Wij woonden tot 1957 in de laatste boerderij vóór de Belgische grens aan de Loozerweg. Bij veel mensen is de plek beter bekend als daar waar “Grosveld, de dierenpreparateur” woonde.
De boerderij werd in 1933 gebouwd in opdracht van de “Maatschappij tot exploitatie der steenkolenmijnen Laura & Vereeniging” te Eijgelshoven voor een bedrag van FL. 4000,–.
Het gold als een ontginningsboerderij en viel onder toezicht van ‘ De Nederlandse Heide Maatschappij’. Het werk werd uitgevoerd door J. Heijnen Nederweert Eind.
In water werd voorzien door middel van een waterput waarop aangesloten een koperen pomp. Elektriciteit aansluiting was er niet.

Foto: 1933 boerderij in aanbouw. Toen Lozerweg nr. 9 nu nr. 119.
De eerste pachter was mijn vader M. H. Peeters. Hij woonde met zijn ouders op de St. Petrushoeve aan de Kruispeelweg. Dat is nu Domein Laurabos – Golfbaan Crossmoor , Laurabosweg 8.
Hij wilde graag boer worden en begon op de nieuwe boerderij samen met zijn oudste zus. In 1933 werd al de eerste rogge oogst binnen gehaald. In 1936 trouwde mijn vader met W. Smolenaers , ons moeder. Zij woonde op boerderij ‘D`n Helmonder’ – de boerderij bij De Lichtenberg.’
Het was ‘hard labeur’. De grond was droge, arme zandgrond. Samen met Chel Gielen, een knecht uit België, groef mijn vader de kanaaldijk open om er gresbuizen in te leggen waardoor water uit ‘de knaal’ kon worden ingelaten. Hij had zo zijn eigen ‘vloeiweidesysteem’ : het kanaalwater bevat ook kalk die de nutriënten arme, zure zandbodem wat extra voedingsstoffen gaf.
Onze eerste buren – de familie Janssen – woonden op een boerderij ruim 2 km verder richting Altweerterheide aan de Vetpeelweg. Bij veel Weertenaren bekend als ‘De Frenck’ omdat er later een familie Frencken woonde. De volgende buren waren de familie Cuijpers van D`n Advekaot en Teeuwen van Ceresa. Met de jongste dochter van de familie Janssen ben ik al vele jaren getrouwd. Haar ouders waren een paar keer verhuisd, mijn ouders ook. Uiteindelijk werden wij opnieuw buren en zo is het gekomen….
De weg naar ons dorp Altweerterheide , vijf kilometer verder op, was een rulle zandweg. Wij gingen niet in Altweerterheide naar school , maar naar Budel-Dorplein. Het was uitzonderlijk dat wij als kinderen van de boerderij daar naar school mochten. Er zaten alleen kinderen van de ‘ouvriers’ en ‘employés’ van de zinkfabriek op school. Wij werden ook elk jaar door de schoolarts apart onderzocht. We konden wel eens enge ziekten van de boerderij onder de leden hebben….
Om daar te komen moesten wij eerst ‘de knaal’ oversteken.
Mijn vader had ooit een ‘Parlevinkersboot’ gekocht waarmee hij langs de schepen voer die vanaf het ‘Beuldergaat’ ( het haventje van Dorplein) tot de Belgische grens lagen aangemeerd. Zij moesten worden ingeklaard voordat zij België mochten binnen varen.

Foto: Parlevinkersboot . Voorop Bèr met naast hem broer Theo
Bij ons gemengd bedrijf met koeien, varkens en kippen runden wij ook een winkeltje met ‘koloniale waren’ en verkochten aan de schippers producten van de boerderij en o.a. meel en suiker uit de winkel. Jarenlang hebben wij ook vele gezinnen op Dorplein van aardappelen voorzien. Wij stonden bekend als ‘Oh, da zien d`r van Peeters van ‘’ d’n Erpelenboer”. Daar zetten ze erpel en over”.

Gemengd bedrijf Lozerweg .1957. (is afgebroken)
Dagelijks zette mijn vader ons met de boot over om naar Dorplein te kunnen gaan.
Elke morgen was het weer spannend of de boot niet was gezonken of losgeslagen van de steiger doordat sommige schepen hoge golven vaak in combinatie met harde wind veroorzaakten.
In mijn geheugen staat ook gegrift dat ‘de knaal’ een keer was dicht gevroren, maar een schip er nog doorheen was gebroken. Mijn vader legde een lange ladder over het zwakke middendeel. Daarover liepen wij dan ‘de knaal’ over en vervolgens te voet naar school.
Als het stormde en wij na school niet terug naar huis konden mochten wij blijven overblijven in het kloostergedeelte van Hôtel St. Jozef waar de Zusters der Liefde van de Orde St. Vincentius a Paulo woonden. Ik heb daar ook de kleuterschool doorlopen.
We logeerden in de spreekkamer waar de zusters een opklapbed voor ons neerlieten. `s Avonds rond half tien gingen de zusters eerst naar de kapel. Daarna hoorden wij hen de ijzeren trap oplopen naar hun slaapvertrekken. De laatste zuster die de trap opliep was moederoverste. We hoorden de zusters haar dan een goede nacht toewensen : “Bonne nuit Ma Mère “.
Voor ons was dat het signaal dat wij in het klooster op verkenning uit konden gaan. We hebben er veel beleefd. Zo herinner ik mij dat er op de zinkfabriek iemand was verongelukt en in het klooster van de zusters werd opgebaard. Ik was, zes jaar oud, verplicht naar de dode te gaan kijken.
In de kapel diende ik ook wel eens de mis. In de vloer zat een ‘heilig putje’. Met Pasen werd er weer water gewijd. en als er nog wijwater van het vorige jaar over was of er stond nog wat oude wijn dan werd dat door het heilig putje gegoten ( maar dat laatste niet altijd…. ) . Waar het naartoe ging?
De boot had geen roeispanen. Met een lange stok in het water werd de boot heen en terug geduwd. De wegen naar Dorplein waren verhard met cadmiumsintels , een restproduct uit de ovens van de zinkfabriek.
Van die dienst werd ook gebruikt gemaakt door fabrieksarbeiders uit Altweerterheide; zij moesten soms al om 05.00 uur op de ‘zink’ zijn waar zij eerst, in ieder geval op zaterdag of zondag, een Heilige Mis bijwoonden en daarna aan hun oven ‘charge’ begonnen.
Behalve dat ik in Dorplein naar school ging was ik er ook misdienaar bij eerst rector, later pastoor Thijssen. In de zinkfabriek was er ook een kapel. Soms had ik daar dienst, maar het vaakst in de St. Jozefkerk en een enkele keer in de kapel van ‘Hôtel Saint Jozef’, op Dorplein beter bekend als ‘De Cantine’ bij de Zusters van Liefde van de orde ‘Vincentius à Paulo.’
De kerstvieringen waren hoogtepunten. De kerk werd uitbundig versierd met grote kerstbomen en kleden. De pastoor en zijn mede-concelebranten hadden hun feestelijke kazuivels aan.
Wij misdienaars hulden ons in strak gestijfde togen.
Een paar dagen vóór Kerstmis op 21 december 1955, mijn moeders verjaardag, moest ik gaan oefenen voor de nachtmis op 24 december.
Op de boerderij was het die dag druk. Er moest graan worden gedorst. Een paar knechten kwamen ons helpen. Mijn vader had geen tijd om mij ‘de knaal’ over te zetten.
“ Ich kan wul allein de knaal over”, zei ik.
Voor het eerst stapte ik alleen de boot in , zette mijn fiets erin en stak ‘de knaal’ over.
Uitgedost met een overjas en hoge schoenen aan mijn voeten waagde ik het erop. Op mijn hoofd droeg ik toevallig een hoedje van crêpepapier, overgehouden van een schoolreisje naar Animali. Dat bleek later een belangrijke rol te spelen in mijn overtocht.
De zware ijzeren boot was met een stok en zonder roeispanen moeilijk te besturen.
Aan de overzijde was pas een nieuwe aanlegsteiger gebouwd. De boot kwam haaks aan bij de steiger. Om hem vast te kunnen sjorren moest hij parallel aan de oever worden getrokken. Om dat voor elkaar te krijgen sprong ik uit de boot op de steiger. Bij het bijtrekken van de boot gleed ik uit en viel in het water. Zwemmen kon ik niet. Een paar maal ging ik kopje onder en per toeval sloeg ik hard op de rand van de boot en had houvast. Mijn hoedje was weliswaar ingezakt maar wel op mijn hoofd blijven staan.
Het water was groen van kleur; er stond geen wind. Ik deed mijn uiterste best om in de boot te klimmen maar door de zware overjas en hoge schoenen kon ik mijn kont niet over de rand krijgen. Ik klauterde rond de boot om op meerdere plaatsen te proberen in de boot te komen. Ondertussen heb ik vele ‘oefeningen van berouw’ en ‘weesgegroetjes ‘ gebeden. En vooral heeeel hard om hulp geschreeuwd. Door het lawaai van de dorsmachine werd dat aanvankelijk niet gehoord. Langzaam dreef de boot naar het midden van ‘de knaal.’
Broer Harrie had op een bepaald moment toch het geschreeuw gehoord. “Mam, mam , os Bèr liktj inne knaal’.
In korte tijd stond iedereen van ons gezin die op dat moment thuis was op de dijk en ook de twee knechten stonden erbij. Mijn vader, die niet kon zwemmen, wilde mij komen redden. De anderen moesten hem tegen houden.
Twee van mijn broers konden wel zwemmen , maar schoten niet direct te hulp. Want zij zagen wat ik ook zag maar in paniek mij niet realiseerde. Er kwam een grote lege boot met daarvoor een sleepbootje aangevaren. Hoge golven voor zich uit stuwend.
Vanuit mijn ‘point of view’ waren de golven hoog als tsunami`s waardoor ik nog harder schreeuwde en verder in paniek raakte. Maar zij zagen dat het sleepbootje was losgegooid van de grote boot en op ‘vaart’ was om mij te komen redden. Dat zal men ongetwijfeld naar mij geschreeuwd hebben, maar ik zag alleen grote wit schuimende golven.
De schipper voer pal naast mij , pakte mij bij mijn kraag en haalde mij uit het water. Dat was op het nippertje want ik had hard op de rand van de boot geslagen en mijn hand deed pijn. Op het allerlaatste moment riep ik : “Schipper pak mij!” en liet los. Op dat moment werd ik in mijn kraag gegrepen. Bijna was ik tussen de twee boten alsnog verdwenen. Ik werd naar de kant gebracht, moest een beker warme melk drinken en werd in bed gestopt. Naar schatting heb ik meer dan een uur in het kanaal gehangen.
`s Avonds ging ik met mijn vader weer het kanaal over omdat ik dienst had als misdienaar in het ‘Lof’.
Wat was nu de rol van mijn crêpe papieren hoedje?
De schipper aan het roer van de grote lege boot had met haar verrekijker ‘iets feestelijks’ in het water gezien: mijn feesthoedje ! Zij was naar voren gelopen naar de schipper in de sleepboot , haar man, en had geroepen wat zij zag. Hij gooide het sleeptouw los, kwam in volle vaart op mij af en viste mij uit het water.
Misschien was de schippersvrouw gewaarschuwd door het ‘engeltje ‘dat van mijn schouder naar haar was gevlogen?
Helaas heb ik nooit geweten wie het schippersechtpaar was.
Aldus opgetekend 16 juli 2026
Bèr Peeters, Weert