Skip to content
De verkoop van de pannenbakkerij van Princen in het Laarveld in Weert in 1881

Wil Filott

Een minder bekende industriële bedrijvigheid in de 18de en 19de eeuw in Weert is de pannen- en steenbakkerij. Zo werden de stenen voor de muren van het nieuwe kerkhof bij de Sint Rumolduskapel eind 18de eeuw in de buurt van Hushoven gebakken in een veldbrandoven.

Het oprichten van een steen- en/of pannenbakkerij was medio 19de eeuw in Weert niet ongebruikelijk. Redenen daarvoor waren de aanwezigheid, zij het in beperkte mate, van klei als grondstof en turf uit de Peel als brandstof Ook speelde de aanwezigheid van het kanaal als aan- en afvoerroute een rol De opkomst van pannenbakkerijen was mede het gevolg van betere technieken. Ook waren dakpannen veel brandveiliger en duurzamer dan stro en riet, waarmee tot die tijd nog veel huizen, schuren en stallen gedekt waren.

Van 1842 tot 1857 werden er in Weert de volgende steen- en/of pannenbakkerijen opgericht.
1842 steenbakkerij Neven, Boshoven
1842 steenbakkerij van Calis, Laar
1849 pannenbakkerij Coenen, bij Bassin
1851 steenbakkerij Princen, Biest
1852 pannenbakkerij van Aubel, bij Bassin
1854 steenbakkerij Coenen, bij Bassin
1856 steenbakkerij Verhagen, bij Sluis 16
1856 steenbakkerij Stultiëns, Boshoven
1857 Steenbakkerij Kiggen, Roermondseweg
1857 steenbakkerij Hoeben, Tungelroy
1857 pannen- en steenbakkerij Princen, Biest.(1)

In een beschrijving van de economische activiteiten in Weert in die tijd staat: ”De hoofdbestanddelen zijn landbouw, veeteelt en handel… en men vindt er…2 pannenbakkerijen”. (2)

De pannen- en steenbakkerij van Princen
In 1857 richtte een zekere Princen, wonende aan de Biest, een pannen- en steenbakkerij op. Afgaande op de vermelding van de kadastrale percelen lag de pannenbakkerij in het Laarveld aan de overzijde van het kanaal aan de Kleine weg van Nederweert. Ter bepaling van de gedachten: de pannenbakkerij lag ongeveer ter plaatse van de huidige straat Paltrokmolen in de wijk Molenakker. De verbinding over het kanaal tussen de Biest en de overzijde werd aanvankelijk verzorgd door een pontveer. In 1867 kwam er een ophaalbrug, waardoor het verkeer tussen beide oevers vergemakkelijkt werd.

De pannen- en steenbakkerij op Laarveld is opgericht door Franciscus Hubertus (Frans) Princen, geboren op 28 februari 1835 te Weert en overleden op 22 mei 1890 te Weert, zoon van Anna Maria Princen en Willem Jan Princen.

Anne Marie Princen is geboren te Weert op 29 maart 1806 en overleden te Weert op 24 februari 1883. Zij is op 16 september 1829 te Weert getrouwd met Guillaume Jean (Willem Jan) Princen, geboren op 26 floréal an 13 (16 mei 1805) te Weert en overleden op 17 december 1841 te Weert.(3) Het echtpaar Princen – Princen woonde bij de geboorte van hun zoon Franciscus Hubertus op de Biest.

Willem Jan Princen was voerman van beroep.

Geboorteakte Franciscus Hubertus Princen

 

Franciscus Hubertus Princen is op 18 oktober 1856 te Beek getrouwd met Maria Isabella Bovens, geboren op 7 augustus 1832 te Elsloo. Het echtpaar Princen-Bovens heeft, voor zover mij bekend, twee kinderen gekregen.

Wilhelmus Franciscus Hubertus Princen, geboren op 12 september 1859 te Weert en overleden op 39-jarige leeftijd op 19 maart 1899 te Molenbeersel, waar hij pastoor was.

Jacobus Antonius Hubertus Princen, geboren 5 november 1861 te Weert, overlijdensdatum en plaats niet bekend.(4) Hij is op 20 augustus 1889 te Valkenburg getrouwd met Hortense Anna Maria Hubertina Antoinette de Guasco, geboren op 18 oktober 1865 te Valkenburg en op 12 december 1943 overleden te Deventer.(5) Het echtpaar Princen-de Guasco heeft op het Singel en de Nieuwendijk in Amsterdam gewoond, waar hun kinderen zijn geboren. (6)

In 1880 sloeg het noodlot voor pannenbakker Princen toe. Op 8 april 1880 brak er brand uit in de pan(nenbakkerij). Het gebouw met twee daaraan grenzende arbeiderswoningen en stallen en de inboedel werden een prooi van de vlammen. Ook kwamen twee geiten in de vlammen om. De oorzaak van de brand is niet bekend.  De schade bedroeg naar schatting fl.6.600,-.

Princen was wel verzekerd.(7) Hij had al financiële problemen maar het gezegde “in de brand, uit de brand” gold niet voor hem.

               Maas- en Roerbode, 10 april 1880

 

Wat waren die financiële problemen?

De financiële problemen bestonden blijkbaar al enige jaren. Uit door mij geraadpleegde bronnen bleek dat Andries Hubertus Walkers, gemeenteontvanger van Nederweert, in 1876 en 1879 aan Joanna Maria Princen, weduwe van Willem Jan Princen, en haar zoon Frans Princen geldleningen van fl. 500,- fl. 1000,- en fl. 2000,- had verstrekt. (8) Van deze geldleningen waren notariële akten opgemaakt door notaris Clerx te Weert en notaris Le Brun te Nederweert. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de geleende bedragen was telkens hypotheek gevestigd op het onroerend goed vanmoeder en zoon Princen, waaronder de woning van de Princens aan de Biest en de pannenbakkerij. Met deze geldlening was de financiële nood van Princen blijkbaar niet gelenigd.

In 1880 verstrekte een zekere Charles Beke Crombet, fabrikant en koopman te Kortrijk, aan de weduwe Princen en F. Princen een lening van fl.10.271,-. Als zekerheid voor de terugbetaling daarvan kreeg ook hij het recht van hypotheek op het onroerend goed van moeder en zoon Princen.

Deze Princens waren voordien niet onbemiddeld. De weduwe van Willem Jan Princen staat in 1842 vermeld als eigenaresse van vier percelen bouwland op de Biest, een perceel aan de Middelstesteeg en een perceel in de kleine heide. Jacobus Princen, de vader van Willem Jan Princen en grootvader van Frans Princen, bezat verspreid in de gemeente Weert 36 percelen grond, waaronder de percelen sectie E 1114 (huis) en 1116 (tuin) op de Biest.(9)

Omdat moeder en zoon Princen in gebreke bleven met betaling van de rente over het van Beke Crombet geleende bedrag, legde deze op 30 september 1881 beslag op hun goederen. Toen hij tot verkoop van de in beslag genomen goederen wilde overgaan, deed hij een voor hem vervelende ontdekking.

De hypotheken van Walkers waren eerder gevestigd dan die van Beke Crombet en dus hoger in rang. In de hypotheekakten van Walkers stond dat bij beslaglegging op de verhypothekeerde goederen zijn vorderingen terstond opeisbaar zouden zijn. Ook was in de hypotheekakten overeengekomen dat in dat geval Walkers gemachtigd was de goederen, waarop de hypotheek rustte, te verkopen. Moeder en zoon Princen waren overigens ook in gebreke de rente over de geldleningen van Walkers te betalen. Deurwaarder Frans Geene uit Weert had moeder en zoon Princen op 11 oktober 1881 bij deurwaardersexploot gesommeerd om te betalen maar zij hadden aan die sommatie geen gevolg gegeven. (10) De deurwaarder had Walkers al eerder op 8 oktober 1881 in kennis gesteld van het beslag van Beke Crombet.

Andries Hubert Walkers is geboren op 23 januari 1825 te Nederweert en op 71-jarige leeftijd overleden op 24 oktober 1896 te Nederweert. Zijn vader is Franciscus Walkers en zijn moeder Joanna Maria Gerarts. Andries Walkers is meer dan 40 jaar gemeenteontvanger van Nederweert geweest. Uit onderzoek van notariële akten is gebleken dat de vrijgezel Walkers regelmatig geld uitleende.  

De openbare verkoop: eerste zitting

Walkers maakte gebruik van de volmacht tot verkoop. De verkoop moest in het openbaar plaatsvinden in twee zittingen. De verkoop werd een aantal malen aangekondigd in de Maas- en Roerbode en Kanton Weert.(11)

 Op 21 november 1881 vond ten herberge van Jan Mathijs Boonen aan de Biest de eerste zitting plaats in aanwezigheid van mr. Godefridus Antonius Hubertus Loix, kantonrechter te Weert.(12) Te koop werden aangeboden:

  1. Een woonhuis met erf, tuin, schuur en stallingen, gelegen aan de Biest, sectie E nummers 1114 en 1116.
  2. Een pannenbakkerij met de daarbij behorende ovens, leemmolen, droogschaben, vormen, wagengangen en bakken voor het maken van pannen en plavuizen, alsmede het daarachter liggende huisje op afgepaalde gedeelten van sectie D nummers 784 en 834.
  3. Vijf woningen met schop, sectie D nummers 832, 833, 835 en 836.(13)
  4. Drie percelen bouwland, sectie E nummers 1245, 1246 en 1694.

Met punaise aangegeven waarschijnlijke ligging van de pannenbakkerij en met nummer E 1114 de woning van Princen op de Biest op Kadasterkaart 1842. Aezel Geografie

 

Op de woning werd eerst geboden door Jan Mathijs Boonen, molenaar te Weert, en vervolgens door Jozef Anton Hubert Clerx, notaris te Weert, die optrad voor Charles Beke Crombet te Kortrijk.

Op de pannenbakkerij en de vijf woningen afzonderlijk werd geen bod uitgebracht. Peter Jan Linssen, bierbouwer aan de Biest, bracht wel een bod uit op de pannenbakkerij en de vijf woningen samen.(14)

Op de percelen bouwland bood Eduard Kemmere, zonder beroep wonend in Weert.(15)

Van de eerste zitting werd door notaris Le Brun een akte opgemaakt op 21 november 1881 in tegenwoordigheid van Henricus Antonius Grollenberg, kandidaat-notaris, en Peter Jan Coolen, touwslager, beide wonend in Nederweert.

           Maas- en Roerbode 26 november 1881

 

De openbare verkoop: tweede zitting

Op 28 november 1881 vond weer ten herberge van Jan Mathijs Boonen aan de Biest de tweede zitting plaats, gevolgd door de toewijzing.(16)

Uit de van de van toewijzing op 28 november 1881 door notaris Le Brun opgemaakte akte blijkt dat het woonhuis voor een bedrag van drieduizend vijfhonderd twee-en-zestig gulden werd toegewezen aan Jan Tullemans, klompenmaker en winkelier te Weert. Hij verklaarde de woning gekocht te hebben namens Willem Princen, theoloog te Roermond, en diens broer Jacobus Princen, kantoorbediende te Amsterdam. Deze Willem en Jacobus Princen zijn zonen van Frans Princen en Maria Isabella Bovens. Zij kochten dus hun ouderlijk huis, waarschijnlijk om zeker te stellen dat hun moeder, de weduwe Princen – Bovens daar kon blijven wonen.

De pannenbakkerij en de vijf woningen samen werden voor een bedrag van tweeduizend zeshonderd twintig gulden verkocht aan Petrus Judocus Michiel Joosten, graanhandelaar te Weert, die handelde voor zich en voor Isidorus Casimir Franciscus Hubertus van der Heijden, banketbakker te Weert.

Petrus Judocus Michiel Joosten is op 23 oktober 1854 geboren te Weert en op 27 maart 1924 te Weert overleden. Hij is getrouwd met Maria Petronella Hubertina Hobus uit Nederweert.

Het echtpaar Joosten-Hobus heeft negen kinderen gekregen. Behalve graanhandelaar zijn als zijn beroepen in documenten ook slager en veekoopman vermeld.

Isidorus Casimir Franciscus Hubertus van der Heijden is geboren op 6 september 1829 te Weert en op 6 mei 1900 te Weert overleden. Hij is op 13 juni 1853 te Weert getrouwd met Jacomina Rietjens. Het echtpaar Van der Heijden-Rietjens heeft, voor zover mij bekend acht kinderen gekregen. Bij de aangifte van de geboorten van zijn kinderen woonde hij in de Maasstraat en is als zijn beroep bakker vermeld.

De percelen bouwland werden voor een bedrag van driehonderd zesennegentig gulden en zestig cent toegewezen aan Godefridus Jozef Knapen, landbouwer en koopman, te Weert.(17)

Godefridus Josephus Knapen is op 19 maart 1827 geboren te Weert en op 19 december 1897 overleden te Weert. Hij is op 25 november 1851 te Weert getrouwd met Elizabeth Nies. Het echtpaar Knapen-Nies heeft, voor zover mij bekend, tien kinderen gekregen

 

Een probleem

Met de toewijzing op 28 november 1881 leek de zaak van de openbare verkoop van het onroerend goed van moeder en zoon Princen tot een einde te zijn gekomen maar dat was buiten de spreekwoordelijke waard gerekend. De waard in deze zaak was de heer Beke Combret uit Kortrijk. Hij weigerde namelijk doorhaling van zijn hypotheek op de aan Joosten en Van der Heijden verkochte goederen. Joosten en Van der Heijden vonden dat zij een kat in de zak gekocht hadden en eisten van de notaris dat hij zou regelen dat die hypotheek doorgehaald werd. Zonder medewerking van Beke Crombet lukte dat niet en deze bleef halsstarrig weigeren. De notaris zat blijkbaar behoorlijk klem. Op 24 augustus 1882 gaf hij de volgende verklaring af:

“De ondergeteekende J. Th. H. le Brun, notaris te Nederweert, provincie Limburg, verklaart op den 21 Nov. in openbare en op den 28 dezelfde maand finaaal bjj akte van openbare toewijzing ingevolge art. 1223 B.W. vrij en onbelast verkocht te hebben aan P. J.M. Joosten en I. C. F. H. van der Heyden, beiden wonende te Weert een pannebakkerij met toebehoor en huizen gelegen te Weert sectie D, nos784, 832, 833, 834, 835en 836. Hij verklaart dat hij zal zorgen dat de hypotheekschulden die op 28 Nov. 1881 nog op genoemde pannebakkerij stonden voor 1 Jan. 1883 doorgehaald of afbetaald worden en dat hij voor zijne rekening neemt alle kosten en interesten tot zelf de hoofdsom zoo deze van genoemde heeren mocht teruggeeischt worden.

Nederweert 24 Aug. 1882 (getekend) J. le Brun, notaris”.

 

Wie was Charles Beke Crombet?

Charles Beke Crombet bleek na onderzoek Jules Charles Beke te zijn, geboren in 1837 te Wervicq, Frankrijk, en overleden aan tuberculose in 1912 in Kortrijk, België. Hij is in 1866 getrouwd met Emma Crombet, geboren in 1835 te Kortrijk en in 1913 overleden in de Begijnhofstraat te Kortrijk. Charles Beke voegde na het huwelijk de achternaam van zijn vrouw aan de zijne toe. Het beroep van Charles Beke was “négociant en toiles” (handelaar in stoffen). Het echtpaar stond in Kortrijk in aanzien en was daar actief in het kerkelijk leven.

Opmerkelijk is dat de priester-dichter Guido Gezelle een uitgebreide correspondentie in het Frans onderhield met Emma Crombet.(18) In de correspondentie met deze mevrouw, gekweld door angsten en scrupules, legt Gezelle ook zijn gevoelsleven bloot. In een brief van hem aan Emma Crombet staat een raadselachtig zin die vertaald als volgt luidt: “Ik ga ervan uit dat het bezoek zich beperkt tot beleefdheden tenzij er van uw kant vorderingen in een andere richting zijn”.

Charles Beke Crombet had niet alleen aan Princen geld geleend maar ook aan ten minste een andere inwoner van Weert. Dat blijkt uit een advertentie in de Limburger Koerier van 10 augustus 1893, waarin de verkoop van onroerende goederen van Mechtildis Seerden, weduwe van Jan Voncken, werd aangekondigd “ten verzoeke van den heer Charles Beke-Crombet, fabrikant, wonende te Kortrijk (België)”.

 

Naar de rechtbank te Roermond

Op 1 januari 1882 had er nog geen doorhaling van de hypotheek van

Beke Crombet plaatsgevonden. De kopers, Joosten en Van der Heijden, spraken notaris Le Brun aan en sommeerden hem op 18 april 1883 om voor doorhaling te zorgen, echter zonder resultaat. Zij dagvaarden de notaris op 30 april 1883 voor de rechtbank te Roermond om binnen drie dagen na betekening van het vonnis de inschrijving te doen doorhalen. Als dat niet zou gebeuren, eisten zij dat de notaris onmiddellijk aan hen de koopprijs van fl. 2680,- zou teruggeven. Zij zouden die koopprijs dan onder zich mogen houden tot de doorhaling zou hebben plaatsgevonden.

De notaris voerde het verweer dat hij zich alleen verplicht had voor de doorhaling te zorgen zodra dat op grond van een gerechtelijke rangregeling mogelijk was. Anders gezegd: hij was afhankelijk van anderen. Hij vond dat kopers niet-ontvankelijk verklaard moesten worden.

De rechtbank in Roermond nam aan dat de verplichting “om te zorgen” geen verplichting was voor de notaris om zelf de doorhaling te bewerkstelligen maar om een poging te doen dat dat gebeurde. De verplichting om ervoor “te zorgen” was volgens de rechtbank te beschouwen als een morele verplichting. De rechtbank verklaarde de kopers niet-ontvankelijk in hun vordering.

Het gebouw in de Pollartstraat in Roermond anno 2026 waarin van 1822 tot 1996 de rechtbank te Roermond was gevestigd (het voormalig bisschoppelijk paleis). Foto met toestemming van Alard van der Varst makelaars

Joseph Theodor Hubert Le Brun is op 26 januari 1824 geboren te Kessel en overleden op 13 juni 1907 te Venray. Híj was kandidaat-notaris te Helden voordat hij bij Koninklijk Besluit van 12 mei 1886 werd benoemd tot notaris te Nederweert. (19) In hetzelfde jaar werd hij benoemd tot plaatsvervangend kantonrechter te Weert.(20) Na enkele herbenoemingen werd aan hem op 24 juli 1889 eervol ontslag als plaatsvervangend kantonrechter verleend. 

In 1871 bouwde Le Brun in de Kerkstraat te Nederweert een groot huis met stallingen voor zijn gezin en de notarispraktijk. Dat pand werd later aangekocht door dokter van de Wouw. Het bestaat nog steeds en staat bekend als huis Van de Wouw.

Huis Van de Wouw, Kerkstraat Nederweert. Foto: Wil Filott

 

Bij Koninklijk Besluit van 7 september 1893 is aan J. Th. H Le Brun op zijn verzoek eervol ontslag verleend als notaris te Nederweert.(21) Daarvoor was hij al door de rechtbank in staat van kennelijk onvermogen gesteld, zoals uit het Weekblad voor administratie der directe belastingen van 9 september 1893 blijkt.(22)  Die staat van kennelijk onvermogen was een gevolg van de royale levensstijl die het echtpaar Le Brun erop nahield.

Ingevolge de toenmalige wetgeving kon voor een particulier de staat van kennelijke onvermogen worden ingesteld als hij zijn schulden niet betaalde. De gevolgen waren nagenoeg hetzelfde als van een faillietverklaring.(23) Er werden twee bewindvoerders (curatoren) aangesteld namelijk mr. J.G. Tasset, advocaat te Roermond, en P.G. Hobus, wethouder te Nederweert, om de boedel af te wikkelen.(24)

Naar het gerechtshof te `s Hertogenbosch

De heren Van der Heijden en Joosten pikten niet dat de rechtbank te Roermond hen niet ontvankelijk hadden verklaard. Zij gingen in beroep bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Zij vorderden vernietiging van het vonnis van de rechtbank te Roermond en toewijzing van hun vordering. Zij voerden aan dat de goederen ten onrechte vrij van lasten verkocht waren en dat de notaris dat ook erkend had door de bewuste verklaring af te geven.

De notaris schetste de feiten en omstandigheden waaronder de verklaring tot stand was gekomen. Hij bracht naar voren dat op het verkochte goed vier inschrijvingen rustten, drie ten behoeve van Walkers en een ten behoeve van Beke Crombet. De opbrengst was niet eens voldoende geweest om Walkers te betalen.

Van der Heijden en Joosten brachten naar voren da Beke Crombet op 26 november 1881 een gerechtelijke procedure tegen Walkers begonnen was om diens inschrijvingen nietig te laten verklaren. Die vordering was afgewezen maar Van der Heijden en Joosten wisten dat Beke Crombet in beroep zou gaan. Zij vreesden dat zij aan Beke Crombet zouden moeten betalen als zijn beroep zou slagen. Zij verlangden dat de notaris zich zou verplichten de kooppenningen terug te betalen voor het geval in beroep de inschrijvingen van Walkers zou vernietigen en Beke Crombet dan als eerste hypotheekhouder de kooppenningen van hen zou vorderen.

Het gerechtshof overwoog dat ook al zou uit het eerste gedeelte van de verklaring van 24 augustus 1882 kunnen worden afgeleid dat die slechts een belofte bevatte om pogingen in het werk te stellen om de doorhaling te bewerkstelligen dat niet te rijmen was met de rest van de verklaring. Wat betreft het gebruik van het woord “van” in de zinsnede “’zoo deze (de hoofdsom) van genoemde heeren mocht teruggeeischt worden” was het hof van mening dat dit niet anders kan betekenen ”door” omdat anders de tekst zonder zin of doel zou zijn. Het hof meende dat het gebruik van het woord “van” in plaats van “door” in die zin als een germanisme beschouwd kon worden. In de nabijheid van de grens met Duitsland, aldus het hof, sluipt menig germanisme in de taal, zoals ook in de processtukken in deze zaak te zien was.

Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank van Roermond en veroordeelde notaris Le Brun om binnen een maand na betekening van het arrest de betreffend onroerende goederen te ontlasten van alle inschrijvingen en, voor het geval dat hij dat niet zou gebeuren, onmiddellijk aan Van der Heijden en Joosten de koopprijs van fl. 2680 terug te betalen welke kooprijs zij onder zich mochten houden totdat de inschrijvingen zouden zijn doorgehaald.

Waarschijnlijk heeft de notaris dat bedrag aan Joosten en Van der Heijden betaald, maar zekerheid daarover is er niet gelet op de hiervoor vermelde financiële positie van de notaris.

Het voormalige Paleis van Justitie in `s Hertogenbosch rond 1900, waarin het Gerechtshof gevestigd was. Bron: Erfgoed `s Hertogenbosch

De juridische procedure tussen Walkers en Beke Crombet

Zoals we hiervoor hebben gezien, was de vordering van Joosten en Van der Heijden ingegeven door de vrees dat zij nogmaals aan Beke Crombet de koopsom van de pannenbakkerij en de vijf woningen moesten betalen als Beke Crombet de procedure tegen Walkers zou winnen. Beke Crombet stelde in die procedures dat de hypotheken van Walkers nietig waren omdat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten gefingeerd waren. Beke Crombet werd zowel door de rechtbank te Roermond als het gerechtshof in `s Hertogenbosch niet ontvankelijk verklaard. De juridische redenen daarvoor was dat – kort gezegd- een overeenkomst alleen tussen partijen geldt en dat, uitzondering daargelaten, derden zo`n overeenkomst niet kunnen aantasten. De Hoge Raad bevestigde dat in zijn arrest van 24 januari 1892, meer dan tien jaren na het begin van de zaak op 26 november 1881.(25)

Daarmee kwam een eind aan de onzekerheid over de inschrijving van de hypotheek van Beke Crombet.

L`histoire se répète?

Tien jaren na de hiervoor vermelde openbare verkoop in 1881, verscheen in oktober en november 1891 een aantal advertenties in het blad de Zuid- Willemsvaart, waarin de openbare verkoop van exact hetzelfde huis op de Biest, de pannenbakkerij in de buurt van het kanaal en vier arbeiderswoningen aan de kleine weg van Nederweert werd aangekondigd. De verkoop vond plaats in het Bruin Paard (thans de Umbelder) op de Markt te Weert. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wat er na 1881 met dat onroerend goed is gebeurd.

         De Zuid-Willemsvaart, 14 november 1891

De oplettende lezer van de advertentie in de Zuid-Willemsvaart zal gezien hebben dat in de ogen van de opsteller van de advertentie Weert ingelijfd was bij Nederweert.

Epiloog

In dit verhaal is de oprichting maar met name de gedwongen verkoop van de pannenbakkerij van Princen in het Laarveld aan de orde geweest. Vervolgens zijn de juridische problemen na die verkoop vermeld. In het verhaal zijn verder genealogische gegevens van een aantal personen opgenomen.