krantenartikel over film “Aber der Kirche passiert nichts”
Een bijzondere mijlpaal voor ons lid, cineast Peter Crins. De film van hem en Peter Hermans over de Tweede Wereldoorlog in onze regio werd afgelopen maart maar liefst drie keer vertoond in het Duitse Twistringen. (ten zuiden van Bremen).
Hier kwam de Dutise militair Christoph Ahlers van af die in 1944 door het verzet om het leven werd gebracht. Zijn trouwring bleef achter in Leveroy. Vorig jaar overhandigde de zonen van een verzetsman de trouwring aan de zoon van Christoph Ahlers, die zijn vader nimmer gekend had. Dit was aanleiding voor de bioscoop in Twistringen om deze film te programmeren.
De Razzia: het waargebeurde verhaal achter een doodgezwegen oorlogsdrama
Bij een razzia in Molenbeersel op 22 augustus 1944, net voor de bevrijding, wordt de familie van de historicus, journalist en goede bekende van de Aldenborgh, Timmie van Diepen zwaar getroffen. Vijf mensen van hetzelfde gezin overleven de oorlog niet, onder wie zijn overgrootvader Willem Dirkx, die op 14 juni 1908 in Tungelroy aan de Maaseikerweg werd geboren.
De actie blijkt een vergelding voor de aanslag op een Duitse soldaat. Vreemd genoeg lijkt niemand achteraf te weten waarom de herberg van deze familie net het doelwit werd. Volgens de officiële versie van het verhaal was het een vergissing, maar klopt dat wel? Wie schoot de Duitse soldaat neer? En waarom was er na de oorlog geen herdenking voor de toevallige slachtoffers?
In het boek De razzia, dat begin mei 2024 verschijnt, gaat Timmie van Diepen op zoek naar antwoorden. Hij reconstrueert de bewuste dag aan de hand van duizenden pagina’s processtukken, getuigenverhoren en interviews met tientallen betrokkenen en nabestaanden.
donderdagmiddag 22 augustus: Bocholt – Symposium over Filips van Montmorency en Walburgis van Nieuwenaar.
Zodra meer bekend is over deze activiteiten zullen wij u nader informeren. U kunt de data en plaatsen nu al in uw agenda reserveren. Wij hopen u ook dit jaar weer in groten getale te mogen verwelkomen bij de activiteiten van de Cultuurhistorische Zomer.
Dankzij blijvende belangstelling is besloten om al komend najaar te starten met een nieuwe reeks van de cursus Weerterlogie. Liefst 46 getuigschriften Weerterlogie werden onlangs uitgereikt. Samen met deze nieuwe Weerterlogen werd er getoast op de geschiedenis van Weert, die zich in een sterk toenemende belangstelling mag verheugen.
Weerterlogen voorjaar 2024
De cursus Weerterlogie bestaat uit een serie van 8 lessen op dinsdagavonden. Vanaf 8 oktober verzorgen enkele enthousiaste experts een gevarieerde introductie in de geschiedenis en cultuur van de stad Weert. Op het eind van de cursus volgt de feestelijke installatie als Weerterloog.
08 oktober dr. Henk Hiddink over prehistorie en oudheid
15 oktober drs. John van Cauteren over de Middeleeuwen tot de Tachtigjarige Oorlog
22 oktober dr. Jos Wassink over de 17de en 18de eeuw
29 oktober dr. Joost Welten over de Franse tijd
05 november Peter Korten over de 19de eeuw
12 november drs. John van Cauteren over de Weerter kunst
19 november drs. Theo Schers over de beide Wereldoorlogen en het interbellum
26 november drs. Frits Nies over opbouw en afbraak na WO I
Stichting De Aldenborgh wil de belangstelling voor en kennis van de lokale geschiedenis vergroten. Met de opgedane kennis kunnen deelnemers na afloop gemakkelijk hun familie en vrienden rondleiden door Weert. En samen nog meer genieten van deze stad en regio.
Voor wie?
De cursus Weerterlogie staat open voor iedereen met belangstelling en een warm hart voor Weert. Er is geen minimumvooropleiding vereist. De opgedane kennis biedt ook een solide basis voor cultuurhistorisch actieve leden van diverse verenigingen. Het maximumaantal deelnemers is 50 om een soort klassikaal contact tussen docenten en deelnemers te garanderen.
Praktische Informatie
Tijdstip: 19.00 – 21.00 uur
Cursuslocatie: Cwartier, Beekstraat 54
Deelnameprijs: € 121,- (betaling geldt als inschrijving).
Aanmelden: door overmaking van € 121 op bankrekening NL31RABO0176968334 t.n.v. stichting De Aldenborgh Weert onder vermelding van ‘cursus’ en uw naam.
Deelname ook graag doorgeven aan ons secretariaat via info@dealdenborgh.nl.
Ter gelegenheid van het 85-jarig bestaan van De Aldenborgh organiseren we een tweedaagse jubileumexcursie naar Ieper, Westhoek, Kortrijk en Deinze op zaterdag 25 mei en zondag 26 mei 2024. Hieronder lees u daar meer over en vindt u praktische informatie. Wij hopen dat velen van u in de gelegenheid zijn om deel te nemen aan deze jubileumexcursie.
In Flanders Fields
Het ‘In Flanders Fields Museum’ is in de Lakenhal van Ieper gevestigd.
Op zaterdag 25 mei vertrekken we om 07.30 uur richting Ieper. Na een kop koffie bezoeken we het interactieve “In Flanders Fields Museum” in de Lakenhal van Ieper. We maken een reis terug in de tijd naar de “Grote Oorlog” van 1914-1918.
Het “In Flanders Fields Museum” wil zijn bezoekers confronteren met het verleden, maar ook met het heden. Met het verhaal van één bepaalde oorlog op één bepaalde plaats, WO I in de Westhoek, maar ook met het universele thema van de oorlog, die helaas nog altijd op vele plaatsen woedt. Met officiële feiten, data en getallen, maar ook en vooral met persoonlijke getuigenissen van honderden gewone mensen. Het “In Flanders Fields museum” is een interactief herinnerings- en belevingsmuseum, met Wereld Oorlog I als uitgangspunt voor een universele vredesboodschap.
Ieper was een van de grote martelaarssteden van de Eerste Wereldoorlog. Enkele maanden na de Duitse inval in België op 4 augustus 1914 liep het front vast bij deze kleine, middeleeuwse stad. Van oktober 1914 tot oktober 1918 bevond het slagveld zich op luttele kilometers van het centrum van de stad. De loopgraven lagen van noord naar zuid in een boog rond Ieper. In die fameuze Ieperboog of Ypres Salient werden maar liefst vijf bloedige veldslagen uitgevochten.
Op 22 april 1915 begon de Tweede Slag bij Ieper met de eerste grote gasaanval ooit. Het chloorgas doodde duizenden geallieerde militairen, vooral Franse troepen met heel wat Noord-Afrikanen. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat een massavernietigingswapen werd ingezet. Ook later in de oorlog bleek de Ypres Salient een experimenteel slagveld te zijn: hier werd in juli 1915 voor de eerste keer een vlammenwerper ingezet. In juli 1917 was het de beurt aan het verschrikkelijke mosterdgas, ook wel ypérite genoemd.
De Lakenhal van Ieper na het bombardement.
Van 31 juli tot 10 november 1917 woedde de Derde Slag bij Ieper, naar zijn eindfase wel eens als “Slag bij Passendale” aangeduid. Het was een slachting zonder weerga. Over de zin van dit Britse offensief wordt nog altijd gediscussieerd.
In de loopgraven en in het niemandsland rond de stad sneuvelden tussen 1914 en 1918 ongeveer een half miljoen mensen. Onder hen niet alleen Duitsers, Fransen, Britten en Belgen maar ook Marokkanen, Algerijnen, Tunesiërs, Senegalezen, Canadezen, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Zuid-Afrikanen, Chinezen, Indiërs, Jamaicanen en soldaten van vele andere nationaliteiten.
De wederopbouw
Tijdens die vier jaar oorlog werd de stad in het hart van de Ieperboog letterlijk met de grond gelijkgemaakt. De laatst overgebleven inwoners werden reeds begin mei 1915 verplicht geëvacueerd. Vanaf dan woonde er niemand in de spookstad Ieper. Begin 1919 keerden de eerste bewoners naar hun vernietigde stad terug en begon schoorvoetend de wederopbouw.
De eerste jaren woonden de teruggekeerde en de nieuwe Ieperlingen in houten noodwoningen. Vanaf 1921 kwam de wederopbouw pas echt op gang. Nog in de jaren twintig werden meer dan honderdvijftig militaire begraafplaatsen in en om de stad aangelegd. Ook werden monumenten gebouwd waarvan de Menenpoort de belangrijkste is. Die monumenten en begraafplaatsen, maar ook de al dan niet getrouw heropgebouwde huizen en andere gebouwen herinneren ons tot op vandaag aan de zinloosheid van de oorlog en aan de meest tragische periode uit de geschiedenis van Ieper.
In de voetsporen van Jantje Kiggen
Jantje Kiggen uit Weert
Na het bezoek aan het museum kunt op eigen gelegenheid lunchen. Daarna treden we in de voetsporen van kindsoldaat Jantje Kiggen (1898-1979), een geboren Weertenaar die op zeer jeugdige leeftijd gedurende de hele oorlog in dienst van het Belgische leger aan het front in de Westhoek verbleef.
Rob Troubleyn
Aldenborgh-lid en specialist over de Eerste Wereldoorlog Rob Troubleyn zal ons als gids meenemen langs de plaatsen waar ook Jantje Kiggen vier jaar lang de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog meemaakte.
We bezoeken met Rob Troubleyn onder andere Essex Farm Cemetery (Steenstraat), Vladslo (Diksmuide), Dodengang (Diksmuide), een Belgische militaire begraafplaats (Keiem) en Westvleteren.
Loopgraaf in Diksmuide.
DiksmuideDe rouwende ouders van Käthe Kollwitz
Last Post
Omstreeks 17.30 uur zijn we weer terug in Ieper waar men op eigen gelegenheid het avondeten kan nuttigen. Daarna verzamelen we ons omstreeks 19.30 uur om naar de Menenpoort te gaan. De Menenpoort is in 1927 door de Britten gebouwd aan de oostzijde van Ieper, ter nagedachtenis aan de ongeveer 54.900 Britse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld zijn op de slagvelden rond Ieper en wier lichamen nooit werden teruggevonden of geïdentificeerd. Hun namen staan gebeiteld in de wanden van de Menenpoort. De stoffelijke overschotten van deze soldaten liggen ofwel ergens verborgen in de Ieperse velden, ofwel op een oorlogskerkhof rond Ieper, met als vermelding op de grafsteen Only Known Unto God (alleen gekend bij God).
De poort is ontworpen door Sir Reginald Blomfield en heeft de vorm van een Romeinse triomfboog. De poort is opgericht op de plaats waar vroeger de middeleeuwse stadspoort stond, Later stonden bij die stadspoort twee leeuwen aan weerszijden van de weg. Sinds 1929 wordt hier iedere avond, klokslag acht uur, de Last Post opdat we niet vergeten (Lest we forget …) gespeeld; in het begin door een groep klaroenblazers van de Stedelijke Brandweer, nu door een groep Klaroenblazers, leden van de Last Post Association.
Kortrijk
Historische centrum van de stad Kortrijk.
Na het bezoek aan de Menenpoort rijden we naar hotel The Market by Parkhotel, Graanmarkt 6 te Kortrijk. Na het inchecken kunt u op eigen gelegenheid het avondleven van Kortrijk verkennen.
Op zondag na het ontbijt staat een stadsgids klaar om ”Kortrijk te ontdekken”. Samen met de gids bezoeken we het historische centrum van de stad met bezienswaardigheden zoals het stadhuis, het belfort, de Broeltorens, de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het begijnhof.
Deinze
Na het bezoek aan Kortrijk rijden we naar Deinze. Deinze viert dit jaar dat het 500 jaar geleden op kasteel Ooidonk Filips van Montmorency, jawel onze graaf van Horne, is geboren.
Rond de middag gaan we naar Kasteel Ooidonk, waar we als eregast een optocht kunnen aanschouwen met Harmonie Gendt-historisch genootschap Keizer Karel en schutters.
Kasteel Ooidonk
We wonen de voorstelling nieuwe Erfgoedsprokkel “In de sporen van Filips Van Montmorency” bij en gaan luisteren naar Foodarcheoloog Jeroen Van Vaerenbergh.
In het kasteelpark is de evocatie: De Beul, Zijn Vrouw en De Zwijger met Steve De Schepper en Jits Van Belle onder regie van Domien Van Der Meire.
De groep Lattemiele uit Brugge zal met muziek de feestvreugde verhogen. Nancy Lemay brengt de “roddelende keukenmeid” met verhalen over de adel tot leven.
Met een deskundige gids bezoeken we later nog het museum van Deinze om vervolgens de terugreis naar Weert te aanvaarden waar we rond 19.30 uur terug hopen te arriveren.
Praktische Informatie
Wat:
tweedaagse jubileumexcursie naar Ieper, Westhoek, Kortrijk en Deinze
1 overnachting met ontbijt in The Market by Parkhotel, Graanmarkt 6 te Kortrijk
entree en ontvangst met koffie “In Flanders Fields museum” te Ieper
gids in en om Ieper, Kortrijk en Deinze
Aanmelding
Door overmaking van het verschuldigde bedrag vóór donderdag 25 april 2024 op Rabobank-nummer NL31RABO176968334 ten name van stichting De Aldenborgh te Weert onder vermelding van Excursie Ieper. Bij afmelding (alleen bij het secretariaat), waarvoor geen vervanging gevonden wordt, kan helaas geen terugbetaling plaatsvinden.
Deze excursie is voorbereid door onze voorzitter Peter Korten. Voor meer informatie kunt u bij hem terecht (tel. 06-53284665). Wij hopen dat velen van u in de gelegenheid zijn om deel te nemen aan deze jubileumexcursie.
Nadat dr. Liesbeth Theunissen op 4 maart 2024 een lezing had gehouden over de prehistorisch grafvelden op Boshoverheide, lag het onderwerp van vanavond nog dichter bij huis en bij het heden, de geschiedenis van het welzijnswerk in Weert.
Voorzitter Peter Korten heette de bezoekers en in het bijzonder de sprekers van vanavond, de heren Paul Horsmans en Pierre Snijders, welkom. De sprekers kondigde hij aan als Petrus en Paulus. Paul Horsmans verzorgde de presentatie, bijgestaan door Pierre Snijders. Beide heren stelden zich kort voor.
Paul HorsmansPierre Snijders
Paul Horsmans
is na de sociale academie werkzaam geweest in het welzijnswerk in
Eindhoven en Utrecht en sinds 1999 bij Welzijnsopbouw Weert, de voorganger van Punt Welzijn. Thans is hij bestuurder van Unitus, een koepel van welzijnsorganisaties in Noord- en Midden-Limburg.
Pierre Snijders is na de sociale academie werkzaam geweest in jongerencentra in Brabant en vanaf 1971-2004 in Weert. Na zijn pensionering heeft hij het archief van het welzijnswerk in Weert geordend en beschreven.
Het welzijnswerk in Nederland in historisch perspectief
Paul Horsmans schetste de ontwikkeling van het welzijnswerk in Nederland aan de hand van het hierna opgenomen historisch overzicht.
Specifiek voor Weert vermeldde hij dat in Weert en Maastricht na de strenge winter van 1853-1854 de eerste Vincentiusverenigingen in Limburg werden opgericht, in Weert met de naam Weerter Martinusconferentie. Vincentiusverenigingen hielden zich bezig met de zorg voor armen, zowel in natura als met geestelijke (katholieke) hulp.
Hij wees ook op de rol van dr. Poels die zich inzette voor het katholiek sociaal werk ter voorkoming van invloed van het socialisme.
Welzijnswerk tijdens de wederopbouw na WO II
Toeslagzegels. Afbeelding toegevoegd door verslaglegger
Na de bevrijding werd het welzijnswerk weer opgestart met de oprichting van Nederlands Volksherstel. Dit is een organisatie die zich bezighield met stoffelijke en geestelijke hulp aan mensen die, mede ten gevolge van de oorlog, in nood verkeerden. Vermeldenswaard is dat de
kosten van Volksherstel deels gefinancierd werden met de verkoop van Amerikaanse sigaretten en toeslagen op speciale postzegels.
Cirkeldiagram levenswijze
In 1947 werden neutrale Provinciale Opbouworganen in het leven geroepen voor het bestrijden van ‘onmaatschappelijken en asocialen’. Voor het bepalen van mate van onmaatschappelijkheid werd een cirkeldiagram gebruikt, waarbij aan verschillende aspecten van levenswijze punten werden toegekend.
In Weert werd in 1949 bij het Interparochieel Sociaal-Caritief Centrum een betaalde kracht aangesteld. In 1950 opende in Weert een Caritaswinkel. In 1952 kwam er een nieuw ministerie voor maatschappelijk werk met dr. Marga Klompé als eerste vrouwelijke minister in Nederland.
Onderzoek in Centrum Weert en wijk Fatima
Flatgebouw in de Sint Jozefstraat in Keent
Begin jaren vijftig vond er in Weert door het Provinciaal Opbouworgaan Limburg een belangrijk onderzoek plaats naar de ‘onmaatschappelijkheid in Centrum en Fatima’. De uitkomst daarvan was dat een deel van de binnenstad (Hegstraat en Hoge Steenweg) als sloppenwijk werd aangeduid, dat de woningen (krotten) moesten worden afgebroken en dat de bewoners geherhuisvest dienden te worden in nieuwe woningen in Keent.
Stichting Bijzondere Zorg Weert
In 1956 werd een stichting Bijzondere Zorg Weert in het leven geroepen, die zich bezig ging houden met wijkgericht maatschappelijk werk, in het bijzonder de verhuizing van bewoners naar Keent en de begeleiding van gezinnen. Er werd een beroepskracht aangesteld die deel ging uitmaken van de selectiecommissie van “onmaatschappelijken”. De gezinnen waren groot. Het gemiddelde aantal kinderen per gezin bedroeg zeven.
In 1962 kwam het tot de oprichting van de stichting Bijzondere Sociale Zorg St. Jozef Keent, die haar werkterrein uitbreidde tot onder meer opbouwactiviteiten, peuterwerk en immigranten. In 1967 kwam er een nieuw buurthuis in Keent, nadat er vanaf 1962 al een tijdelijk buurthuis in een woning was geweest.
Andere ontwikkelingen in vogelvlucht en steekwoorden
De jaren 60 en 70
Jaren 60: toename welvaart, mijnsluitingen, afzetten tegen kerk, ‘hippies’, verdere democratisering, opkomst buurthuizen.
1965: Stedelijke Jeugdraad met meer dan 50 aangesloten organisaties.
1965: Algemene Bijstandswet, waardoor de materiële armenzorg verschoof van particuliere instellingen naar de overheid.
1968: regionaal samenwerkingsverband voor maatschappelijk werk en gezinszorg.
Jaren 70: oliecrisis. Onder invloed van Den Uijl kreeg welzijn prioriteit boven welvaart.
1970: jongerencentrum Subway in Fatima.
1971: Stichting Samenlevingsopbouw Streekgewest Weert (7 gemeenten) met een bestuur van 21 (!) personen.
1975: Ouderenwerk (De Roos).
1981 Stichting Welzijn Ouderen regio Weert
1979 Buurtopbouwwerk Weert.
De jaren ’80
1980: oprichting REJOIN (Regionale jeugd- en jongeren instelling Weert).
1982: Sociaal Culturele Raad Weert.
Opkomst vrouwengroepen, peuterspeelzalen, vrouwen in de bijstand en VOS-cursussen (vrouwen oriënteren zich op de samenleving).
Nieuwe doelgroepen: ouderen en buitenlandse werknemers, gezinshereniging.
No-nonsens politiek van kabinet Lubbers met minister Elco Brinkman. Bezuinigingen op sociaal werk. Verschuiving van zwaartepunt van subsidies naar gemeenten.
De jaren ’90
Decentralisering: minister Ien Dales vond financiering van maatschappelijk werk geen taak van het Rijk, maar van gemeenten. Bewoners moesten zelf hun buurt aanpakken (voorbeeld: Opzoomeren in Rotterdam). In Weert wijk- en dorpsraden. Veel projecten op basis van een tijdelijke financiering hetgeen belemmerend was voor professionalisering.
De jaren 2000
Fietskar met medewerkers Punt Welzijn
De decentraliseringstendens werd doorgezet. Er kwam een professionaliseringsslag. In 2002 werd in Weert de fusie-organisatie Punt Welzijn opgericht, die sinds 2021 ook in de gemeente Nederweert werkzaam is.
Het werkveld beslaat een aantal thema`s zoals buurtwerk, vrijwilligersinzet, mantelzorg, jeugd-, jongeren- en ouderenwerk, begeleiding nieuwkomers en het bevorderen van een gezonde levensstijl.
De organisatie kent thans ca. 60 professionals, 60 stagiaires en 300 vrijwilligers. Punt Welzijn maakt sinds 2010 deel uit van Unitus, een koepelorganisatie van van welzijnsorganisaties in Midden- en Noord-Limburg
Terugkijkend meende Paul Horsmans te kunnen stellen dat in de afgelopen 70 jaar het sociaal werk in Weert zich steeds ontwikkeld heeft in overeenstemming met de maatschappelijke ontwikkelingen. Vooruitblikkend is het van belang om duurzaam te blijven investeren in de inwoners en hun mogelijkheden.
Vooruitzichten
De zorg in zijn algemeenheid dreigt vast te lopen. Dat komt deels door de toename van het aantal ouderen en de afname van het aantal werkenden. Thans werkt één van de zeven werkenden in de zorg. In de toekomst zou dat één op de drie moeten zijn, een onmogelijke opgave. Als voorbeeld van toenemende zorgvraag werd vermeld dat er voor veel problemen, waarmee mensen bij de huisarts komen, geen medische oplossingen zijn. Inwonersinitiatieven, ondersteund door sociaal werk, zouden in die opgave (deels) kunnen voorzien.
Vragen en discussie
Overzicht bezoekers
Na de pauze was er gelegenheid tot het stellen van vragen. Er werd gevraagd naar de rol van de Maastrichtse sociaal-geograaf dr. Litjens bij het onderzoek naar de onmaatschappelijkheid in het Centrum en Fatima en de gevolgde werkwijze bij de selectie van gezinnen. Dat leidde tot een geanimeerde discussie tussen bezoekers die in het verleden nauw bij het welzijnswerk in Weert betrokken waren.
De vraag werd opgeworpen of de verhuizing van tientallen gezinnen wel ingegeven was door maatschappelijke misstanden in een deel van het centrum of door de politiek, die tot afbraak van de woningen en nieuwbouw wilde overgaan.
Ook werd door een bezoekster gewezen op het nagenoeg ontbreken van buurthuizen in Weert. Er kon een voorbeeld worden genomen aan België, waar in bijna ieder dorp of wijk een dergelijke voorziening aanwezig is. Als reden voor de sluiting van buurthuizen in Nederland werd naar voren gebracht dat deze een sluitende exploitatie moeten hebben.
Ook de toegenomen individualisering werd als oorzaak genoemd. Een bezoeker vroeg zich af of invoering van een sociale dienstplicht geen remedie zou kunnen zijn. Hij verwees in dat verband naar de maatschappelijk stage die enkele jaren geleden in zwang was. Er werd verder naar voren gebracht dat bibliotheken hun werkterrein hebben uitgebreid.
De voorzitter merkte op dat er mogelijk een relatie is tussen enerzijds de sociale problematiek en anderzijds de leegloop van de kerken, de vermindering van het aantal cafés en buurthuizen. Plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.
Tijdig : rede uitgesproken door Dr. H. Poels op den 5en Limburgschen Katholiekendag, Weert 1 juni 1903.
Wat betreft dr. Poels betreurde hij het dat in de recente Canon van Limburg geen venster meer is gewijd aan deze sociale voorman. Maar in Weert blijft zijn naam niet alleen voortleven in een naar hem genoemde straat maar ook in de Tijdigstraat. Deze straatnaam verwijst naar een door dr. Poels op 1 juni 1903 in Weert uitgesproken rede.
Peter Korten bedankte de heren voor hun interessante en onderhoudende lezing en overhandigde hen als dank een exemplaar van het boek ‘Weert, Parel van de heide’.
De Sint Martinuskerk in Weert voor het plaatsen van de toren ‘De Lange Jan’ in 1887 – Bron- Weert in kaart
In het gemeentearchief van Weert bevindt zich een handgeschreven inventarisstaat van de Sint Martinuskerk uit 1816, opgesteld door Joseph Waegemans.[1]
Joseph Waegemans was kerkmeester/kassier van de Sint Martinusparochie in Weert.[2] In 1816 trad hij
Inventarisatiestaat St. Martinuskerk
terug als kerkmeester. Bij gelegenheid van zijn aftreden heeft hij een staat opgemaakt van papieren en van enkele voorwerpen van de parochie die hij onder zijn beheer had. Het document begint met: “Staat van inventaris van het geene annex is ofte toebehoorende aan de parochiale Kerk alhier van Weert, gemaakt den 14 Meij 1816 door De heer joseph Waegemans, afgaande Kerkmeester”.
Het gaat in het kader van dit artikel te ver om een opsomming te geven van alle in de inventarisstaat vermelde 108 documenten en voorwerpen.
Ik volsta met een kleine selectie daarvan. De documenten op die inventarislijstzijn in een aantal categorien onder te verdelen. Ik houd in dit artikel de nummering aan van de inventarisstaat.
Kapellen in de buitenieën
Inventarisatie kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar
Als eerste is in de inventarisstaat een viertal documenten opgenomen over kapellen in de buitenieën, te weten op Leuken, Altweert, Boshoven en Laar.[3] Deze ressorteerden onder het bestuur van de parochie van Sint Martinus. Deze kapellen bestaan nu nog, zij het dat zij zich niet in dezelfde staat of op dezelfde plekbevinden als in het begin van de 19de eeuw.
Als document 5 is in de inventarisstaat opgenomen: “een brief van Tungelroij aangaende een kloksken”.
Brief verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk in Tungelroy
In 1792 was in Tungelroy een begin gemaakt met de bouw van een kerk ter vervanging van een kapel. De eerste steen daarvoor werd gelegd door de pastoor van Weert, Joseph Janssens. De brief hield waarschijnlijk een verzoek in voor een klok voor die nieuwe kerk.[4]
Rentebrieven en obligaties
Verder wordt er in de inventaristaat een groot aantal rentebrieven en obligaties vermeld. Rentebrieven en obligaties zijn documenten waarin vastgelegd is aan wie de kerk geld had uitgeleend en tegen welke voorwaarden.
De opbrengsten van deze geldleningen vormden voor de kerk een belangrijke bron van inkomsten. De schuldenaren zijn met naam in de inventarisstaat opgenomen.
Inventarisatiestaat
Een opvallende naam is die van pastoor Janssens, die bovendien de hoogste schulden had, te weten 970 en 1500 gulden.[5]
De schulden luiden in verschillende denominaties; de meeste in guldens, enkele in francs en pattacons. De reden daarvan is gelegen in het feit dat Weert eind 18de/begin 19de eeuw achtereenvolgens behoorde tot Oostenrijks Opper-Gelre, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
Fysieke voorwerpen
Behalve documenten worden er ook enkele fysieke voorwerpen vermeld: een sluitende lessenaar, een tinnen kelk, een sleutel van het offerblok van Onze Lieve Vrouw, een sleutel van de binnendeur, sleutels van de kleine offerblokken, sleutels van de kast van de schaal, twee zilveren bekers.
Een nieuw kerkhof
Een aantal documenten in de inventarisstaat betreft de aanleg van een nieuw kerkhof. De hierna vermelde documenten hebben betrekking op dat kerkhof:
12 edict van het oprichten van nieuwe kerkhoven buiten de steden 26 juni 1784;
13 conditie van steenbakken voor het nieuwe kerkhof 1784;
14 decreet over de instaatstelling van het nieuwe kerkhof;
Inventarisatiestaat aanleg nieuw kerkhof
15 een brief aan de kerkmeesters der stad Weert, zijnde een bericht, om te ontvangen drie duizend gulden wisselgeld te Brussel, om het nieuwe kerkhof op te bouwen;
16 onderpand voor de interest voor het opgenomen geld van de religie, verordonneerd door de raad en momboir Stiens 1785;
17 accoord voor het metselen rondom het nieuwe kerkhof 1785;
24 ordonnantie van het magistraat, wanneer men moet beginnen te begraven op het nieuwe kerkhof;
27 brief van de momboir met de last om weer te begraven op het nieuwe kerkhof;[6]
31 conditie van verkochte stenen, die nog overgebleven zijn van het kerkhof, daarbij nog een lijstje.
Zoals we hiervoor gezien hebben, heeft een aantal documenten betrekking op een nieuw kerkhof. Dat was voor mij aanleiding om me verder in de totstandkoming daarvan te verdiepen.
Begraven tot eind 18de eeuw
Tot eind 18de eeuw was het gebruikelijk dat geestelijken en (belang)rijke personen in de kerk werden begraven. Minder belangrijke en arme stervelingen werden op het kerkhof vlak bij de kerk begraven. Zo ook in Weert. Voor het begraven in de kerk moest betaald worden. Hoe dichter bij het (hoog)altaar, hoe hoger de prijs. De graven in de kerk waren een belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Het aantal bergraafplaatsen in de kerk was echter beperkt. Daarom werden bestaande graven in de kerk geopend voor nieuwe bijzettingen. Dat leidde tot veel ongemak en – wat wellicht nog erger was- tot grote stank, als de lichamen van eerder begraven doden nog niet geheel waren vergaan.[7]
Sint Martinus, begrafenisregister
De grootouders van moederszijde van kerkmeester Joseph Waegemans, Claudius Emmanuel de Brias (plaatsvervangend schout en belastingontvanger) en Maria Helena van Bree zijn in de Sint-Martinuskerk begraven.
De grootmoeder, Maria Helena van Bree, is op 12 januari 1755 in het koor van de Sint-Martinuskerk begraven te Weert.
Sint Martinus, begrafenisregister
De grootvader, Claudius Emmanuel de Brias, is op 13 februari 1756 begraven in de Martinuskerk midden in het koor.[8] Vermeldenswaard is dat van Claudius Emmanuel de Brias wordt vermeld dat hij `receptor jurium suae majestatis in oppido Werthensis´, ontvanger van de belastingen van hare majesteit (keizerin Maria Theresia) in de stad Weert) was.[9]
Weert in Opper-Gelre, Oostenrijkse Nederlanden
Opper-Gelre (hertogdom Gelre) in 1789
Weert behoorde tot Opper-Gelre (hertogdom Gelre), dat sinds 1715 deel uitmaakte van de zogenaamde Oostenrijkse Nederlanden. Hoofdplaats van Opper-Gelre was Roermond. De regering van de Oostenrijkse Nederlanden zetelde in Brussel.
Portret van keizerin Maria Theresia.Bron- Historiehuis Roermond
Keizerin Maria Theresia van Oostenrijk wilde een eind maken aan de onhygiënische toestanden,
die het begraven in de kerk opleverden. In 1771 gaf ze aan de Raad van Vlaanderen een memorie over de nadelen van de gewoonte om binnen de steden en vooral in de kerken te begraven.
De Raad van Vlaanderen bracht daarover een positief advies uit met onder meer het argument dat men nog van geluk kon spreken als men `s morgens bij het binnentreden van de kerk niet anders ondervond dan een tijdelijk onpasselijkheid. Tot een verbod kwam het echter niet.[10]
Het edict van keizer Jozef II van Oostenrijk over begrafenissen
Keizer Jozeph II van Oostenrijk
Keizer Jozef II van Oostenrijk, oudste zoon van keizerin Maria Theresia, volgde haar op. Zijn optreden kan worden gekenschetst als dat van een verlicht despoot. Hij streefde er onder meer naar de kerk ondergeschikt te maken aan de staat.
Begin van het Edict van 26 juni 1784
Jozeph II vaardigde op 26 juni 1784 het “Edict van den Keyser aengaende de begraeffennissen” uit. Het edict verbood het begraven in kerken, kapellen, bidplaatsen en andere overdekte gebouwen, zowel in de steden als daarbuiten, en het begraven op kerkhoven in de “steden,vlecken en borghten”.
Het werd verplicht om kerkhoven aan te leggen buiten de bebouwde kom. Het edict spreekt over kerkhoven hoewel de begraafplaatsen niet bij een kerk in die kernen gesitueerd mochten worden. De “Bestierders van de Parochien” moesten voor de aanleg en het beheer van die kerkhoven zorgdragen. De magistraat van de stad (het stadsbestuur) moest met toestemming van het gouvernement te Brussel de plaats van het kerkhof aanwijzen.
Het begrafenisverbod in kerken gold niet voor de Oostenrijkse Habsburgers. In de Kapuzinergruft in Wenen zijn 146 lichamen of harten van leden van deze familie bijgezet onder andere van Maria Theresia en Jozef II. Deze grafkelder is thans een toeristische attractie. Volgens artikel 26 van de huidige Nederlandse Wet op de lijkbezorging is een graf of grafkelder in een kerk of een ander gesloten gebouw niet toegestaan. Maar dat geldt niet voor leden van de Nederlandse Koninklijke Familie. Sterker nog: de hele Wet op de lijkbezorging is volgens artikel 87 lid 1 van die wet niet van toepassing op leden van het Koninklijk Huis. De koning en zijn familie staan blijkbaar boven de wet.
De aanwijzing van de plaats van het kerkhof in Weert[11]
Rumolduskapel bij de Molenpoort (Mile Poorte) op Ferrariskaart 1877
In Weert lag het parochiële kerkhof rond de Sint Martinuskerk, dus in de stad. Er moest dus volgens het edict naar een andere plek buiten de stad gezocht worden voor een nieuwe begraafplaats.
Na een vergeefse poging van de magistraat van Weert om het kerkhof van de Minderbroeders aan de Biest en een groot deel van de naastliggende tuin als kerkhof aan te wijzen, viel de keuze op een terrein bij de Sint-Rumolduskapel buiten de Molenpoort.
De magistraat had zonder toestemming en zonder overleg met de gardiaan van het klooster aan de Biest het plan opgevat het kerkhof van de minderbroeders en een deel van de daarbij liggende tuin, die buiten de stad lagen, te bestemmen tot begraafplaats voor Weert. Nadat de gardiaan kennis had gekregen van dat plan, wendde hij zich tot de provinciaal te Brussel. Deze bewerkstelligde dat het plan geen doorgang vond.
Sint-Rumolduskapel 2024 – Foto-Wil Filott
De “Bestierders der Parochie” waren verplicht dat terrein bij de Sint Rumolduskapel te kopen. Het kerkbestuur bleef verantwoordelijk voor de uitbating van het kerkhof. Het kerkhof moest volgens het edict ommuurd zijn. Verder moest er een kruis en een woning voor de grafdelver, die tevens als bewaker zou optreden, komen. Ook moesten de “Bestierders” onder goedkeuring van de magistraat zorgen voor de nodige “bedekte Waegens… om de lyken van de Kapelle, Bid-Plaats of Lyk-Kaemer” naar het kerkhof te transporteren. Als een parochie de kosten van de oprichting van het kerkhof niet kon bekostigen, kon van de Religie-Kas te Brussel een voorschot verkregen worden dat met drie procent rente terugbetaald moest worden.[12] Dat was in Weert het geval. De kerkmeesters van de Sint-Martinus vroegen aan de Religie-Kas voor het oprichten van de begraafplaats een lening van drieduizend Brabantse wisselguldens, die ook toegekend werd.
De totstandkoming van de begraafplaats
De totstandkoming van de begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel liep niet van een leien dakje. De ommuring was niet tijdig klaar; daarom werd er een gracht gegraven. De stenen voor de ommuring werden in een veldbrandoven in de buurt van een leemkuil bij Hushoven gebakken. Het decreet liet toe gedenktekens op de begraafplaats op te richten, maar die mochten geen grondoppervlakte innemen. Ze werden daarom tegen de muur van de begraafplaats geplaatst. Grafmonumenten uit die tijd zijn helaas op de nog steeds in gebruik zijnde begraafplaats niet te vinden. De Sint-Rumolduskapel werd aangewezen als lijkkamer. Overledenen moesten daar voor de begrafenis naar toe worden gebracht. Begrafenissen vonden ’s avonds of ’s morgens vroeg plaats.
In de ”Chroniek der stad Weert van 1784 tot 1802” van Lambertus Goofers staat hierover:
“”…en men kon begraven smorgens vroeg en savons laet; het gebruyk was op savons om sonne ondergank, maer van den waegen en is niets van gekomen; en op de 30 november is hij geweyd met de prosessie, de welke aldaer naer toe trok. En een mens, wel te pas, sprak: morgen word den niewen kerkhof geweyd, wie zal daer eerst op worden begraven? Die mens kwam den zelven dag nog te sterven en hy was den eersten die daer op begraven werdt.”[13]
Problemen met pastoor Janssens
De ingebruikname van het kerkhof leverde problemen op met pastoor Janssens. Deze weigerde de lichamen van de overledenen op die plek buiten de stad te zegenen, omdat dat niet tot zijn taak zou behoren. De binnen- en buitenburgemeesters van Weert wendden zich tot de momboir J. B. Stuers van het Hof van Gelre in Roermond om hun beklag te doen over de houding van de pastoor.[14] Of dat tot iets geleid heeft, is mij niet bekend. De magistraat had vice pastor (onderpastoor) Keuten verzocht de zegening te willen verzorgen. Deze kreeg daar een halve schelling per keer voor, hetzelfde bedrag dat de magistraat ook aan de pastoor had voorgesteld. In een conceptbrief van de magistraat van Weert aan de bisschop van Roermond wordt het probleem geschetst. De magistraat wilde dat hij of vice pastor Keuten een andere priester mochten aanwijzen voor het geval Keuten wegens ziekte of om een ander reden verhinderd was.[15]
Aquarel van Roermond ca 1810. Van links naar rechts: Bisschoppelijk paleis, later rechtbank, kanselarij Hof van Gelre, Hospice-Civil, eertijds woning stadhouder, Munsterkerk voor de ‘restauratie’ door Pierre Cuypers. [16]
De Brabantse omwenteling
In 1789 kwamen de gewesten Brabant en Henegouwen in opstand tegen keizer Joseph II. Directe aanleiding daarvoor waren edicten op bestuurlijk en rechterlijk gebied van 1 januari 1787 in het kader van de hervormingspolitiek van de keizer. De opstand breidde zich uit en had aanvankelijk succes. De gewesten van de Oostenrijkse Nederlanden verklaarden zich op 11 januari 1790 onafhankelijk. Tijdens die zogenaamde Brabantse omwenteling trokken de Staten van Gelderland in Roermond van de zich onafhankelijk verklaarde Gelderse republiek een aantal edicten in, maar niet het verbod op begraven in de kerk. De heerlijkheden Weert, Nederweert en Wessem wilden niet onder het gezag van Roermond vallen en verklaarden zich op hun beurt onafhankelijk. Het verbod op begraven in de kerk en op het oude kerkhof werd echter niet meer in acht genomen. Keizer Leopold II, die de op 20 februari 1790 plotseling overleden Joseph II was opgevolgd, toonde zich toegeeflijker dan zijn voorganger. Hij herstelde oude wetten en kon zo een einde maken aan de opstand. Na het herstel van het Oostenrijks gezag verplichtte de momboir van het Hof van Gelre op 13 april 1791 de kerkmeesters doden weer op het nieuwe kerkhof te begraven.
Lambertus Goofers schrijft hierover:
Brief Lambertus Goofers
“Den Keyser gebiedt nu weder om niet meer te begraven in de kerk en niet meer op den ouden kerkhof (by de kerk), hetwelk weder geschiede sedert het eerste van het jaer 1790, maar nu moet men weder op den nuwen kerkhof altemael en geen in de kerk begraven.”[17]
Het oude kerkhof
Straatnaambord Oud Kerkhof
Na de ingebruikname van de nieuwe begraafplaats bij de Sint-Rumolduskapel verviel de functie van het kerkhof bij de Sint-Martinuskerk. Het naambordje Oud Kerkhof voor de straat aan de zuid- en oostzijde van de Sint-Martinuskerk herinnert nog aan die bestemming.
De begraafplaats anno 2024
Deel begraafplaats Molenpoort 2024. Foto-Wil Filott
De begraafplaats bij de Sint Rumolduskapel aan de Molenstraat is nog steeds in gebruik. Velen hebben hier hun laatste rustplaats gevonden.
Niet alleen katholieke Weertenaren uit de stad en uit de buitenieën, maar ook protestantse Weertenaren. Ook zijn er Franse, Engelse en Duitse oorlogsslachtoffers begraven. Verder zijn er graven van mensen van Molukse, Chinese en Hindoestaanse afkomst, van Islamitische Weertenaren en van woonwagenbewoners.
Enigszins gechargeerd zou men kunnen zeggen dat de inmiddels vergrote begraafplaats een beeld geeft van de multi-etnische en multireligieuze samenleving die het hedendaagse Weert is geworden.
Ik eindig dit artikel met een wens. Moge de huidige en toekomstige beheerders van deze begraafplaats en het bestuur en de gemeenteraad van Weert zich bewust zijn en blijven van de grote waarde als funerair erfgoed die deze oude begraafplaats heeft voor de historie van Weert en voor de huidige en toekomstige inwoners van Weert.[18]
Bronnen
[1] Gemeentearchief Weert (B8.2 par. St. Martinus, inv. nr. 735).
Een kopie van deze inventarisstaat is mij aangereikt door Zef Coenen, waarvoor dank.
[2] Aan Joseph Waegemans en zijn familie hoop ik een apart artikel te wijden.
[3] Er waren in die tijd in Weert meer kapellen dan in de inventarisstaat genoemd zoals Sint Cornelius, Swartbroek, Sint Barbara, Tungelroy, Sint Rumoldus buiten de Molenpoort.
[4] De kerk te Tungelroy was een hulpkerk van Sint Martinus. Pas bij Koninklijk Besluit van 31 mei 1866 werd het beheer van die hulpkerk door de kerkfabriek van Sint Martinus beëindigd. De eerste bestuurders van de zelfstandige parochie St Barbara werden op 5 augustus 1966 geïnstalleerd. Bron: Inventaris Archief Parochie Sint Martinus Weert 1404-1997, C.H.J. Tubée.
[5] Joseph Janssens is op 11 juli 1758 geïnstalleerd als pastoor van Weert. Tijdens de roerige tijden gedurende het bewind van keizer Joseph II van Oostenrijk en de zogenaamde Brabantse Omwenteling en de inlijving bij Franrijk toonde pastoor Janssens zich een standvastig katholieke herder. Over deze priester valt een heel verhaal te vertellen.
[6] De momboir vertegenwoordigde de landsheer, in casu de Oostenrijkse keizer, bij het Hof.
[7] Er wordt wel beweerd dat de benaming “rijke stinkerds” betrekking zou hebben op rijke lieden die in de kerk begraven waren, maar volgens taalkundigen is dat niet waarschijnlijk.
[8] Een koor in een katholieke kerk is het gedeelte waar zich het (hoofd)altaar bevindt.
[9] Veel dank aan Zef Koenen en andere vrijwilligers van het gemeentearchief van Weert voor het duiden van het moeilijk leesbare suae majestatis.
[11] Een uitgebreide beschrijving is te vinden in ”Een verplichte begraafplaats voor Weert”, Emile Haanen. De Maasgouw, 121, 2002, 2, pag. 62 e.v.
[12] De rente over het voorschot moest betaald worden aan de administrateur van de opgeheven kloosters in Roermond, Franciscus Bernardus van der Renne. Vermeldenswaard is dat Constantin Emanuel Hubert Waegemans, zoon van kerkmeester Joseph Waegemans, op 20 september 1853 te Roermond trouwde met Maria Agnes Alexandrina Louisa van der Renne, een nazaat van deze administrateur.
[13] “Chroniek der Stad Weert 1784 tot 1802”, Lambert Goofers, uitgegeven door Jos. Habets in “Publications de la Societé historique et archéologique dans la Duché de Limbourg”, deel 25, pag. 367.
[14] Momboir Stuers, griffier Van der Renne en kanselier Luytgens zijn tijdens de Brabantse Revolutie door Weertenaren gevangengenomen en naar Brussel gebracht. Na korte tijd werden ze weer vrijgelaten. Jhr. Mr. Victor Eugène Louis de Stuers, een kleinzoon van de gevangengenomen momboir, is vanaf 1901 tot 1916 namens de kring Weert lid geweest van de Tweede Kamer. In Weert, Moesel, is een straat naar hem genoemd.
[15] “Een verplichte nieuwe begraafplaats voor Weert”, pag. 70.