Wil Filott
In dit artikel beschrijf ik een gebeurtenis uit 1847 in Nederweert die blijkbaar van zo weinig belang werd geoordeeld, dat zij geen enkele krant heeft gehaald. Toch heeft die gebeurtenis geleid tot een rechtszaak tot bij de Hoge Raad.[1] Behalve aan die gebeurtenis en de nasleep daarvan besteed ik aandacht aan personen die in het verhaal een rol spelen. Verder wijd ik enkele passages aan in mijn ogen interessante familieleden.
Wat gebeurde er op 11 oktober 1847 `s avonds bij de herberg van Coenrard Holten in Nederweert?
Op donderdag 11 oktober 1847 klopten manschappen van de marechaussee `s avonds om half twaalf op de deur van de herberg van Coenrard Holten in de Kerkstraat te Nederweert. De marechaussee was bezig met controle op het naleven van het “Reglement op het sluiten der herbergen in het hertogdom Limburg”. Op het kloppen op de deur werd niet gereageerd. De deur werd niet opengedaan. In het reglement stond dat aan opsporingsambtenaren de toegang tot een herberg niet mocht worden geweigerd. De reden daarvoor was dat door weigering de opsporingsambtenaren zouden worden belet om eventuele overtredingen van het reglement te kunnen constateren. Weigering was strafbaar.
Van het feit dat de deur niet werd opengedaan werd proces-verbaal opgemaakt. Dat leidde tot een strafvervolging. Coenrard Holten werd door het Openbaar Ministerie voor het kantongerecht te Weert gedaagd.[2] Hij moest zich verantwoorden voor weigering om de marechaussee toegang tot zijn herberg te verschaffen.
Ligging herberg van Holten aangegeven met locatiepunt
Wie was Coenrard Holten?
De “boosdoener” in dit verhaal is Coenrard Holten. In het jaar dat dit verhaal speelt, 1847, was hij herbergier en koopman in de Kerkstraat te Nederweert.
Coenrard Holten was een inwijkeling in Nederweert. Hij is geboren op 1 februari 1809 te Kessel. Op 22 november 1837 trouwde hij te Kessel met Mathea Kroef, afkomstig uit Nederweert. [3] Zijn ouders waren toen al overleden.
Mathea Kroef is geboren op 11 oktober 1811 te Nederweert. [4]Ook haar ouders waren ten tijde van het huwelijk al overleden. [5] In de huwelijksakte is als beroep van Mathea Kroef dienstmeid vermeld en als dat van Coenrard Holten brander. [6]
Het is aannemelijk dat Coenrard Holten en Mathea Kroef de exploitatie van de herberg van de ouders van Mathea Kroef in Nederweert hebben overgenomen.[7]
Het echtpaar Holten-Kroef heeft in 1838 in Nederweert een kind gekregen, dat na enkele weken is overleden.[8] Mathea Kroef is op 28-jarige leeftijd 10 april 1840 te Nederweert overleden.
Coenrard Holten trouwde op 17 februari 1841 te Nederweert in tweede huwelijk met Maria Aldegonda Leijssen, geboren op 30 april 1816 te Groote Brogel. Als zijn beroep is in de huwelijksakte herbergier vermelden en als dat van de bruid landbouwster te Groote Brogel.[9]
Kerkelijk huwelijk Conrardus Holten en Maria Aldegonda Leijssen, Huwelijksregister Parochie Sint-Lambertus
Het echtpaar Holten-Leijssen heeft, voor zover mij bekend, vier kinderen gekregen, alle geboren te Nederweert.
Coenrard Holten is op 8 april 1850 op 41- jarige leeftijd overleden. Als zijn beroep is in de overlijdensakte landbouwer vermeld. De aangifte van het overlijden werd gedaan door Petrus Thomas Vossen, bakker, en Jan Mathijs Verhoeven, schoenmaker. Zijn weduwe heeft de exploitatie van de herberg voortgezet.
Aan het oudste kind van het echtpaar Holten-Leissen wijd ik een kleine passage.
Poulus Hubertus Holten is geboren op 14 november 1841 te Nederweert. Hij heeft dezelfde voornaam Poulus, met ou, als zijn Belgische grootvader Leijssen. Poulus heeft aan de Koninklijke Academie voor Schoone Kunsten te Antwerpen gestudeerd. Op 1 mei 1864 ontving hij daar een zilveren medaille voor modeltekenen.[10] In de jaren zestig van de 19de eeuw heeft hij in Roermond gewoond en gewerkt. Hij heeft in een soort pensions gewoond op de Schuitenberg, in de Hamstraat en in de Swamakerstraat. In het bevolkingsregister van Roermond zijn als zijn beroepen ornamentmaker en beeldhouwer vermeld. Na zijn terugkeer in Nederweert is hij gaan wonen in de Kerkstraat in de woning met de huidige huisnummers 29 en 31. In die woning bevindt zich een monumentale trap, vervaardigd door Poulus Holten. De woning Kerkstraat 29/31 zijn thans een rijksmonument.
In de Sint-Lambertuskerk staat een Heilige Hartbeeld van zijn hand. Poulus Holten is op 20 januari 1889 overleden te Nederweert. Hij was ongetrouwd.
De Maas- en Roerbode wijdde het volgende bericht aan zijn overlijden:
“Deze week overleed alhier een nog jeugdig, doch bekwaam beeldhouwer, de heer Paulus Holten; verscheidene zeer goed door zijn hand gebeitelde beelden prijken in verschillende kerken dezer omstreken.”
De gemeente Nederweert heeft deze lokale kunstenaar geëerd door een straat naar hem te vernoemen; de Poulus Holtenstraat, voorheen Weerterweg.
De zaak voor de kantonrechter te Weert
Coenrard Holten, koopman en herbergier, werd door het Openbaar Ministerie voor het kantongerecht te Weert gedaagd. Hij moest zich verantwoorden voor weigering om de marechaussee toegang tot zijn herberg te verschaffen.
Het Openbaar Ministerie werd in die tijd vertegenwoordigd door de commissaris van politie van Weert, Joannes Petrus Pex. Kantonrechter was Dr. Andreas Waltherus Janssens.
De kantonrechter achtte bewezen dat Holten de toegang tot zijn herberg had geweigerd. Toch ontsloeg hij Holten van rechtsvervolging. De motivering daarvan was dat volgens de kantonrechter de marechaussees niet bevoegd waren tot het opsporen van die overtreding. De kantonrechter baseerde zijn oordeel op artikel 11 aanhef en lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Daarin stond:
“Met het opsporen der misdrijven zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgende ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëdigd:
2 De officieren en onderofficieren der maréchaussée;”
Het opsporen van het niet-naleven van het sluitingsreglement van herbergen van Holten was gebeurd door manschappen van de marechaussee, dus door daartoe niet bevoegde ambtenaren.
Wie was Joannes Petrus Pex?
Joannes Petrus Pex is geboren en gedoopt op 20 september 1797 te Leiden. Volgens de militieregisters 1816 van Leiden was hij in dat jaar brigadier In Breda. Op 5 april 1823 is hij te `s Hertogenbosch getrouwd met Clara Maria Massing, geboren op-9 januari 1791 te `’s-Hertogenbosch en op 21 maart 1845 overleden te Weert. Als marechaussee werd Pex vaak overgeplaatst. Dat blijkt onder meer uit de geboorteplaatsen van zijn kinderen: Geertruidenberg. Helmond, Asten en Weert
Na het overlijden van Clara Maria Massing is Joannes Petrus Pex op 9 november 1846 in Weert in tweede huwelijk getrouwd met Catharina Gertrudis Wilhelmina van den Erdwegh. Hij was toen wachtmeester van de koninklijke marechaussee. Vader Van den Erdwegh was onderwijzer te Leveroy. Catharina Gertrudis Wilhelmina van den Erdwegh is op 22 juni 1819 geboren te Waldenrath en op 9 oktober 1847 overleden te Weert.[11] De overlijdensaangifte werd gedaan door haar buren Hendrik Waelbers, zadelmaker, en Joseph Jacob Stultiens, bakker. [12] Bij haar overlijden woonde het echtpaar Pex-van de Erdwegh op de Markt te Weert.
Bij koninklijk besluit van 7 mei 1848 werd Pex benoemd tot commissaris van politie te Weert.
Hij is op 20 november 1848 in derde huwelijk getrouwd met Wilhelmina Gubbels. Wilhelmina Gubbels is op 10 september 1812 geboren in Dieden en op 20 februari 1892 op 79-jarig leeftijd overleden te Weert.[13]
Joannes Petrus Pex is op 4 februari 1874 overleden te Weert. De overlijdensaangifte werd gedaan door Jan Mathijs Franssen, koster, en Andreas Saes, werkman. Pex woonde bij zijn overlijden in de Hegstraat.
Overlijdensakte Joannes Petrus Pex, Burgerlijke stand gemeente Weert.
Wie was Andreas Waltherus Janssens?
Andreas Waltherus Janssens is geboren en gedoopt op 26 november 1794 te Weert. Zijn vader is Joannes Eustachius Janssens, geneesheer en later schepen van Weert. De familie Janssens behoorde tot de notabelen van Weert.
Andreas Walterus Janssens is op 29 juni 1830 te Weert getrouwd met Johanna Lydia Eleonora Carolina Fortunata de Gallièris, dochter van Nicolaas baron de Gallièris en Antonetta van Wreden. Antonneta barones de Wrede is geboren op 12 maart 1877 te Bergh. Zij is afkomstig uit een adellijk Westfaals geslacht.
De schoonouders van Andreas Waltherus Janssens waren dus van hoge komaf.
Portret van Nicolaas Cornelis baron de Gallières (1778-1836), J.W. Pieneman, 1832, collectie Nationaal Militair Museum.
Van Nicolaas de Gallièris is in de huwelijksakte van dochter Johanna Lydia Eleonora Carolina Fortunata en Andreas Walterus Janssens het volgende vermeld:
“Kolonel Kommanderende het Regiment Kurassiers nummer negen, Ridder van St. Wlademir, van de Koninklijke Willems-orden en van St. Andreas en St George band, in garnizoen te Haarlem”.[14]
Nicolaas Cornelis baron de Gallièris is op 6 april 1778 geboren te Oisterwijk. Hij vocht in Russische dienst in veel veldslagen begin 19de eeuw tegen de Fransen. Tijdens de slag bij Waterloo was hij kurassier. Bij de tiendaagse veldtocht in 1831 tegen de opstandige Belgen was hij commandant van het 3de regiment Kurassiers. Hij verloor bij die veldtocht zijn linkerbeen.
Andreas Waltherus Janssens was van beroep geneesheer. Hij heeft medicijnen in Utrecht gestudeerd.[15]
Hij zou ook aan de Universiteit in Duisburg gestudeerd hebben.[16]
Hij was een vermogend man. Volgens het kadaster was hij in 1845 eigenaar van 106 percelen grond in de gemeente Weert. Behalve geneesheer is hij ook vrederechter en kantonrechter in Weert en lid van de gemeenteraad van Weert geweest. Vermeldenswaard is dat hij mede-oprichter van de nog steeds bestaande sociëteit Amicitia in Weert is geweest. Hij was Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.Hij behoorde tot de gehobene Leute van Weert.
Andres Waltherus Janssens is overleden op 30 mei 1851 te Weert. De aangifte van zijn overlijden werd gedaan door Franciscus Catoire, gepensioneerd kapitein, en Volkerdinus De Haan, particulier.
Overlijdensakte Andreas Waltherus Janssens, Burgerlijke stand gemeente Weert
Hij woonde ten tijde van zijn overlijden in een woning in de Langstraat/zuidkant hoek Paradijsstraatje, thans een gemeentelijk monument.
Ligging woning Andreas Waltherus Janssens in de Langstraat, hoek Paradijsstraatje, aangegeven met een locatiepunt
Pand Langstraat/hoek Paradijstraatje anno 2026, gemeentelijk monument
Hoger beroep- bij de rechtbank Roermond en de Hoge Raad
Commissaris Pex tekende bij de rechtbank te Roermond beroep aan tegen de uitspraak van de kantonrechter. Deze verwierp bij vonnis van 1 maart 1848 dat beroep.
Het gebouw in de Pollartstraat in Roermond anno 2026 waarin van 1822 tot 1996 de rechtbank te Roermond was gevestigd (het voormalig bisschoppelijk paleis). Foto: Alard van der Varst, met dank voor de toestemming
De officier van Justitie bij de rechtbank van Roermond ging van dat vonnis in cassatieberoep bij de Hoge Raad.[17] De advocaat-generaal bij de Hoge Raad eiste vernietiging van het vonnis van de kantonrechter te Weert en schuldigverklaring van Holten aan het weigeren van toegang van zijn herberg aan de daartoe bevoegde ambtenaren. Hij beriep zich daarbij op een reglement van de marechaussee uit 1815 en een wet van 28 Germinal VIde jaar uit de tijd van de Franse annexatie. Zijn eis was Holten te veroordelen tot een boete van twaalf gulden. De Hoge Raad maakte korte metten met de argumentatie van de advocaat-generaal. Hij oordeelde dat er geen speciale bepaling was die manschappen van de marechaussee bevoegd maakte tot het opsporen van overtredingen van het Reglement op het sluiten der herbergen in het hertogdom Limburg. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep op 30 mei 1848 ongegrond. Coenrard Holten kwam dus met de schrik vrij.
Epiloog
De uitspraak in deze zaak betekende dat manschappen van de marechaussee in Limburg geen opsporingsbevoegdheid hadden bij het controleren van sluitingstijden van herbergen. Of deze uitspraak aanleiding is geweest tot wijziging van de regelgeving is mij niet bekend. Feit is wel dat in 1851 aangewezen manschappen van de marechaussee algemene opsporingsbevoegdheid kregen voor het hele rijk.[18]

