegde ambtenaren. Hij beriep zich daarbij op een reglement van de marechaussee uit 1815 en een wet van 28 Germinal VIde jaar uit de tijd van de Franse annexatie. Zijn eis was Holten te veroordelen tot een boete van twaalf gulden. De Hoge Raad maakte korte metten met de argumentatie van de advocaat-generaal. Hij oordeelde dat er geen speciale bepaling was die manschappen van de marechaussee bevoegd maakte tot het opsporen van overtredingen van het Reglement op het sluiten der herbergen in het hertogdom Limburg. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep op 30 mei 1848 ongegrond. Coenrard Holten kwam dus met de schrik vrij.

Epiloog

De uitspraak in deze zaak betekende dat manschappen van de marechaussee in Limburg geen opsporingsbevoegdheid hadden bij het controleren van sluitingstijden van herbergen. Of deze uitspraak aanleiding is geweest tot wijziging van de regelgeving is mij niet bekend. Feit is wel dat in 1851 aangewezen manschappen van de marechaussee algemene opsporingsbevoegdheid kregen voor het hele rijk.[18]

Verslag Excursie Lier 12 september 2026

Foto`s en tekst: Wil Filott

Op 12 september 2026 vond de najaarsexcursie van GHK ”Land van Thorn”, de Aldenborgh en LGOG, kring Weert, plaats. De weergoden waren ons deze keer, evenals bij de vorige excursies naar Sint-Truiden en Dordrecht, weer goed gezind. Met een goedgevulde bus werd koers gezet naar Lier, de geboortestad van de schrijver Felix Timmermans. De start was enigszins mistig. Onze chauffeur, Maurice, zette tot verbazing van de passagiers koers richting Lozen. Was hij – al dan niet door de mist – de weg kwijt? Dat bleek niet het geval. We kregen een sight seeing door het Vlaamse land. Enigszins later dan gepland maar toch nog op tijd arriveerden we in Lier. Na een korte wandeling door het centrum, waar de drukke zaterdagmarkt in volle gang was, arriveerden we bij restaurant Het Moment. Wat uw verslaglegger tijdens die wandeling opviel, was het grote aantal horecagelegenheden en terrassen. In Het Moment werden we getrakteerd op koffie of thee met een Liers vlaaike, een lokale specialiteit. Dat Liers vlaaike bleek een rond gebakje te zijn op basis van kandijstroop en vier kruiden.

Nadat de deelnemers in drie groepen waren ingedeeld, begon de stadswandeling door het compacte centrum van Lier. De eerste stop voor de groep, waarin uw verslaglegger was ingedeeld, was bij de voormalige zogenaamde pachterswoningen van de familie Van Acker. Deze kleine woningen, aan een hofje, waren bedoeld voor oude, gewezen pachters van boerderijen van de familie Van Acker. De woningen zijn opgetrokken in een neogotische stijl en prima gerestaureerd. Thans is het complex in gebruik als hotel.

 De centrale pachterswoning en de geveltop daarvan

Vervolgens werd stilgestaan bij de Gevangenenpoort, de enige poort die nog resteert van de eerste stadsomwalling van Lier. In de middeleeuwen fungeerde de poort als gevangenis voor mannen en vrouwen, die in aparte vertrekken werden ondergebracht. De latrines loosden van boven rechtstreeks in de inmiddels gedempte gracht. Boven de poort is een beeldje aangebracht van Sint Rochus, de beschermheilige tegen de pest.

Gevangenenpoort en beeldje Sint Rochus

Via een poort betraden we het voormalige oefenterrein van de handboogschutters. Op het terrein bevindt zich een rij kleine woningen. Deze zijn in de 18de eeuw gebouwd door rijken maar bestemd voor armen, die overigens wel moesten werken. Per huisje was achter de voordeur een vertrek. De wc was buiten. De woningen zijn mooi gerestaureerd. Nu is er achter twee voordeuren een woning.

Geen bewoner van een huisje maar een tevreden deelnemer aan de excursie die met een gelukzalige glimlach even uitrust.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een van de bezienswaardigheden in Lier is het begijnhof. Dat lag oorspronkelijk buiten de omwalling van Lier. Aan de grachtkant bevindt zich een lange rij grote woningen, gebouwd in de eerste helft van de 18de eeuw voor rijke begijnen. Ook deze woningen zijn prachtig gerestaureerd en aangepast voor bewoning in de 21ste eeuw.

In de 17de eeuw woonden in het begijnhof, dat overigens veel groter was dan de gebouwen aan de grachtkant, zo`n 300 vrouwen. De begijnen legden minder vergaande geloften dan kloosterzusters af. Zij beloofden sober, tijdens hun verblijf in het begijnhof kuis te leven en gehoorzaamheid aan de grootmeesteres. Na de verovering van Lier door de Fransen eind 18de eeuw kwam er een eind aan het begijnhof. De begijnen, die allemaal dezelfde kleding droegen, werden betiteld als een kloosterorde. Kloosterordes werden door de Fransen opgeheven en hun bezittingen geconfisqueerd. Rijke begijnen kochten een deel van het onroerend goed van het begijnhof. Later kwamen er weer arme begijnen en kunstenaars in de gebouwen wonen.

Een gedeelte van de woningen van het begijnhof aan de grachtkant

Via de grote monumentale Pastorij kwamen we bij de Begijnhofpoort, de toegangspoort tot het Begijnhof.

Begijnhofpoort

Naast de Begijnhofpoort bevindt zich een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Remedie met daaronder een bord met de volgende tekst.

Tekst onder het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Remedie

In Lier waren vroeger veel kantwerksters werkzaam, met name in het interbellum. De vrouwen verdienden met hun kantwerk een schamel inkomen. Voor een lange dag werk konden ze twee broden voor hun kinderen kopen. Dat was belangrijk voor het geval zij alleenstaand waren, hun man werkeloos was of die zijn inkomen verdronk in het café. De vader van de schrijver Felix Timmermans was koper van dat kantwerk. Met een kar ging hij in de omgeving zijn waar aan de vrouw brengen.

In het Kantmuseum kregen we te horen dat Liers kantwerk anders is dan het Brugse kloskant. In Lier is het kantwerk borduurwerk. Op een raamwerk wordt een stuk stof gespannen. Met een crochet, een speciale haaknaald, word dan met een dunne katoendraad een patroon ingevuld. Het Lierse kantwerk is kostbaarder dan het Brugse. Trots vertelde onze gids dat koningin Astrid bij haar huwelijk een bruidssluier van Liers kant droeg.

Voorbeeld van Liers kantwerk in het Kantmuseum

Door het smalste straatje van Lier, Hemdsmouwken, liepen we naar de Sint Margaretakerk. Het Hemdsmouwken is aangelegd als een brandstraatje. Een steegje waarmee beoogd werd het overslaan van brand te voorkomen. De naam Hemdsmouwken is ontleend aan de vorm van de straat die doet denken aan een hemdsmouw.

De Sint-Margaretakerk is de kerk van het begijnhof. De bouw heeft een tijd stil gelegen vanwege een pestepidemie. Dat is te zien is aan het jaartal 1664 in het cartouche boven de deur en het jaartal 1767 boven de beeldnis.

Portaal en jaartallen Sint Margaretakerk

 

De inwoners van Lier hebben de bijnaam schapenkoppen. De naam schapenkoppen is ontstaan in de 14de eeuw. Hertog Jan II, Hertog van Brabant, had een dispuut met Mechelen. Lier koos de kant van de hertog. Nadat de Mechelaars in de strijd de duimen hadden gelegd, wilde de hertog de Lierenaars belonen voor hun bijdrage aan de strijd. Ze mochten kiezen uit twee beloningen voor de stad: een universiteit of een veemarkt. De Lierenaars kozen voor de veemarkt. De gedachte was: een veemarkt kost niets maar levert wat op; een universiteit kost alleen maar geld. De universiteit ging naar Leuven.

Het Schapenkoppenmonument van de Lierse kunstenaar Bertro  

We stonden een poos stil bij de Jubelklok in de Zimmertoren, het icoon van de stad Lier. Deze klok is in 1930 door de uurwerkmaker Zimmer aan de stad Lier geschonken ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van België. De Jubelklok is een bijzonder uurwerk, bestaande uit één moederklok die twaalf andere tijdmechanismen volledig aanstuurt. Het uurwerk bevindt zich in een toren, waarvan het benedenste gedeelte is gebouwd op resten van een oude stadspoort.

Zimmertoren met jubelklok

De stadswandeling werd afgesloten met een korte wandeltocht over het Felix Timmermansplein naar de Grote Markt. Daarbij passeerden we het borstbeeld van Felix Timmermans, een ook in Nederland bekend Vlaams schrijver o.a van het boek Pallieter.

Na de stadswandeling had iedereen ruim de tijd om in een van de vele restaurants of op een terras de lunch te gebruiken.

Na de lunch stonden bezoeken aan de Zimmertoren en het Zimmermuseum op het programma.

Louis Zimmer was een amateurastronoom, die als autodidact zich opwerkte tot de top van de uurwerkmakerij. Hij ontwierp de Jubelklok, die te bewonderen valt op de naar hem genoemde Zimmertoren. In de bovenste verdieping van de toren bevindt zich het ingenieuze mechanische uurwerk. Met een met gewichten aangedreven moederklok worden ook twaalf andere tijdsmechanismen aangestuurd.

            Deel mechanisme in de Zimmertoren

 

In het Zimmermuseum wordt behalve aan het leven en werk van Louis Zimmer ook veel aandacht besteed aan de ontwikkeling van de tijdmeting van mechanisch naar elektronisch. Op een afbeelding worden de centrale wijzerplaat en de twaalf kleine wijzerplaten van de Jubelklok weergegeven met hun functies. Deze functies zijn: fasen van de maan, maancirkel tijdsvereffening, dierenriem, zonnecirkel, week, wereldbol, maanden, datum, jaargetijden, watertijden en ouderdom maan.

Hieruit blijkt hoe bijzonder dit uurwerk is om op deze wijzerplaten precies op het juiste moment de juiste stand weer te geven.

Afbeelding centrale wijzerplaat en 12 kleine wijzerplaten

Na het bezoek aan de Zimmertoren en het Zimmermuseum gingen we op weg naar de aanlegplaats van de boten van de Koninklijke Moedige Bootvissers. Een ijsverkoper had zijn ijskar daar zeer strategisch opgesteld. Veel deelnemers konden de verleiding niet weerstaan om bij het mooie weer zich tegoed te doen aan een ijskoude versnapering.

 

Met fluisterboten voeren we over de Binnennete. Wat uw verslaglegger opviel was de stilte binnen in de stad. Vanuit de boot konden we Lier van een andere kant bewonderen.

Het Spuihuis aan de Binnennete

 

Na het keren van de boot bij het Spuihuis voeren we terug naar de botenstalling. Op de terugtocht zagen we een boot voor ons een aantal malen met grote snelheid een pirouette maken tot groot jolijt van de jeugdige passagiers. Of de volwassenen aan boord van die boot last hebben gehad van een draaierig gevoel in hun hoofd of hun maag, weet uw verslaglegger niet. Onze boot is  -gelukkig of helaas -rustig zonder gedraai teruggekeerd naar de uitstapplaats.

Deelnemers in de boot

Na de boottocht was het nog ruim de tijd om op zoek te gaan naar de bus. Uw verslaglegger maakte, samen met enkele andere deelnemers, van de gelegenheid gebruik om nog even op een terras voor het eerst in zijn leven een glas Liefmans, een rood kersenbier, te drinken. Dat smaakte overigens niet zo goed als de La Chouffe bij de lunch.

Iedereen was tijdig bij de bus voor de terugreis. Deze ging weer door de Vlaamse binnenlanden. Eens de sluis van Lozen gepasseerd, reden we het thuisland van de meeste deelnemers binnen.

Organisator Hub aan den Boom dankte chauffeur Maurice voor de veilige tocht en overhandigde hem namens deelnemers een kleine attentie. Ook bedankte hij de deelnemers voor hun deelname aan de excursie en het feit dat zij zich zo keurig aan de tijden van het programma hadden gehouden.

De deelnemers kunnen terugzien op een geslaagde, aangename en gezellige excursie. De stad Lier deed recht aan zijn bijnaam ”Lierke Plezierke”.

De verkoop van de pannenbakkerij van Princen in het Laarveld in Weert in 1881

Wil Filott

Een minder bekende industriële bedrijvigheid in de 18de en 19de eeuw in Weert is de pannen- en steenbakkerij. Zo werden de stenen voor de muren van het nieuwe kerkhof bij de Sint Rumolduskapel eind 18de eeuw in de buurt van Hushoven gebakken in een veldbrandoven.

Het oprichten van een steen- en/of pannenbakkerij was medio 19de eeuw in Weert niet ongebruikelijk. Redenen daarvoor waren de aanwezigheid, zij het in beperkte mate, van klei als grondstof en turf uit de Peel als brandstof Ook speelde de aanwezigheid van het kanaal als aan- en afvoerroute een rol De opkomst van pannenbakkerijen was mede het gevolg van betere technieken. Ook waren dakpannen veel brandveiliger en duurzamer dan stro en riet, waarmee tot die tijd nog veel huizen, schuren en stallen gedekt waren.

Van 1842 tot 1857 werden er in Weert de volgende steen- en/of pannenbakkerijen opgericht.
1842 steenbakkerij Neven, Boshoven
1842 steenbakkerij van Calis, Laar
1849 pannenbakkerij Coenen, bij Bassin
1851 steenbakkerij Princen, Biest
1852 pannenbakkerij van Aubel, bij Bassin
1854 steenbakkerij Coenen, bij Bassin
1856 steenbakkerij Verhagen, bij Sluis 16
1856 steenbakkerij Stultiëns, Boshoven
1857 Steenbakkerij Kiggen, Roermondseweg
1857 steenbakkerij Hoeben, Tungelroy
1857 pannen- en steenbakkerij Princen, Biest.(1)

In een beschrijving van de economische activiteiten in Weert in die tijd staat: ”De hoofdbestanddelen zijn landbouw, veeteelt en handel… en men vindt er…2 pannenbakkerijen”. (2)

De pannen- en steenbakkerij van Princen
In 1857 richtte een zekere Princen, wonende aan de Biest, een pannen- en steenbakkerij op. Afgaande op de vermelding van de kadastrale percelen lag de pannenbakkerij in het Laarveld aan de overzijde van het kanaal aan de Kleine weg van Nederweert. Ter bepaling van de gedachten: de pannenbakkerij lag ongeveer ter plaatse van de huidige straat Paltrokmolen in de wijk Molenakker. De verbinding over het kanaal tussen de Biest en de overzijde werd aanvankelijk verzorgd door een pontveer. In 1867 kwam er een ophaalbrug, waardoor het verkeer tussen beide oevers vergemakkelijkt werd.

De pannen- en steenbakkerij op Laarveld is opgericht door Franciscus Hubertus (Frans) Princen, geboren op 28 februari 1835 te Weert en overleden op 22 mei 1890 te Weert, zoon van Anna Maria Princen en Willem Jan Princen.

Anne Marie Princen is geboren te Weert op 29 maart 1806 en overleden te Weert op 24 februari 1883. Zij is op 16 september 1829 te Weert getrouwd met Guillaume Jean (Willem Jan) Princen, geboren op 26 floréal an 13 (16 mei 1805) te Weert en overleden op 17 december 1841 te Weert.(3) Het echtpaar Princen – Princen woonde bij de geboorte van hun zoon Franciscus Hubertus op de Biest.

Willem Jan Princen was voerman van beroep.

Geboorteakte Franciscus Hubertus Princen

 

Franciscus Hubertus Princen is op 18 oktober 1856 te Beek getrouwd met Maria Isabella Bovens, geboren op 7 augustus 1832 te Elsloo. Het echtpaar Princen-Bovens heeft, voor zover mij bekend, twee kinderen gekregen.

Wilhelmus Franciscus Hubertus Princen, geboren op 12 september 1859 te Weert en overleden op 39-jarige leeftijd op 19 maart 1899 te Molenbeersel, waar hij pastoor was.

Jacobus Antonius Hubertus Princen, geboren 5 november 1861 te Weert, overlijdensdatum en plaats niet bekend.(4) Hij is op 20 augustus 1889 te Valkenburg getrouwd met Hortense Anna Maria Hubertina Antoinette de Guasco, geboren op 18 oktober 1865 te Valkenburg en op 12 december 1943 overleden te Deventer.(5) Het echtpaar Princen-de Guasco heeft op het Singel en de Nieuwendijk in Amsterdam gewoond, waar hun kinderen zijn geboren. (6)

In 1880 sloeg het noodlot voor pannenbakker Princen toe. Op 8 april 1880 brak er brand uit in de pan(nenbakkerij). Het gebouw met twee daaraan grenzende arbeiderswoningen en stallen en de inboedel werden een prooi van de vlammen. Ook kwamen twee geiten in de vlammen om. De oorzaak van de brand is niet bekend.  De schade bedroeg naar schatting fl.6.600,-.

Princen was wel verzekerd.(7) Hij had al financiële problemen maar het gezegde “in de brand, uit de brand” gold niet voor hem.

               Maas- en Roerbode, 10 april 1880

 

Wat waren die financiële problemen?

De financiële problemen bestonden blijkbaar al enige jaren. Uit door mij geraadpleegde bronnen bleek dat Andries Hubertus Walkers, gemeenteontvanger van Nederweert, in 1876 en 1879 aan Joanna Maria Princen, weduwe van Willem Jan Princen, en haar zoon Frans Princen geldleningen van fl. 500,- fl. 1000,- en fl. 2000,- had verstrekt. (8) Van deze geldleningen waren notariële akten opgemaakt door notaris Clerx te Weert en notaris Le Brun te Nederweert. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de geleende bedragen was telkens hypotheek gevestigd op het onroerend goed vanmoeder en zoon Princen, waaronder de woning van de Princens aan de Biest en de pannenbakkerij. Met deze geldlening was de financiële nood van Princen blijkbaar niet gelenigd.

In 1880 verstrekte een zekere Charles Beke Crombet, fabrikant en koopman te Kortrijk, aan de weduwe Princen en F. Princen een lening van fl.10.271,-. Als zekerheid voor de terugbetaling daarvan kreeg ook hij het recht van hypotheek op het onroerend goed van moeder en zoon Princen.

Deze Princens waren voordien niet onbemiddeld. De weduwe van Willem Jan Princen staat in 1842 vermeld als eigenaresse van vier percelen bouwland op de Biest, een perceel aan de Middelstesteeg en een perceel in de kleine heide. Jacobus Princen, de vader van Willem Jan Princen en grootvader van Frans Princen, bezat verspreid in de gemeente Weert 36 percelen grond, waaronder de percelen sectie E 1114 (huis) en 1116 (tuin) op de Biest.(9)

Omdat moeder en zoon Princen in gebreke bleven met betaling van de rente over het van Beke Crombet geleende bedrag, legde deze op 30 september 1881 beslag op hun goederen. Toen hij tot verkoop van de in beslag genomen goederen wilde overgaan, deed hij een voor hem vervelende ontdekking.

De hypotheken van Walkers waren eerder gevestigd dan die van Beke Crombet en dus hoger in rang. In de hypotheekakten van Walkers stond dat bij beslaglegging op de verhypothekeerde goederen zijn vorderingen terstond opeisbaar zouden zijn. Ook was in de hypotheekakten overeengekomen dat in dat geval Walkers gemachtigd was de goederen, waarop de hypotheek rustte, te verkopen. Moeder en zoon Princen waren overigens ook in gebreke de rente over de geldleningen van Walkers te betalen. Deurwaarder Frans Geene uit Weert had moeder en zoon Princen op 11 oktober 1881 bij deurwaardersexploot gesommeerd om te betalen maar zij hadden aan die sommatie geen gevolg gegeven. (10) De deurwaarder had Walkers al eerder op 8 oktober 1881 in kennis gesteld van het beslag van Beke Crombet.

Andries Hubert Walkers is geboren op 23 januari 1825 te Nederweert en op 71-jarige leeftijd overleden op 24 oktober 1896 te Nederweert. Zijn vader is Franciscus Walkers en zijn moeder Joanna Maria Gerarts. Andries Walkers is meer dan 40 jaar gemeenteontvanger van Nederweert geweest. Uit onderzoek van notariële akten is gebleken dat de vrijgezel Walkers regelmatig geld uitleende.  

De openbare verkoop: eerste zitting

Walkers maakte gebruik van de volmacht tot verkoop. De verkoop moest in het openbaar plaatsvinden in twee zittingen. De verkoop werd een aantal malen aangekondigd in de Maas- en Roerbode en Kanton Weert.(11)

 Op 21 november 1881 vond ten herberge van Jan Mathijs Boonen aan de Biest de eerste zitting plaats in aanwezigheid van mr. Godefridus Antonius Hubertus Loix, kantonrechter te Weert.(12) Te koop werden aangeboden:

  1. Een woonhuis met erf, tuin, schuur en stallingen, gelegen aan de Biest, sectie E nummers 1114 en 1116.
  2. Een pannenbakkerij met de daarbij behorende ovens, leemmolen, droogschaben, vormen, wagengangen en bakken voor het maken van pannen en plavuizen, alsmede het daarachter liggende huisje op afgepaalde gedeelten van sectie D nummers 784 en 834.
  3. Vijf woningen met schop, sectie D nummers 832, 833, 835 en 836.(13)
  4. Drie percelen bouwland, sectie E nummers 1245, 1246 en 1694.

Met punaise aangegeven waarschijnlijke ligging van de pannenbakkerij en met nummer E 1114 de woning van Princen op de Biest op Kadasterkaart 1842. Aezel Geografie

 

Op de woning werd eerst geboden door Jan Mathijs Boonen, molenaar te Weert, en vervolgens door Jozef Anton Hubert Clerx, notaris te Weert, die optrad voor Charles Beke Crombet te Kortrijk.

Op de pannenbakkerij en de vijf woningen afzonderlijk werd geen bod uitgebracht. Peter Jan Linssen, bierbouwer aan de Biest, bracht wel een bod uit op de pannenbakkerij en de vijf woningen samen.(14)

Op de percelen bouwland bood Eduard Kemmere, zonder beroep wonend in Weert.(15)

Van de eerste zitting werd door notaris Le Brun een akte opgemaakt op 21 november 1881 in tegenwoordigheid van Henricus Antonius Grollenberg, kandidaat-notaris, en Peter Jan Coolen, touwslager, beide wonend in Nederweert.

           Maas- en Roerbode 26 november 1881

 

De openbare verkoop: tweede zitting

Op 28 november 1881 vond weer ten herberge van Jan Mathijs Boonen aan de Biest de tweede zitting plaats, gevolgd door de toewijzing.(16)

Uit de van de van toewijzing op 28 november 1881 door notaris Le Brun opgemaakte akte blijkt dat het woonhuis voor een bedrag van drieduizend vijfhonderd twee-en-zestig gulden werd toegewezen aan Jan Tullemans, klompenmaker en winkelier te Weert. Hij verklaarde de woning gekocht te hebben namens Willem Princen, theoloog te Roermond, en diens broer Jacobus Princen, kantoorbediende te Amsterdam. Deze Willem en Jacobus Princen zijn zonen van Frans Princen en Maria Isabella Bovens. Zij kochten dus hun ouderlijk huis, waarschijnlijk om zeker te stellen dat hun moeder, de weduwe Princen – Bovens daar kon blijven wonen.

De pannenbakkerij en de vijf woningen samen werden voor een bedrag van tweeduizend zeshonderd twintig gulden verkocht aan Petrus Judocus Michiel Joosten, graanhandelaar te Weert, die handelde voor zich en voor Isidorus Casimir Franciscus Hubertus van der Heijden, banketbakker te Weert.

Petrus Judocus Michiel Joosten is op 23 oktober 1854 geboren te Weert en op 27 maart 1924 te Weert overleden. Hij is getrouwd met Maria Petronella Hubertina Hobus uit Nederweert.

Het echtpaar Joosten-Hobus heeft negen kinderen gekregen. Behalve graanhandelaar zijn als zijn beroepen in documenten ook slager en veekoopman vermeld.

Isidorus Casimir Franciscus Hubertus van der Heijden is geboren op 6 september 1829 te Weert en op 6 mei 1900 te Weert overleden. Hij is op 13 juni 1853 te Weert getrouwd met Jacomina Rietjens. Het echtpaar Van der Heijden-Rietjens heeft, voor zover mij bekend acht kinderen gekregen. Bij de aangifte van de geboorten van zijn kinderen woonde hij in de Maasstraat en is als zijn beroep bakker vermeld.

De percelen bouwland werden voor een bedrag van driehonderd zesennegentig gulden en zestig cent toegewezen aan Godefridus Jozef Knapen, landbouwer en koopman, te Weert.(17)

Godefridus Josephus Knapen is op 19 maart 1827 geboren te Weert en op 19 december 1897 overleden te Weert. Hij is op 25 november 1851 te Weert getrouwd met Elizabeth Nies. Het echtpaar Knapen-Nies heeft, voor zover mij bekend, tien kinderen gekregen

 

Een probleem

Met de toewijzing op 28 november 1881 leek de zaak van de openbare verkoop van het onroerend goed van moeder en zoon Princen tot een einde te zijn gekomen maar dat was buiten de spreekwoordelijke waard gerekend. De waard in deze zaak was de heer Beke Combret uit Kortrijk. Hij weigerde namelijk doorhaling van zijn hypotheek op de aan Joosten en Van der Heijden verkochte goederen. Joosten en Van der Heijden vonden dat zij een kat in de zak gekocht hadden en eisten van de notaris dat hij zou regelen dat die hypotheek doorgehaald werd. Zonder medewerking van Beke Crombet lukte dat niet en deze bleef halsstarrig weigeren. De notaris zat blijkbaar behoorlijk klem. Op 24 augustus 1882 gaf hij de volgende verklaring af:

“De ondergeteekende J. Th. H. le Brun, notaris te Nederweert, provincie Limburg, verklaart op den 21 Nov. in openbare en op den 28 dezelfde maand finaaal bjj akte van openbare toewijzing ingevolge art. 1223 B.W. vrij en onbelast verkocht te hebben aan P. J.M. Joosten en I. C. F. H. van der Heyden, beiden wonende te Weert een pannebakkerij met toebehoor en huizen gelegen te Weert sectie D, nos784, 832, 833, 834, 835en 836. Hij verklaart dat hij zal zorgen dat de hypotheekschulden die op 28 Nov. 1881 nog op genoemde pannebakkerij stonden voor 1 Jan. 1883 doorgehaald of afbetaald worden en dat hij voor zijne rekening neemt alle kosten en interesten tot zelf de hoofdsom zoo deze van genoemde heeren mocht teruggeeischt worden.

Nederweert 24 Aug. 1882 (getekend) J. le Brun, notaris”.

 

Wie was Charles Beke Crombet?

Charles Beke Crombet bleek na onderzoek Jules Charles Beke te zijn, geboren in 1837 te Wervicq, Frankrijk, en overleden aan tuberculose in 1912 in Kortrijk, België. Hij is in 1866 getrouwd met Emma Crombet, geboren in 1835 te Kortrijk en in 1913 overleden in de Begijnhofstraat te Kortrijk. Charles Beke voegde na het huwelijk de achternaam van zijn vrouw aan de zijne toe. Het beroep van Charles Beke was “négociant en toiles” (handelaar in stoffen). Het echtpaar stond in Kortrijk in aanzien en was daar actief in het kerkelijk leven.

Opmerkelijk is dat de priester-dichter Guido Gezelle een uitgebreide correspondentie in het Frans onderhield met Emma Crombet.(18) In de correspondentie met deze mevrouw, gekweld door angsten en scrupules, legt Gezelle ook zijn gevoelsleven bloot. In een brief van hem aan Emma Crombet staat een raadselachtig zin die vertaald als volgt luidt: “Ik ga ervan uit dat het bezoek zich beperkt tot beleefdheden tenzij er van uw kant vorderingen in een andere richting zijn”.

Charles Beke Crombet had niet alleen aan Princen geld geleend maar ook aan ten minste een andere inwoner van Weert. Dat blijkt uit een advertentie in de Limburger Koerier van 10 augustus 1893, waarin de verkoop van onroerende goederen van Mechtildis Seerden, weduwe van Jan Voncken, werd aangekondigd “ten verzoeke van den heer Charles Beke-Crombet, fabrikant, wonende te Kortrijk (België)”.

 

Naar de rechtbank te Roermond

Op 1 januari 1882 had er nog geen doorhaling van de hypotheek van

Beke Crombet plaatsgevonden. De kopers, Joosten en Van der Heijden, spraken notaris Le Brun aan en sommeerden hem op 18 april 1883 om voor doorhaling te zorgen, echter zonder resultaat. Zij dagvaarden de notaris op 30 april 1883 voor de rechtbank te Roermond om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de inschrijving te doen doorhalen. Als dat niet zou gebeuren, eisten zij dat de notaris onmiddellijk aan hen de koopprijs van fl. 2680,- zou teruggeven. Zij zouden die koopprijs dan onder zich mogen houden tot de doorhaling zou hebben plaatsgevonden.

De notaris voerde het verweer dat hij zich alleen verplicht had voor de doorhaling te zorgen zodra dat op grond van een gerechtelijke rangregeling mogelijk was. Anders gezegd: hij was afhankelijk van anderen. Hij vond dat kopers niet-ontvankelijk verklaard moesten worden.

De rechtbank in Roermond nam aan dat de verplichting “om te zorgen” geen verplichting was voor de notaris om zelf de doorhaling te bewerkstelligen maar om een poging te doen dat dat gebeurde. De verplichting om ervoor “te zorgen” was volgens de rechtbank te beschouwen als een morele verplichting. De rechtbank verklaarde de kopers niet-ontvankelijk in hun vordering.

Het gebouw in de Pollartstraat in Roermond anno 2026 waarin van 1822 tot 1996 de rechtbank te Roermond was gevestigd (het voormalig bisschoppelijk paleis). Foto met toestemming van Alard van der Varst makelaars

Joseph Theodor Hubert Le Brun is op 26 januari 1824 geboren te Kessel en overleden op 13 juni 1907 te Venray. Híj was kandidaat-notaris te Helden voordat hij bij Koninklijk Besluit van 12 mei 1886 werd benoemd tot notaris te Nederweert. (19) In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot plaatsvervangend kantonrechter te Weert.(20) Na enkele herbenoemingen werd aan hem op 24 juli 1889 eervol ontslag als plaatsvervangend kantonrechter verleend. 

In 1871 bouwde Le Brun in de Kerkstraat te Nederweert een groot huis met stallingen voor zijn gezin en de notarispraktijk. Dat pand werd later aangekocht door dokter van de Wouw. Het bestaat nog steeds en staat bekend als huis Van de Wouw.

Huis Van de Wouw, Kerkstraat Nederweert. Foto: Wil Filott

 

Bij Koninklijk Besluit van 7 september 1893 is aan J. Th. H Le Brun op zijn verzoek eervol ontslag verleend als notaris te Nederweert.(21) Daarvoor was hij al door de rechtbank in staat van kennelijk onvermogen gesteld, zoals uit het Weekblad voor administratie der directe belastingen van 9 september 1893 blijkt.(22)  Die staat van kennelijk onvermogen was een gevolg van de royale levensstijl die het echtpaar Le Brun erop nahield.

Ingevolge de toenmalige wetgeving kon voor een particulier de staat van kennelijke onvermogen worden ingesteld als hij zijn schulden niet betaalde. De gevolgen waren nagenoeg hetzelfde als van een faillietverklaring.(23) Er werden twee bewindvoerders (curatoren) aangesteld namelijk mr. J.G. Tasset, advocaat te Roermond, en P.G. Hobus, wethouder te Nederweert, om de boedel af te wikkelen.(24)

Naar het gerechtshof te `s Hertogenbosch

De heren Van der Heijden en Joosten pikten niet dat de rechtbank te Roermond hen niet ontvankelijk hadden verklaard. Zij gingen in beroep bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Zij vorderden vernietiging van het vonnis van de rechtbank te Roermond en toewijzing van hun vordering. Zij voerden aan dat de goederen ten onrechte vrij van lasten verkocht waren en dat de notaris dat ook erkend had door de bewuste verklaring af te geven.

De notaris schetste de feiten en omstandigheden waaronder de verklaring tot stand was gekomen. Hij bracht naar voren dat op het verkochte goed vier inschrijvingen rustten, drie ten behoeve van Walkers en een ten behoeve van Beke Crombet. De opbrengst was niet eens voldoende geweest om Walkers te betalen.

Van der Heijden en Joosten brachten naar voren da Beke Crombet op 26 november 1881 een gerechtelijke procedure tegen Walkers begonnen was om diens inschrijvingen nietig te laten verklaren. Die vordering was afgewezen maar Van der Heijden en Joosten wisten dat Beke Crombet in beroep zou gaan. Zij vreesden dat zij aan Beke Crombet zouden moeten betalen als zijn beroep zou slagen. Zij verlangden dat de notaris zich zou verplichten de kooppenningen terug te betalen voor het geval in beroep de inschrijvingen van Walkers zou vernietigen en Beke Crombet dan als eerste hypotheekhouder de kooppenningen van hen zou vorderen.

Het gerechtshof overwoog dat ook al zou uit het eerste gedeelte van de verklaring van 24 augustus 1882 kunnen worden afgeleid dat die slechts een belofte bevatte om pogingen in het werk te stellen om de doorhaling te bewerkstelligen dat niet te rijmen was met de rest van de verklaring. Wat betreft het gebruik van het woord “van” in de zinsnede “’zoo deze (de hoofdsom) van genoemde heeren mocht teruggeeischt worden” was het hof van mening dat dit niet anders kan betekenen ”door” omdat anders de tekst zonder zin of doel zou zijn. Het hof meende dat het gebruik van het woord “van” in plaats van “door” in die zin als een germanisme beschouwd kon worden. In de nabijheid van de grens met Duitsland, aldus het hof, sluipt menig germanisme in de taal, zoals ook in de processtukken in deze zaak te zien was.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank van Roermond en veroordeelde notaris Le Brun om binnen een maand na betekening van het arrest de betreffend onroerende goederen te ontlasten van alle inschrijvingen en, voor het geval dat hij dat niet zou gebeuren, onmiddellijk aan Van der Heijden en Joosten de koopprijs van fl. 2680 terug te betalen welke kooprijs zij onder zich mochten houden totdat de inschrijvingen zouden zijn doorgehaald.

Waarschijnlijk heeft de notaris dat bedrag aan Joosten en Van der Heijden betaald, maar zekerheid daarover is er niet gelet op de hiervoor vermelde financiële positie van de notaris.

Het voormalige Paleis van Justitie in `s Hertogenbosch rond 1900, waarin het Gerechtshof gevestigd was. Bron: Erfgoed `s Hertogenbosch

De juridische procedure tussen Walkers en Beke Crombet

Zoals we hiervoor hebben gezien, was de vordering van Joosten en Van der Heijden ingegeven door de vrees dat zij nogmaals aan Beke Crombet de koopsom van de pannenbakkerij en de vijf woningen moesten betalen als Beke Crombet de procedure tegen Walkers zou winnen. Beke Crombet stelde in die procedures dat de hypotheken van Walkers nietig waren omdat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten gefingeerd waren. Beke Crombet werd zowel door de rechtbank te Roermond als het gerechtshof in `s Hertogenbosch niet ontvankelijk verklaard. De juridische redenen daarvoor was dat – kort gezegd- een overeenkomst alleen tussen partijen geldt en dat, uitzondering daargelaten, derden zo`n overeenkomst niet kunnen aantasten. De Hoge Raad bevestigde dat in zijn arrest van 24 januari 1892, meer dan tien jaren na het begin van de zaak op 26 november 1881.(25)

Daarmee kwam een eind aan de onzekerheid over de inschrijving van de hypotheek van Beke Crombet.

L`histoire se répète?

Tien jaren na de hiervoor vermelde openbare verkoop in 1881, verscheen in oktober en november 1891 een aantal advertenties in het blad de Zuid- Willemsvaart, waarin de openbare verkoop van exact hetzelfde huis op de Biest, de pannenbakkerij in de buurt van het kanaal en vier arbeiderswoningen aan de kleine weg van Nederweert werd aangekondigd. De verkoop vond plaats in het Bruin Paard (thans de Umbelder) op de Markt te Weert. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat er na 1881 met dat onroerend goed is gebeurd.

         De Zuid-Willemsvaart, 14 november 1891

De oplettende lezer van de advertentie in de Zuid-Willemsvaart zal gezien hebben dat in de ogen van de opsteller van de advertentie Weert ingelijfd was bij Nederweert.

Epiloog

In dit verhaal is de oprichting maar met name de gedwongen verkoop van de pannenbakkerij van Princen in het Laarveld aan de orde geweest. Vervolgens zijn de juridische problemen na die verkoop vermeld. In het verhaal zijn verder genealogische gegevens van een aantal personen opgenomen.