Ter gelegenheid van de viering van het 17e lustrum van Geschied- en Oudheidkundig Genootschap Aldenborgh komt op zondagmiddag 10 maart a.s. de rijke geschiedenis van Weert weer even tot leven. De 85-jarige Aldenborgh en 144-jarige harmonie St.-Joseph 1880 bundelen voor deze feestelijke gelegenheid hun kennis, kunde en krachten in het Weerter Munttheater voor de presentatie van het jubileumprogramma Wereldse Weertenaren.
Docent van de Aldenborgh-cursus Weerterlogie, auteur en columnist Frits Nies, zal de middag inluiden en duiden middels een gesproken column.
Loop van de geschiedenis
Er zijn niet alleen in de afgelopen 85 jaar, maar ook al (ver) vóór die tijd meerdere Weertenaren geweest met een stip op de horizon (ver) buiten het zicht vanaf de Martinustoren. Ieder op eigen wijze en op eigen plek hebben zij in de wijde wereld een steen(tje) verlegd in de loop van de geschiedenis. Het zijn onze Wereldse Weertenaren die we bij deze gelegenheid terugbrengen voor het Weerter voetlicht.
Portretten
De volgende vertellers voeren u mee naar de wereld van enkele van die Weertenaren:
Rob Troubleyn, luitenant-kolonel b.d. en onderzoeker bij Kenniscentrum In Flanders Fields Museum in Ieper (B);
Alfons Bruekers, publicist en verteller van de Erfgoedgemeenschap Nederweert;
Peter Korten, onderzoeker en voortrekker van De Aldenborgh Weert.
Zo kunt u onder meer een aangrijpend portret tegemoetzien van een Weerter kindsoldaat die diende in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. En u ontdekt het leven van een beroemde architect die vanuit Weert afreisde om zijn stempel te drukken op het aanzien van een opkomende wereldstad.
Regisseur/acteur Johan Korten uit Stramproy kruipt in de huid van de eerste Weerter cowboy in het Wilde Westen, bijgestaan door een Amerikaanse acteur uit B-films in wie sommigen van u nog Ronald Reagan zullen herkennen.
Bewegende beelden
De voorstelling wordt verder ingekleurd met gefilmde verhalen en beelden van Weertenaren, geregistreerd door de filmmakerPeter Crins. Zijn visuele bijdragen voegen een extra dimensie toe aan de reis door de geschiedenis van Weert. En ja, Tjeu Jonckers (1905-2011) – wie kent hem inmiddels niet – komt ook weer aan het woord.
Muzikale omlijsting
Op het podium van het Munttheater prominent aanwezig deze feestmiddag rond Wereldse Weertenaren: de in de negentiende eeuw opgerichte Harmonie St.-Joseph 1880 (de kerkelijke). Deze muzikanten spelen onder leiding van dirigent Bart Deckers prachtige uitvoeringen van Les Misérables en Once Upon a Time in the West.
Zangeres Linda Smeets zal in de rol van de legendarische Weerter Antje vanne Stasie een voorproefje geven van Antje – De Musical, die op 17, 18 en 19 mei wordt opgevoerd in de open lucht op het Stationsplein Weert.
Tot slot ook nog een wereldpremière: de uitvoering van fonkelnieuw werk van Weerter componist Frits Kessels jr.
Praktische informatie
De entree bedraagt € 18,50 inclusief pauzedrankje. Kaartjes zijn hier te bestellen.
Telefonisch kunt u kaartjes bestellen van dinsdag t/m vrijdag van 11.00 tot 12.30 uur en van 13.00 tot 17.00 uur door te bellen naar: +31 (0)495 513575. U kunt ook kaartjes kopen aan de theaterkassa, die geopend is op donderdag en vrijdag van 13.00 tot 16.00 uur en één uur voor het begin van elke voorstelling.
Op zondagmorgen 26 juni 1927, een frisse, bewolkte zomerochtend, begaven kerkgangers in Weert zich in alle vroegte naar de St. Martinuskerk om daar de eerste mis bij te wonen. Tot hun verbazing zagen zij dat her en der in de stad biljetten waren aangeplakt.
Wat was er aan de hand?
Op de biljetten was het volgende te lezen:
“Limburgers! Brabanders!
Laat niet langer uw belangen opofferen aan de hebzucht der Amsterdamsche en Rotterdamsche kooplieden, die alles doen wat in hunne macht is, om U te verdrukken en te vernederen.
Wij Limburgers en Brabanders die onder die immer groot wordende verdrukking smachten, hopen dat al onze broeders, wanneer het uur der bevrijding zal slaan, hand in hand zullen gaan en alles opofferen tot het afschudden van dit ondraagbaar juk, voor de bevrijding van Godsdienst, land en volk.
En wees zeker, dat de Belgen, waarvan wij weggerukt zijn, gelijk een kind van zijn moeder, nevens ons zullen staan om ons uit die slavernij te bevrijden.
Harten hoog! Leve Brabant en Limburg, meester zijner toekomst”.
Uit de tekst doemt het beeld op van een onderdrukt en uitgebuit Brabant en Limburg. En dat de Belgen klaar staan de Limburgers en Brabanders, die van België “weggerukt zijn gelijk een kind van zijn moeder” te bevrijden uit de slavernij.[1] Het pamflet is anoniem, maar de woorden “Wij, Limburgers en Brabanders” suggereren dat het een actie betreft van Brabanders en (Nederlandse) Limburgers.
[i] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.
Hoe was de gang van zaken bij de nachtelijke plakkerij in Weert?
Het Kanton Weert berichtte in zijn editie van 1 juli 1927 onder de kop ‘De annexionistische Belgen weer aan het werk’ het volgende over deze aangelegenheid.
In de nacht van zaterdag op zondag hebben annexionistische Belgen weer een “aanval” op Nederland gedaan. Op verschillende plekken hebben zij biljetten aangeplakt. De biljetten zouden zijn aangeplakt door twee wielrijders die tegen middernacht de stad binnenfietsten. Later hadden ze de weg terug naar België gevraagd. De biljetten zijn niet lang zichtbaar zijn geweest omdat de bevolking ze afgerukt en vertrapt heeft.
Het blad Het huisgezin had een meer gedetailleerde beschrijving van de gebeurtenissen: Twee fietsers zouden achter een langzaam rijdende auto vanaf het kanaal, vermoedelijk uit Belgische richting, om kwart voor twaalf Weert binnengekomen zijn. Waarschijnlijk was de auto de Maasstraat binnengereden. De fietsers waren doorgereden richting station waar zij aan een inwoner de weg naar het kanaal hadden gevraagd. Omdat het slecht weer was, waren er maar weinig mensen op de been. De heldendaden van de fietsers had men dan ook niet gezien. Toen inwoners `s morgens naar de kerk gingen, zagen zij overal op de huizen en vensters pamfletten van ongeveer 40 bij 25 centimeter aangeplakt. De verontwaardiging bij de bevolking daarover was zo groot dat ze direct werden verscheurd.[2]
Wat speelde op de achtergrond voor de plakactie?
Na de Eerste Wereldoorlog was er in België een beweging ontstaan die streefde naar annexatie van in haar ogen in 1839 ten onrechte aan België ontnomen gebieden, met name de Nederlandse provincie Limburg en Luxemburg. Verder wilde zij ook Zeeuws-Vlaanderen annexeren. Bij de vredesconferentie van 1919, met onder andere Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, over de voorwaarden voor een verdrag met het verslagen Duitsland, bracht België de annexatiewensen in. België had zwaar geleden onder de oorlog. Ook was er niet veel sympathie voor Nederland, ook niet bij de geallieerden. Hoewel Nederland in de oorlog officieel dan wel neutraal was geweest, had het er in Belgische ogen toch de schijn van dat het Duitsgezind was. Dat werd onder andere afgeleid uit de toestemming van Nederland – tegen de zin van de geallieerden – voor de doortocht in november 1918 van Duitse troepen van Maaseik via Roosteren en Susteren naar Duitsland. Ook het verlenen van asiel aan de gevluchte Duitse keizer Wilhelm II, waarin men -waarschijnlijk niet ten onrechte – de hand van koningin Wilhelmina bevroedde, had kwaad bloed gezet. Ondanks de geringe sympathie voor Nederland werden de wensen van België niet ingewilligd.
Enige reacties uit België?
De officiële reactie van de Belgische regering was dat het kwajongensstreken betrof. Actie werd er niet ondernomen. Het annexionisme leefde nauwelijks in Vlaanderen. Het was in het bijzonder een streven van Franstalige Belgen.
Het Belgische annexionistische blad La Nation Belge maakte op zondag 26 juni 1927 reeds melding van de plakkerij, die ongeveer op hetzelfde tijdstip plaatsvond als het drukken van het blad. Het bericht in de krant was blijkbaar al geschreven voordat de plakactie in Weert daadwerkelijk had plaatsgevonden.
De krant opende het artikel met de kop Des Limbourgois dégoutés de la Hollande (Limburgers walgen van Holland). In de aanhef stond dat een actieve groep Limburgers en Brabanders die nacht op een groot aantal kerken en huizen affiches had aangeplakt, met name in Budel, Weert, Ittervoort en Hunsel. De Franse vertaling van het `s nachts aangeplakte biljet stond ook al in het artikel, een bewijs te meer dat de krant nauw bij de actie betrokken was.
La Nation Belge, 27 juni 1927
In Weert had men het plaatselijke agentschap van de Limburger Koerier, een verwoed anti-Belgisch orgaan, geheel volgeplakt met meerdere biljetten biljetten.[3] Het blad meldde ook dat het volk de oproep met sympathie besprak tot de biljetten op last van de autoriteiten werden afgescheurd.
De waarheid was dat slechts weinigen de biljetten gezien hadden. De bevolking had de biljetten onmiddellijk afgerukt zonder bevel van de autoriteiten.[4]
Aan de Vlaamse kant van de grens was men gebelgd over het gebeurde. In de woorden van een burgemeester van een dorp in de grensstreek: “Wij zijn verontwaardigd en schamen ons over het optreden van enkele landgenoten – van wie weet gekomen – om den vrede en vriendschap die hier steeds heerschen, te verstoren. Het is een kinderachtig optreden van enkelen zonder verantwoordelijkheidsgevoel”.
Een verholen dreigement
In de Bredasche courant stond een lange, ingezonden brief van een zekere mr. A.J van Vessem, waarin hij het achterwege blijven van maatregelen van de Belgische en Nederlandse regeringen tegen de propaganda van de Belgische annexionisten fel hekelde. Tegenover het streven van een aantal Belgen om Nederlands Limburg te annexeren en zodoende de grens met Nederland te verleggen, schreef hij dreigend: “Kunnen de Belgen voor de verlegging naar het Noorden slechts rekenen op de medewerking van enkele hondsche Groenendalers, wij kunnen voor de verlegging naar het Zuiden rekenen op de medewerking van machtige, tot daden voor een hoog ideaal bereide ontevreden Volksgroepen in Vlaanderen”.[5]
Was Weert die nacht het enige doelwit?
Ook in Hunsel en Ittervoort werden in die nacht biljetten met dezelfde tekst aangeplakt. Een inwoner van Hunsel die rond half elf `s avonds per fiets naar huis ging, had halverwege Ittervoort en Hunsel een tweetal personen met een fiets aangetroffen. Hij was afgestapt en had hen gevraagd wat ze kwamen doen. Te voet gingen zij samen verder. Een van de Belgen bleef achter omdat hij voorwendde pijn in zijn been te hebben. Waarschijnlijk had die de biljetten aangeplakt. Net zoals in Weert zouden de biljetten `s morgens vroeg door de bevolking verwijderd zijn.[6]
Wie zat er achter de actie?
De actiefste annexionistische beweging was Le Comité de politique nationale. In een brochure van 1919 met de titel La protestation du Limbourg poneerde het comité de stelling: “C’est malgré lui que le Limbourg est devenu hollandais” (Limburg is zijns ondanks Hollands geworden).[7]
Kaart van België met in rood de gebieden die volgens Le comité de politique nationale in 1839 aan België waren ontnomen of aan haar geweigerd. Bron: https://www.ny-web.be/artikels/belgie-la-carte/
De Limburgse bevolking was echter na de Eerste Wereldoorlog in meerderheid tegen annexatie door België. Dat gold ook voor de katholieke kerk. Dat kwam onder meer tot uiting in de oprichting van het comité Le Limbourg à la Hollande, waarin notabelen uit de provincie en vertegenwoordigers van Limburgse standsorganisaties van boeren, middenstanders, werklieden en journalisten deel van uitmaakten. Zij publiceerden een manifest, waarin zij de Limburgse bevolking opriepen om te protesteren tegen de Belgische annexatiewensen. Ook werden er veel telegrammen met aanhankelijkheidsbetuigingen van onder meer gemeenten naar koningin Wilhelmina gestuurd.[8]
Een dissident met een kleine Weerter connectie
Zoals we hiervoor hebben gezien, keerden Limburgse organisaties, de katholieke kerk en Limburgse overheden zich tegen de Belgische aanspraken. Dat gold ook voor de Limburgse vertegenwoordigers in het Nederlandse parlement met één uitzondering.
Kiesdistrict XI Weert
Henri van Groenendael, in 1916 in de Tweede Kamer gekozen door het kiesdistrict Weert, zou zich een voorstander van de Belgische aanspraken getoond hebben en voor een volkstemming in Limburg zijn over de toekomst van de provincie.[9]
Ook in de Tweede Kamer kwam dat tot uitdrukking. Zijn pleidooi voor een volkstemming in Limburg werd uitgelegd als steun voor België. Het leidde ertoe dat hij per 1 oktober 1919 werd geroyeerd als lid van de R.K.-kamerfractie.[10] Hij bleef als onafhankelijk lid in de Tweede Kamer zitten. Hij kan beschouwd worden als de eerste ‘zetelrover’ in het Nederlandse parlement. Bij de verkiezingen In 1922 probeerde hij weer in de Tweede Kamer te komen.
Inmiddels was in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen ingevoerd, in 1918 het kiesstelsel met districten gewijzigd in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en in 1919 het algemeen kiesrecht voor vrouwen ingevoerd.
In de verkiezingscampagne liet Van Groenendael vanuit een vliegtuig verkiezingsbiljetten uitstrooien over dorpen langs de Maas. Die voor die tijd spectaculaire verkiezingsstunt leverde echter geen succes op, integendeel. Van Groenendael kreeg maar 1636 stemmen. Hij kwam er meer dan 20.000 tekort voor een kamerzetel.[11]
Henri van Groenendael
Mr. dr. Henricus Antonius Godefridus van Groenendael was een telg uit een aannemers- en architectenfamilie in Nunhem. Hij is op 20 mei 1904 te Couillet, Henegouwen, getrouwd met de Belgische Albine Camille Maria Augusta Ghislaine Marsigny. Het echtpaar heeft 11 kinderen gekregen. De oudste twee zijn geboren in Maastricht, de volgende zes in Zwolle, de twee daarna in Sittard en de jongste in Angers, Frankrijk, naar welke plaats het echtpaar na de voor Henri van Groenendael desastreuze verkiezingen in 1922 was verhuisd. Henri van Groenendael is op 22 mei 1944 overleden te Brussel.
Wat was de directe aanleiding voor de actie?
Nederland en België hadden in 1925 na lange onderhandelingen overeenstemming bereikt over een verdrag over een herziening van een aantal punten in het scheidingsverdrag van 1839 tussen België en Nederland. Het verdrag behelsde onder andere een regeling over het beheer van de Schelde, de positie van de Antwerpse haven en de aanleg van een kanaal tussen Antwerpen en de Rijn door Limburg.
De Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers keurde in juli 1926 met een zeer grote meerderheid het verdrag goed. Ook de Nederlands Tweede Kamer nam het aan, zij het met een kleine meerderheid. De Eerste Kamer verwierp het echter op 14 maart 1927.[12] Daaraan was het verzet tegen het verdrag in Rotterdamse en Amsterdamse havenkringen niet vreemd.[13] De verwerping wekte natuurlijk wrevel op in België. En het was koren op de molen van de annexionisten in België.
Was de nachtelijke actie in Weert de eerste?
Behalve de in dit artikel beschreven actie in Weert, Hunsel en Ittervoort, hadden al eerder andere plaatsen in Limburg kennisgemaakt met Belgische pamfletten. In de Limburger koerier van 11 april 1927 verscheen een bericht onder de volgende kop: EEN BELGISCHE RAID IN LIMBURG – Huurlingen van het Belgisch Comité de Pol. Nationale.
Afgaande op die kop zou men kunnen menen dat er een militaire inval van een Belgisch huurlingenleger had plaatsgevonden. In werkelijkheid waren in die nacht een vijf- of zestal Belgen de Maasbrug van Maaseik naar Roosteren overgestoken. In Roosteren en Dieteren, gemeente Susteren, hadden zij plakkaten aangeplakt met verschillende teksten waarin werd opgeroepen tot herroeping van het verdrag van 1839.
Een van die teksten luidde als volgt: “Limburg wordt verlost van de Hollandsche Protestantsche verdrukking en hebzucht. België wenscht geen verovering van land noch burger, maar eischt herstel van `t opgedrongen verdrag van 1839 en vooral vrije verbindingen met Limburg en de Maas en de vrijen doorgang per spoor, weg en kanaal naar het Rijnland. De dam van 1839 tusschen Limburg en België opgeworpen moet weg. De voorspoed en de toekomst van Limburg liggen in `t Westen en in `t Zuiden met en bij België en niet te Rotterdam en in het Noorden”.
Eind april 1927 waren vanuit een vliegtuig duizenden Belgische vlaggetjes met pamfletten boven Maastricht afgeworpen. In Spekholzerheide waren geschriften in de buurt van de ”Belgische” mijn Willem-Sophia, bij mensen onder de deur geschoven.
Een bericht uit Maaseik
Ik wil dit artikel afsluiten met een raillerend bericht in het Maeseycker Weekblad. Daaruit blijkt dat daar de acties niet serieus werden genomen.
“Waren wij in de plaats der Hollanders, wij zouden toch zoo zeer op ons gemak niet zijn. Ziet eens Roosteren, Dieteren en Susteren werden stormenderhand ingenomen, nu een paar maanden geleden door eenige nachtridders, die per auto te Maeseyck de brug overstaken; later werd Maastricht met papierkens gebombardeerd uit een vliegtuig, dat eenige duizenden meters boven de stad zweefde; en nu is het de beurt aan Ittervoort, Hunsel en Weert die eenvoudig ingenomen werden door een paar mannen per fiets. Wat ware de Duitschers, vergeleken met die helden? Met duizenden bestormden zij gedurende veertien dagen den Yzer en slaagden er niet in de minste brok grond te veroveren. Thans gaat dat eenvoudiger; met steekt eenige papierkens op zak, springt op een fiets, en `s nachts, als het goed donker is, plakt men die op een pomp of op de deur van een koestal en zie: de streek is geannexeerd. Het beste wat die “helden” zou kunnen overkomen ware, dat zij eens betrapt worden door den een of anderen “sjampetter” die hun eens duchtig de ooren wreef en hen niet losliet, dan nadat zij op de knieën vergiffenis voor hunne (daden) zouden hebben afgesmeekt, en de stellige belofte afgelegd niet meer in die zonde te hervallen. `k Wed voor al wat ge wilt dat het voorgoed gedaan ware met die kinderachtige streken”.[14]
Tot slot
Het aanplakken van biljetten in Weert was een laatste stuiptrekking van een zieltogende annexionistische beweging in België. Bij gebrek aan steun in België ging de beweging ter ziele. Le Comité de politique nationale werd in 1930 formeel opgeheven.
Bronnen
[1] Gedoeld wordt op de deling van de provincie Limburg in 1839 bij het Verdrag van Londen in een Nederlandse en Belgisch deel.
[2] Het huisgezin, 27 juni 1927.
[3] Het agentschap van de Limburger koerier was gevestigd in de Langstraat 380.
[4] Het Kanton Weert, 59ste jaargang, no 266, vrijdag 1 juli 1927.
[5] Bredasche courant, 27 juni 1927.
[6] De Nieuwe Koerier, 27 juni 1927.
[7] De brochure La protestation du Limbourg bevatte overdrukken van redevoeringen in het Belgisch parlement in 1831 en van verzoekschriften, die vanuit Nederlands Limburg in 1838 naar Brussel waren gestuurd om niet in te stemmen met teruggave van Nederlands Limburg aan de Hollandse koning. De brochure werd met name in Frankrijk verspreid.
[8] Meer hierover in het grotendeels Franstalige boek “La petition du Limbourg hollandais, 1918-1919, Ruremonde, Romen & Fils”.
[9] In 1916 gold een districtenstelsel met kiesrecht voor een beperkt aantal mannen.
[10] “Limburg. Een geschiedenis, vanaf 1800”, pag.84.
[11] htttps://11.nl/stemmen-uit-het-limburgs-verleden-henri-van-groenendael en “ Limburg en het Belgisch annexionisme 1918-1920”, Kasper Wagemans, pag. 118 e.v..
[12] Meer hierover in het boek “De Lage Landen 1780/1980, Twee eeuwen Nederland en België”, E.H. Kossmann, pag. 57 e.v..
[13] De Brusselse krant La Libre Belgique schreef over het aanplakken van pamfletten in Roosteren en Dieteren: “Er wordt beweerd dat het Belgen zijn, die de daad van straatbengels hebben begaan. Wij gelooven veeleer dat het Rotterdammers zijn, tegenstanders van het Hollandsch-Belgisch verdrag, want zulke kinderachtige streken zijn alleen in het belang van de tegenstanders van een overeenkomst tussen beide landen.” Het volk, 12 april 1927.
Al ruim één procent van de Weertenaren mag zich al Weerterloog noemen. De jongste is 15 en de oudste maar liefst 93 jaar. Door de nog steeds toenemende belangstelling voor het lokale verleden zal er ook in op 20 februari 2024 weer een cursus starten. Weerterlogie, dan weet je wat van je stad!
In een serie van 8 dinsdagavonden verzorgen enthousiaste experts een gevarieerde introductie in cultuur en geschiedenis van Weert. Elke reeks eindigt met de feestelijke installatie van de nieuwe Weerterlogen door uitreiking van een fraai getuigschrift.
Voor wie?
De avondcursus Weerterlogie staat open voor iedereen met belangstelling en een warm hart voor Weert. Er is geen vooropleiding vereist. De opgedane kennis biedt ook een solide basis voor cultuurhistorisch actieve leden van diverse verenigingen.
Met de opgedane kennis kan iedereen na afloop de naaste omgeving verrassen met een inhoudelijke rondleiding door Weert en zo nog meer genieten van stad en regio.
Cursusdata Weerterlogie – voorjaar 2024
Hieronder een overzicht van de dag, de onderwerpen en de deskundige sprekers.
Datum
Onderwerp
Door
20 februari
Prehistorie en Oudheid
dr. Henk Hiddink
27 februari
Middeleeuwen / Tachtigjarige Oorlog
drs. John van Cauteren
5 maart
17e en 18e eeuw
dr. Jos Wassink – LET OP: een andere locatie:
door omstandigheden gaat de les van 5 maart door in de foyer van het Munttheater, Collegeplein 3 te Weert.
12 maart
Franse tijd
dr. Joost Welten
19 maart
19e eeuw
Peter Korten
26 maart
Weerter kunst
drs. John van Cauteren
2 april
WOI, WOII en Interbellum
drs. Theo Schers
9 april
Opbouw en afbraak na WO II
drs. Frits Nies
Praktische Info
Tijdstip: 19.00 tot 21.00 uur
Cursuslocatie: Antje van de Statie, Stationsplein 1, 6001 CH Weert. Let op: Door omstandigheden vindt de cursusles op 5 maart plaats in de foyer van het Munttheater – Collegeplein 3 te Weert.
Deelnameprijs: € 121,- (betaling geldt als inschrijving).
Aanmelden: door overmaking van € 121 op bankrekening NL31RABO0176968334 t.n.v. stichting De Aldenborgh Weert
Met het houden van lezingen, excursies, Gluren bij de buren, symposia, theatershows, cursus Weerterlogie en het uitgeven van boeken geeft De Aldenborgh de Weerter geschiedenis een podium.. “Altijd met een link naar Weert”, zegt voorzitter Peter Korten.
In het ‘clublokaal’, brasserie-hotel Antje van de Statie, vertellen vier leden over hun passie voor geschiedenis en in het bijzonder die van Weert. Het zijn Marianne Langeslag (bestuurssecretaresse SJG), Anneke Ronteltap-Stijnen (oud-docente Nederlands van het toenmalige Bisschoppelijke College) Bouke Kouters (sociaal werker Punt Welzijn) en voorzitter Peter Korten.
Opa’s
Wat opvalt, is de rol die hun opa’s hierbij speelden. Zo bouwde de opa van Marianne Langeslag mee aan de spoortunnel in Weert. “Als ik door de tunnel loop, ben ik best trots. Het voelt een beetje als ‘mijn’ tunnel”, vertelt Marianne. Van kinds-af-aan is Marianne geïnteresseerd in de geschiedenis. “De vraag waar kom je vandaan, prikkelt me. Geschiedenis gaat over mensen en de verhalen erachter.” Marianne heeft de cursus Weerterlogie gevolgd en is sinds 2021 bestuurslid van De Aldenborgh.
Verhalen vertellen
Voor Anneke Ronteltap-Stijnen is geschiedenis vooral verhalen vertellen. Hoe gingen mensen met elkaar om? Hoe plaats je iets in de tijd? Ze weet nog dat haar opa van haar opa van moederskant imker was en bijen hield op de Boshoverheide. “Bij toeval groef hij daar urnen op uit de grond. Urnen die nu nog steeds in het museum liggen.” Anneke is sinds 2000 lid van De Aldenborgh en was van 2002 tot 2010 bestuurslid.
Nieuwsgierig
De opa van Bouke Kouters was een goede verhalenverteller. “Hij wakkerde de interesse bij mij aan voor alles wat er niet meer was.” Archeologie is helemaal zijn ding. Het begon met de opgravingen op Kampershoek in 1996. “Ik ben nieuwsgierig naar waarom mensen doen wat ze doen en waarom de dingen zijn, zoals ze zijn.” Tijdens het archeologisch onderzoek in de Paterskerk kwam Bouke in contact met Peter Korten en sinds 2018 is hij bestuurslid van De Aldenborgh.
Mijlpalen
In 1939 werd De Aldenborgh opgericht door onder andere de burgemeesters van Weert, Stramproy, Nederweert paters Franciscanen en ‘professoren’ van het Bisschoppelijk College. De naam is ontleend aan het eerste kasteel van de graven Van Horne aan de Biest in Weert. Het genootschap was een gesloten club met een wetenschappelijke inslag. “Een ballotagecommissie besliste of je lid mocht worden”, herinnert Peter zich, die zo’n veertig jaar lid van De Aldenborgh is en twintig jaar voorzitter. “Tegenwoordig kan iedereen lid worden en is er aandacht voor de geschiedenis van de stad, maar ook ieder kerkdorp van Weert.” Als mijlpalen noemt Peter het Van Hornejaar in 2018, het ruiterstandbeeld in het kasteelpark, de stamtafel Weert, bal–champêtre en de succesvolle cultuurhistorische zomeractiviteiten Gluren bij de Buren. Bijzonder is ook dat het eerder uitgegeven boek over Antje van de Statie de basis vormt voor Antje de Musical komende mei.
Laagdrempelig
De kracht van De Aldenborgh is de combinatie van inhoudelijk goede evenementen en de sociale cohesie binnen de club. “We zijn laagdrempelig. Vrijheid, blijheid en na afloop wordt er nog gezellig nagepraat aan de bar. Zolang er Weertenaren zijn, blijft De Aldenborgh bestaan.”
De Aldenborgh viert het 85-jarig jubileum op 15 januari met een feestdiner voor de leden. Op 10 maart is het theaterprogramma in het Munttheater en op 25 en 26 mei de tweedaagse excursie naar Ieper (Eerste Wereldoorlog) en de viering van het 500ste geboortejaar van Filips van Montmorency op kasteel Ooidonk in Deinze. (Bron: ViaWeert 10-01-2024).
Het geschied- en oudheidkundig genootschap de Aldenborgh herdenkt dit jaar dat het 85 jaar geleden in hotel De Engel aan de Korenmarkt te Weert is opgericht. Het jubileumjaar werd op 15 januari jl. geopend met een feestelijke avond met diner bij Brasserie-Hotel Antje van de Statie.
De koks hadden zich bij de gerechten laten inspireren door een menu, dat 6 september 1937 werd gereserveerd ter gelegenheid van een bezoek van leden van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap (LGOG) aan Weert.
Welkomstwoord
De 150 gasten werden door bestuursleden van de Aldenborgh verwelkomd en naar de voor hen gereserveerde plaatsen begeleid. Voorzitter Peter Korten heette de gasten welkom en zei blij te zijn met de geweldige opkomst: een volgeboekt huis en een blijk van belangstelling voor de eigen historie en cultuur.
Hij heette in het bijzonder welkom pater Gerard Heesterbeek, franciscaan, Raymond Vlecken, burgemeester van Weert, Jacques van Rensch en Jos Schatorjé, voorzitter resp. vicevoorzitter van het Koninklijk LGOG, Lei Ramakers, de vaste buschauffeur bij excursies van de Aldenborgh, Arjanne van Voorst, beheerster van de website en de koks Paul Silverentand en Emmanuel Mertens.
Vervolgens gaf hij het woord aan pater Heesterbeek en burgemeester Vlecken om de opening van de feestavond te verrichten. Burgemeester Vlecken liet de eer om als eerste te spreken over aan de vertegenwoordiger van de geestelijke stand.
De openingstoespraken
Pater Heesterbeek opende met de Franciscaanse groet: pace et bene (vrede en alle goeds). Hij was op verzoek van Peter Korten in vol ornaat, de bruine Franciscaner pij, een langzamerhand verdwijnend verschijnsel in het straatbeeld van Weert, waar de Franciscaner orde zich in 1461 had gevestigd.
V. l. n. r.- pater Heesterbeek, burgemeester Vlecken, voorzitter Korten
Wat betreft burgemeester Vlecken onthulde hij dat die in zekere zin ook een franciscaan is. Hij heeft immers zijn middelbare schoolopleiding genoten op het Bernardinus te Heerlen, van oorsprong een school van de franciscaanse broeders. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en wenste het genootschap succes en een mooie toekomst. Burgemeester Vlecken bevestigde dat hij franciscaans bloed in de aderen had. Hij feliciteerde de Aldenborgh met zijn jubileum en benadrukte het belang van de Aldenborgh voor de Weerter gemeenschap.
Kort na zij benoeming als burgemeester van Weert had hij op een bijzondere manier kennis gemaakt met de Aldenborgh. Hij had een uitnodiging gekregen om het ruiterstandbeeld van Philips de Montmorency in Bocholt op te halen. Uiteraard had hij gevolg gegeven aan de uitnodiging. Het beeld werd met een huifkar in Bocholt opgehaald. Behalve het beeld werden er ook enkele kratten gekoeld bier van de plaatselijke brouwerij aan boord gehesen. Tot zijn schrik bemerkte hij dat het bier snel op was en dat er bij de tocht naar Weert nauwelijks rekening werd gehouden met verkeersregels; en dat met hem als eerstverantwoordelijke voor openbare orde en veiligheid aan boord. Er waren bijvoorbeeld geen verkeersregelaars ingeschakeld. Peter Korten merkte op dat dat wel het geval was. nl. de schutterij van Bocholt, hetgeen tot enige hilariteit bij de gasten leidde. Maar de tocht verliep verder “vleckeloos”.
Het menu
Meesterkok Emmanuel Mertens
Meester-kok Emmanuel Mertens, geboren en getogen in het pand van Antje van de Statie, gaf een toelichting op het menu.
potage à la reine
Het voorgerecht: potage à la reine (koninginnensoep), oorspronkelijk gemaakt van paddenstoelenbouillon, gevogeltebouillon en amandelbouillon met groente. Deze avond staat een wat eenvoudiger potage à la reine op het menu.
rundertong
Het hoofdgerecht: rundertong of parelhoen. Rundertong wordt beschouwd als orgaanvlees maar is in feite spiervlees. De tong van een rund is immers de hele dag in beweging.
parelhoen
stoofpeertje met ganache en ijs
Het parelhoen is klaargemaakt op de wijze van Coq au vin. Het dessert: een stoofpeertje met ganache, zacht van structuur, en vanille-ijs.
De heildronk op 85 jaar de Aldenborgh.
Na het uitbrengen van een heildronk opende Peter Korten de tafel, niet met een uitgebreid gebed zoals vroeger gebruikelijk was maar met een citaat van de legendarische pater Willem Sangers: “Heer, ge weet hoezeer wij u beminnen, laat ons daarom maar snel beginnen”.
De Rogstaekers
Na de potage werden de gasten verrast met een bezoek van de 78ste Stadspreens Ruud I – kleinzoon van Daan Tuuënisse vanne Binnenmuuële – van De Rogstaekers met gevolg waaronder Vorst Jasper Heesakkers.
De Rogstaekers in vol ornaat
Na het belang van De Aldenborgh als hoeder van het cultureel erfgoed benadrukt te hebben, onderscheidde de Rogstaekersprins Peter Korten met de Orde vanne Boonte Muuële. Peter overhandigde daarna een exemplaar van het boek “Parel van de heide” van Frits Nies aan de prins.
Bart Maes, President van de Samenwirkende Limburgse Vastelaovesvereniginge (S.L.V.), bracht naar voren dat in 1619 in Weert al vastelaovend gevierd werd. En nu, in 2024, is Weert de opvolgster van Keulen als Carnavalshoofdstad van Europa. Ook het S.L.V. verleende Peter Korten een onderscheiding van groot formaat.
De sectie Oeganda
De sectie Oeganda van de Aldenborgh
Vervolgens werden foto’s getoond met Jean Kiggen, een jongen uit Laar, die na zijn priesterwijding naar de missie in Oeganda is vertrokken. De bevolking van Weert bleef hem steunen en zorgde zelfs voor een kapelboot op de Nijl. Pater Jean Kiggen leek in het tijdperk van Amin Idi in vergetelheid te zijn geraakt te zijn. Gebleken is echter dat zijn naam in Oeganda nog voortleeft in de Fr. John Kiggen Memorial Colleges. Recent is zelfs ontdekt dat de Aldenborgh ook in Oeganda een afdeling heeft.
Deze sectie Oeganda feliciteerde in een filmpje met een enthousiaste, levendige dans de Weerter Aldenborgh met zijn 85-jarig jubileum.
Een danser droeg daarbij een bord met een in foutloos Wieërts geschreven felicitatieboodschap. Ze zouden zo lid kunnen worden van Veldeke Wieërt. Aan de uitspraak van het woord “gruuëts” moet nog wel wat aandacht worden besteed.
Nota Bene: het bestuur van de Aldenborgh overweegt om leden van de sectie Oeganda uit te nodigen voor het volgend jubileumdiner. De bestuursleden aarzelen nog over een bezoek aan Oeganda, bevreesd als zij zijn dat ze daarhalfnaakt een dans moeten opvoeren.
De tafelredenaars
Een drietal “tenoren”- beter gezegd “nestoren” – van de Aldenborgh hield tussen de gangen door korte causerieën.
Herman Mathijsen
Mr. HermanMathijsen vertelde dat hij in 1964 lid was geworden nadat hij in 1963 een
lezing had gehouden over de Sint Martinuskerk. Zijn hobby is genealogie. Hij verhaalde hoe hij in verloren gewaande familiearchieven van de adellijke familie de Riquet de Caraman die een speciale band met Weert heeft, onderzoek heeft gedaan. Deze familie verkocht in 1841 de ruïne van kasteel de Nijenborgh aan Louis Beerenbroek, voormalig burgemeester van Weert.
Ook hij onderstreepte het belang van de Aldenborgh voor Weert. Verder bracht hij enkele desiderata voor verder onderzoek naar voren, zoals dat naar het Frans kadaster. Hij pleitte ook voor het bewaren en toegankelijk maken en houden van het oeuvre van Emile Haanen. Peter Korten kon hem wat dat laatste betreft geruststellen.
Thijs Stultiëns
Mr. Thijs Stultiëns vertelde over het drukke leven van zijn vader als “köster” van de Sint Martinuskerk. Door de week waren er s`ochtends drie missen, om 6.30 uur, om 7.30 uur de kindermis en om 8.15 of 9.00 uur nog een mis. Vaak werden die dan gevolgd door een begrafenis- en/of huwelijksmis.
Begrafenismissen werden soms snel opgevolgd door huwelijksmissen. Het was dan een uitdaging om de parafernalia van de begrafenismis op te ruimen en voor de huwelijksmis de loper van het altaar tot de kerkdeur rimpelloos uit te rollen.
Er vonden ook nog zogenaamde stille missen in de zijkapellen plaats. Die werden opgedragen door priesterleraren van het Bisschoppelijk College en door missionarissen die tijdelijk in Weer verbleven. `s Middags was er haast iedere dag om 15.00 uur een doopplechtigheid en om 17.00 uur een lof.
`s Zondag begonnen de missen iets later en was er om 9.15 uur een plechtige hoogmis met drie heren, gevolgd door stille missen met preek. Aan priesters was er in die tijd geen gebrek. De taken van de koster waren onder meer het klaarleggen van de misgewaden en het heilig vaatwerk (kelk, pateen, ciborie), inspectie van het kerkgebouw en ophalen van de gezinsbijdragen. De scheiding tussen kerk en staat was in Weert niet helemaal doorgevoerd: de priesters kregen een stipendium van de gemeente.
Alfons Bruekers
Ir. Alfons Bruekers hield een verhaal met als titel: “Nog lang niet uitgeteld”. Als vroeger iemand de leeftijd van 80 jaar bereikt had, hield men op met tellen. Zo`n leeftijd kwam nauwelijks voor. Een dergelijk persoon werd octogenarius genoemd, ongeacht hoeveel jaren hij boven de 80 was. Dat gold niet voor de Aldenborgh. Die was het aan zijn stand als historische vereniging verplicht de juiste leeftijd bij te houden.
Hij vertelde dat de Nederweertenaren, die zich met vastelaovend Pinmaekers noemen, de uitvinders van de kalender waren. Als zij vroeger in de Peel turf gingen steken, staken zij iedere dag een houten pin in de gestoken turf. Als er zeven pinnen gestoken waren, was het zondag en tijd om naar de kerk te gaan.
Veel verder ging de telkunst in Nederweert blijkbaar niet, want bij de viering van een aantal jubilea in Nederweert zat men er wel eens flink naast, zoals bij de viering van 100 jaar aanwezigheid van de zusters Franciscanessen en de viering van 100 jaar muziekbeoefening. Ook de datering van de eerste steen van de Sint Lambertuskerk leverde de nodige jaartallen op.
In 1933 ontstond er in Nederweert een conflict tussen twee jonge vaders over het antwoord op de vraag wiens kind de 7000ste inwoner van de gemeente Nederweert was. De 7000ste inwoner zou een spaarbankboekje met 25 gulden krijgen. De vraag was wat telde: het tijdstip van de geboorte of van de geboorteaangifte bij de gemeente. Burgemeester Van Uden besliste dat het tijdstip van de aangifte doorslaggevend was. Dat viel bij de vader, wiens kind het spaarbankboekje misliep, niet in goede aarde. De kwestie liep zo hoog op dat er met een hagelgeweer op de burgemeester, die in zijn blote bast voor een raam stond, werd geschoten. Hij overleefde die aanslag maar wel met een enigszins korrelig lijf.
Alfons sloot af met drie conclusies:
1. tellen lijkt niet de sterkste kant van inwoners van het Land van Weert;
2. maar dat geldt niet voor de Aldenborgh. Die kan wel goed tellen;
3. de Aldenborgh als octogenarius-plus is springlevend en nog lang niet uitgeteld.
De jubilarissen
Na het voortreffelijk dessert was het woord aan mr. dr. Jacques van Rensch, voorzitter van het LGOG. Hij prees zich gelukkig een groot aantal leden van het LGOG te mogen feliciteren met hun langjarig lidmaatschap van het LGOG. Hij spelde hen een LGOG -speldje op voor hun 25, 40 en 50-jarig lidmaatschap. Een bijzonder woord was er voor Herman Mathijsen. Die was 60 jaar lid, een zeldzaamheid. Zo zeldzaam dat er zelfs geen LGOG-speldje voor bestond. Het LGOG had daarom speciaal voor deze jubilaris een oorkonde laten vervaardigen, die hij aan Herman Mathijsen overhandigde.
Groepsfoto met de jubilarissen
De jubilarissen van het LGOG zijn:
60 jaar
mr. H.J.M.E. Mathijsen
50 jaar
F.W.J.H. van Tuel sr.
L.A.M. Stroekxs van den Broek
P.M. Roost
40 jaar
J. van Cauteren
H. LInskens
P.M.M. van Wegberg
A.M.G.C. van Wegberg-Veugen
H.P.B. Haex
F. Veugen
P.J.G.A. Hermans
25 jaar
A.H.M. Verheggen
G.J.E. van Diepen
J.H.M. Peeters
F.H.A. Peeters-Munnecom
Na het eerbetoon aan de jubilarissen eindigde de feestelijke en geslaagde avond, waarvan de bezoekers hebben genoten en goede herinneringen aan hebben overgehouden.
N.B. Veel dank aan het personeel van Antje van de Statie dat er op een voortreffelijke manier in geslaagd 150 gasten van heerlijke spijzen en dranken te voorzien.
Slot
De avond kan niet beter beschreven worden dan met de woorden in een reactie van een bezoeker uit het verre, kille Holland.
“Het was een geweldig feest, echt een groot feest. De organisatie was perfect, de toespraken humorvol en informatief. En het menu was een feest; 85 jaar geleden wisten ze hoe het moest en op 15 januari 2024 was dat nog altijd zo”.
Kaart met ligging Maxelt tussen Leveroy en Heythuysen rond 1850. Kadaster Apeldoorn
Maxet is een buurtschap, gelegen in de gemeente Leudal tussen Leveroy en Heythuysen, met verspreid liggende bebouwing. Maxet omvat het gebied ten westen van Heythuysen en ten oosten van Leveroy. In het noorden wordt het begrensd door de Leveroyse beek en in het zuiden door de Tungelroyse beek. Er wonen bijna 500 mensen.
Tussen 1850 en 1860 woonden er op Maxelt, zoals het in de 19de eeuw genoemd werd, 57 gezinnen. Van de beroepsbeoefenaren waren er 36 werkzaam in de landbouw, 13 dagloners, 1 scheper, 1 koopman, 2 linnenwevers, 1 klompenmaker en 1 smid. Maxet met omgeving telde toen ongeveer 450 inwoners.[1]
Wat gebeurde er in 1846 op Maxet?
Op 3 januari 1846 vond er op `s avond tussen half tien en twaalf uur een gewelddadige roofoverval plaats op de afgelegen boerderij van de familie Willekens op Maxet, een kleine kilometer ten noorden van Leveroy. Slachtoffers waren Jeanne Aan de Berg, weduwe van Jacob Willekens, haar zoon Mathieu Willekens, diens echtgenote Hélène Kirkels en hun knecht André Stempkens. De overvallers, vier mannen en een vrouw, hadden hun gezichten zwart gemaakt om herkenning te voorkomen.[2] Zij waren gewapend met pistolen, een geweer en een stok. De overvallers waren uit op de opbrengst van dertig eikenbomen die Mathieu Willekens had verkocht.
Nadat ze het huis van de familie Willekens waren binnengedrongen, knevelden zij de bewoners en bedreigden hen met de dood als zij ook maar het minste geluid zouden maken of zouden weigeren hen brood en geld te geven. Eenmaal binnen beroofden zij de familie van een groot aantal bezittingen. Rond vier uur `s morgens slaagde Mathieu Willekens erin zich van zijn boeien te ontdoen en zijn familieleden te hulp te schieten.
De buit
De volgende zaken werden door de overvallers buitgemaakt: drie broden, enkele appels, drie stuks linnen, een beddenlaken, een tafelkleed, een hemd, 27 Franse kronen, een bedrag ter waarde van ongeveer 40 Nederlandse guldens in munten van een, twee en vijf franken uit een kistje van de weduwe Willekens, wat geld dat de weduwe in een linnen zakje bewaarde, 7 stuks gezouten spek, 4 worsten die zij van de zoldering haalden, 3 munten van 5 francs, een paar zwarte linnen kousen van Mathieu Willekens, 2 gestreepte japonnen, een zilveren ring, koralen en zijden linten van de weduwe, een zilveren horloge, 3 francs, een zijden das en een aantal voorwerpen uit de slaapkamer van het echtpaar Willekens, 8 verschillende broden, andere levensmiddelen uit de kelder en een geweer dat zij in de keuken vonden.[3]
Pas na enige tijd werden na naarstig onderzoek onder leiding van een officier van Justitie van de rechtbank te Roermond drie personen opgespoord die verdacht werden van betrokkenheid bij de overval. Dat waren Jan Jacob Creutz of Cruytz, 46 jaar, geboren en wonende in Weert, van beroep dagloner, Johannes Timmermans, 25 jaar, geboren in Haarlem en wonende op Roeven, gemeente Nederweert, van beroep dagloner, en Catharina Smolenaars, 25 jaar, geboren te Weert en woonachtig op Leuken, gemeente Weert, van beroep arbeidster. Zij werden gearresteerd. De andere dieven bleven buiten bereik van Justitie.[4]
[i] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.
De zaak voor het Provinciaal Geregtshof in Limburg
De drie gearresteerde personen werden voor het Provinciaal Geregsthof in Limburg te Maastricht gedagvaard. De twee mannelijke verdachten werden beschuldigd van een gewapende overval in de nachtelijke uren met bedreiging van geweld door vijf personen op de familie Willekens op Maxelt; de vrouw van heling van gestolen goederen. Er waren niet minder dan 112 getuigen in de zaak opgeroepen, waarvan er er 108 werden verhoord. Het verhoor van de getuigen en de verdachten nam 10 dagen in beslag. De getuigen moesten van Maxet, Weert, Nederweert en omgeving naar Maastricht reizen; geen sinecure in die tijd zonder treinverbinding, auto en fiets.
Het Geregtshof deed op 7 juni 1847 uitspraak. Jan Jacob Creutz en Johannes Timmermans werden schuldig verklaard aan: “diefstal, gepleegd, bij nacht in een bewoond huis, door vijf personen, die zich zwart hadden gemaakt en waarvan er vier openlijk wapenen bij zich droegen, en zulks met geweldoefening en bedreiging van hunnen wapenen te gebruiken”. De omstandigheden waaronder de diefstal had plaatsgevonden, waren van groot belang in verband met de strafmaat. De veroordeling vond plaats op grond van artikel 381 van het Wetboek van Strafregt: diefstal met vijf verzwarende omstandigheden.
Jan Jacob Creutz die reeds eerder een aantal malen was veroordeeld wegens diefstal, smokkelarij en mishandeling, werd veroordeeld tot de doodstraf, uit te voeren door middel van de guillotine binnen de stad Maastricht. Johannes Timmermans kwam er iets genadiger vanaf. Hij werd veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken met de letters T.P. [5] Catharina Smolenaars werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan de diefstal door het bewust helen van een gedeelte van de gestolen voorwerpen. Zij werd veroordeeld tot vijf jaren dwangarbeid.[6] Volgens het Algemeen Handelsblad hadden de veroordeelden het vonnis met klaarblijkelijke onverschilligheid aangehoord en te kennen gegeven in cassatie te zullen gaan.[7]
De zaak voor de Hoge Raad
Zoals ze al bij het Provinciaal Geregtshof hadden aangekondigd, tekenden Creutz en Timmermans cassatieberoep bij de Hoge Raad aan tegen hun veroordeling.
Namens Creutz werd naar voren gebracht dat de uitspraak van het Geregtshof niet geheel overeenstemde met de tenlastelegging. Die behelsde niet alleen diefstal met verzwarende omstandigheden maar ook medeplichtigheid daaraan. In de uitspraak van het Geregtshof was die medeplichtigheid niet vermeld. De Hoge Raad was van mening dat dit een futiliteit was. Het zou ongerijmd zijn als op basis daarvan de uitspraak van het Geregtshof vernietigd zou worden.
Namens Timmermans werd bezwaar gemaakt tegen de overweging van het Geregtshof dat volgens verklaringen van meerdere getuigen Timmermans, die een onechte zoon van de vrouw van Creutz was, veel omgang met Creutz had gehad en ook meermalen in het huis van Creutz was gezien. De Hoge Raad was van mening dat nu de overweging op meerdere getuigenverklaringen berustte, er sprake was van wettig bewijs. Het cassatieberoep van beide heren werd op 28 september 1847 verworpen.[8] Daarmee werden de straffen definitief.
De tepronkstelling van de veroordeelden
Op 30 april 1848 werden Jan Jacob Creutz uit Weert, Johannes Timmermans uit Nederweert en Catharina Smolenaars uit Weert op het Marktplein te Maastricht te pronk gesteld. De doodstraf van Jan Jacob Creutz was bij Koninklijk Besluit van 8 april 1848 omgezet in eeuwigdurende dwangarbeid en een uur tepronkstelling.
In de het Wetboek van Strafregt stond dat dat een tot dwangarbeid veroordeelde alvorens zijn straf te ondergaan gedurende een uur op een openbare plaats te pronk gesteld moest worden. Boven het hoofd van de veroordeelde moest een bord geplaatst worden waarop met grote, leesbare letters zijn naam, beroep, woonplaats, misdaad en straf vermeld waren. De tepronkstelling had een dubbele functie. Op de eerste plaats was het de bedoeling dat de veroordeelde publiekelijk werd vernederd en te schand gezet. Het publiek kon de veroordeelde beschimpen of op een andere wijze van zijn afkeer doen blijken. Op de tweede plaats moest er een afschrikwekkende werking voor de burgers van uit gaan en een aansporing om zich aan de wet te houden.
Voorbeeld van een tepronkstelling. Avgb.be
Bleven de andere verdachten buiten schot?
Zoals we gezien hebben, waren er aanvankelijk maar drie van de daders van de gewelddadige overval op 3 januari 1846 op Maxet opgepakt en veroordeeld. De overige daders bleven behoorlijk lang uit handen van Justitie maar uiteindelijk werden zij ook opgepakt. Het gerucht ging dat zij verraden waren door de veroordeelden.
Op 19 april 1849, meer dan drie jaar na de overval, stonden voor het Provinciaal Geregtshof te Maastricht terecht: Jacobus Smolenaars, een broer van de reeds veroordeelde Catharina Smolenaars, Mathea Feijen, echtgenote van Johannes Timmermans, en haar moeder Elisabeth Feijen. Er waren 32 getuigen opgeroepen.
Het Geregtshof veroordeelde Jacobus Smolenaars, orgelspeler uit Nederweert, tot eeuwigdurende dwangarbeid, tepronkstelling en brandmerken wegen nachtelijke diefstal met geweld, gepleegd door meer gewapende personen in een bewoond huis. Mathea Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, werd veroordeeld tot vijf jaar opsluiting en tepronkstelling wegens medeplichtigheid aan de diefstal.
Diezelfde straf kreeg Elisabeth Feijen, zonder beroep, uit Nederweert, ook wegens medeplichtigheid. Op 4 november 1849 vormde de Grote Markt te Maastricht de schouwplaats voor de tenuitvoerlegging van de tepronkstelling van deze drie veroordeelden.[9] Het brandmerken van Jacobus Smolenaars vond niet plaats omdat koning Willem II hem daarvoor gratie had verleend.
De relatie tussen de veroordeelden
Johannes Timmermans is op 3 augustus 1820 te Haarlem geboren als onwettige zoon van de ongehuwde Petronella Timmermans, geboren op 13 mei 1798 op Roeven, Nederweert. Petronella is op 30 augustus 1826 te Bloemendaal getrouwd met Jan Jacob Creutz, geboren op 6 mei 1801 te Weert.[10]
Johannes Timmermans is op 4 februari 1846, een maand na de roofoverval, te Nederweert getrouwd met Mathea Feijen, geboren op 1 september 1820 te Nederweert, een onwettige dochter van Elisabeth Feijen.
Jacobus Smolenaars is geboren op 7 april 1818 op Leuken, Weert; zijn zus Catharina Smolenaars is geboren op1 juli 1821 op de Moosdijk te Weert. Uit eerder vermelde gegevens blijkt dat de overval op Maxet een aangelegenheid was van twee families.
Hoe ging het verder met de veroordeelden?
Jan Jacob Creutz, Jacob Smolenaars en Johannes Timmermans waren, zoals we gezien hebben, veroordeeld tot eeuwigdurende dwangarbeid, in de praktijk langdurige dwangarbeid. Zij moesten deze straf ondergaan in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging te Leeuwarden.
De leefomstandigheden in deze overbevolkte gevangenis waren zwaar. Dat was overigens niet alleen het geval in Leeuwarden maar ook in andere gevangenissen en arresthuizen. Zo klaagde de commandant van het Huis van Reclusie en Tuchtiging in Leeuwarden in 1849 over de “steeds voortdurende armoedige en ziekelijke toestand der gevangenen, die van elders werden aangebragt” en “de bedoelde gevangenen zijn allen zonder onderscheid, door ongedierte geteekend en bovendien door koude en ontbering zoodanig verzwakt dat velen hunner, dadelijk na aankomst, in de ziekenzalen moeten worden opgenomen”.[11] In 1849 waren er op 31 december 818 gevangenen in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging in Leeuwarden ondergebracht. In dat jaar waren er 100 overleden.
De vrouwelijke veroordeelden, Elisabeth Feijen, Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, zijn op 16 november 1849 ingesloten in de gevangenis te `s Hertogenbosch en een dag later overgebracht naar de vrouwengevangenis te Gouda.
Jan Jacob Creutz heeft niet lang in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging doorgebracht. Hij is daar op 50-jarige leeftijd op 28 april 1852 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij arbeider was, geboren en wonende te Weert en dat overigens niets van hem bekend was.
Overlijdensakte Johannes Timmermans. Bron- https-::allefriezen.nl
Ook Johannes Timmermans heeft niet lang in de gevangenis gezeten. Hij is daar op 22 juli 1854 overleden. In de overlijdensakte staat dat hij dagloner was, geboren te Haarlem en wonende te Weert, dat hij de man van Mathea Fee (!) was en dat hij een zoon was van Petronella Timmermans, arbeidster, woonachtig te Weert.
Jacobus Smolenaars is eveneens overleden in het Huis van Opsluiting en Tuchtiging en wel op 4 maart 1852. In de overlijdensakte staat dat hij orgelspeler was, geboren in Weert en wonende te Nederweert, en dat er verder niets van hem bekend was.
Elisabeth Feijen moest, evenals haar dochter Mathea Feijen en Catharina Smolenaars, haar straf ondergaan in de speciale vrouwengevangenis in Gouda. De leefomstandigheden daar waren uitermate slecht. Er was sprake van overbevolking; de vrouwen sliepen in hangmatten in drie rijen boven elkaar met weinig ruimte en zonder verlichting.
Men had ook te maken met ongedierte en stank van een open riool vlakbij de gevangenis. Het was er `s winters zeer koud en `s zomers erg warm. In 1847 overleden er als gevolg van de hitte 300 gevangenen.[12] Ook Elisabeth Feijen heeft het verblijf in de gevangenis niet overleefd. Zij is op 30 maart 1850 op 56-jarige leeftijd overleden in de vrouwengevangenis te Gouda. Zowel van Mathea Feijen als van Catharina Smolenaars heb ik geen gegevens gevonden hoe het hen verder is vergaan.
Epiloog
Misdaad loont niet. Dat gezegde heeft zeker gegolden voor de overvallers op de boerderij van Willekens op Maxet in 1846. De meeste daders hebben hun daad uiteindelijk met de dood moeten bekopen, zij het niet op het schavot maar in de gevangenis.
————————————————————————————————————————————————–
Dank aan Alfons Bruekers voor het kritisch beoordelen van een eerdere versie en het geven van nuttige adviezen.
[4] In het Franstalige Journal du Limbourg van 11 januari 1847 stond (vertaald) hierover: “Het zou werkelijk een geluk zijn als men alle daders zou kennen. Diefstallen en berovingen komen zo veelvuldig voor in het kanton Weert dat de lokale autoriteiten zich genoodzaakt hebben gezien de hulp in te roepen van een detachement van het garnizoen van Roermond om de orde in Weert en omgeving te handhaven”.
[5] Als bijkomende straf werd een tot eeuwigdurende dwangarbeid veroordeelde op een publieke plaats met een gloeiend ijzer op de rechterschouder gebrandmerkt met de letters T.P.. Deze letters staan voor travauxperpétuels: de Franse woorden voor eeuwigdurende dwangarbeid.
[6] Weekblad van het regt, 17 juni 1847.
[7] Algemeen Handelsblad, 10 juni 1847.
[8] Weekblad van het regt, 28 november 1847.
[9] Journal du Limbourg, 4 november 1849.
[10] Jan Jacob Creutz en Petronella Timmermans waren binnenlandse arbeidsmigranten. Zij werkten als blekersknecht resp. blekersmeid in de regio Haarlem. Voor meer informatie: www.keesfloor.nl wimmenum, Blekerijen, en “Parel van de heide…in de 19de eeuw”, Frits Nies, pag. 56.
De Mildert is een kleine buurtschap gelegen in het uiterste zuiden van de gemeente Nederweert, redelijk ver verwijderd van andere kernen in die gemeente. De dichtstbijzijnde ´grotere` plaats is Swartbroek in de gemeente Weert. Bij onderzoek in kranten en tijdschriften uit de 19de eeuw zijn weinig bijzondere zaken over De Mildert naar voren gekomen.
Ik beperk me tot een gebeurtenis in 1891, die consternatie in de kleine gemeenschap veroorzaakte. Hoewel in feite een onbeduidend fait divers besteedden landelijke en regionale kranten daar aandacht aan.
Foto: Gemeente Nederweert 1866 met beneden Mildert. Kuyperkaart
Wat was die consternatie veroorzakende gebeurtenis?[1]
De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891.
Volgens de Nieuwe Koeriervervoegde zich op 5 november 1891 tegen de avond een vreemdeling bij het huis van de 57-jarige weduwe Van Gelooven, landbouwster op De Mildert.[2] Hij gaf door gebaren te kennen dat hij honger had. De vrouw gaf hem een flinke boterham. Hij wierp zich voor de vrouw op de knieën. Deze schrok daarvan zo hevig dat zij naar buiten liep en om hulp riep. Enkele buren kwamen op het geschreeuw af, zetten de onbekende buiten de deur en dienden hem een paar oorvijgen toe.
Vervolgens bonden ze hem vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee van Weert haastte zich naar de Mildert waar zij de vreemdeling vastgebonden aan de boom aantroffen. Zij maakten hem los en namen hem mee naar Weert. Hoewel niemand hem kon verstaan, bleek uit zijn papieren dat hij Weranof heette en uit Rusland of Polen afkomstig was. Hij was op reis naar Amerika. De passagebewijzen voor de overtocht had hij bij zich. Hij werd richting Antwerpen gedirigeerd.
De Maas- en Roerbode schetste een ietwat ander beeld van de gebeurtenissen. Nadat de vrouw hem een boterham had gegeven, greep hij een kopje en schepte wat melk uit een bij het vuur staande roompot. De vrouw zei dat hij dat niet mocht doen. Toen bedreigde hij haar met een mes en wilde haar grijpen. De vrouw ontvluchtte hem en riep de buren om hulp. Een paar stevige kerels grepen hem vast en bonden hem aan een boom. De marechaussee uit Weert werd ontboden. Die bracht hem dezelfde avond geboeid naar Weert. De aanrander droeg in de mouw van zijn jas twee messen.
De Mildert (Millert) rond 1898. Het merendeel van de bebouwing lag ten zuiden van de spoorlijn Weert – Roermond. Kadaster Apeldoorn [3]
In de Maasbodewerd een bericht aangehaald dat uit Swartbroek naar de Limburger Koerier was gestuurd. Volgens dat bericht werd het anders zo vreedzame gehucht Swartbroek in rep en roer gebracht door een persoon die aan een vrouw een stuk brood vroeg.
De vrouw gaf hem wat brood en nadat hij dat verorberd had, wilde hij de vrouw aanpakken. Deze begon te schreeuwen, waarop meerdere buren te hulp kwamen. Maar de man wilde die ook te lijf gaan, maar dat werd hem verhinderd. Omdat niemand de man verstond en men meende dat hij de vrouw, die hem het brood had gegeven, wilde mishandelen, gaf men de arme man een flink plak slaag en bond hem daarna vast aan een boom. De gewaarschuwde marechaussee uit Weert nam de vreemde sinjeur mee.
Stationsgebouw Vlodrop bij de afbraak. Bron: Roerstreekmuseum
Bij het onderzoek bleek dat de vreemdeling een Russische uitgewekene was, die op weg was naar Amerika.[4] Hij had om een of andere reden de trein in Vlodrop verlaten[5] en was te voet op weg naar Antwerpen.[6] Op die reis was hij uitgehongerd en vermoeid te Swartbroek gekomen.
Om zijn dank aan de vrouw, die hem brood had gegeven, te betuigen had hij naar Oosterse gewoonte de voeten van de vrouw willen kussen en zich voor haar op de knieën geworpen.[7] Ook te Weert had hij dat herhaaldelijk gedaan toen men hem daar eten en wat geld gegeven had. De man zou over de grens gebracht worden.
Kaart met De Mildert, Swartbroek, Kelpen en Leveroy rond 1891. Kadaster Apeldoorn
Hoewel de inhoud van de krantenberichten verschillend is, meen ik dat de gebeurtenis heeft zich afgespeeld op De Mildert en niet in Swartbroek.[8] Mogelijk is de vermelding van Swartbroek een gevolg van het feit dat De Mildert dichter bij Swartbroek ligt dan bij andere dorpen zoals Leveroy, waar het kerkelijk toe behoorde.
Met het over de grens zetten van de Rus eindigde de gebeurtenis, die in november 1891 voor consternatie op De Mildert gezorgd had.
Bronnen
[1] De beschrijving van deze gebeurtenis is met name gebaseerd op berichten in de Nieuwe Koerier van 7 november 1891, de Maas- en Roerbode van 7 november 1891 en de Maasbode van 12 november 1891. Met dank aan Alfons Bruekers, die mij erop attendeerde dat de gebeurtenis op De Mildert heeft plaatsgevonden en niet in Swartbroek, zoals enkele kranten meldden.
[2] De weduwe is Maria Elisabeth Kuppens (gemeente Nederweert, 24 februari 1834 – gemeente Nederweert, 11 oktober 1901), gehuwd op 30 april 1862 te Nederweert met Petrus Joannes van Gelooven (Hunsel, 5 maart 1824 – gemeente Nederweert, 23 januari 1881).
[3] Na de aanleg van het kanaal Wessem-Nederweert in 1929 kwam de bebouwing van De Mildert ten oosten van dat kanaal te liggen.
[4] Mogelijk was deze man een van de vele Russische Joden die in het antisemitische, tsaristische Rusland na de verdrijving van de Joden medio 1891 uit Moskou en andere grote steden hun heil probeerden te zoeken in de Verenigde Staten.
[5] Buiten Vlodrop lag toendertijd een treinstation, Vlodrop Statie, aan de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en Rheidt in het Ruhrgebied. De Mildert ligt aan de IJzeren Rijn, aangelegd tussen 1875 en 1879. Mogelijk dat de Rus op weg naar Antwerpen vanaf Vlodrop Statie het tracé van de spoorlijn heeft gevolgd.
[6] Naast Rotterdam was Antwerpen een belangrijke vertrekhaven voor emigranten (landverhuizers) naar de Verenigde Staten. Een belangrijke rederij voor het vervoer van landverhuizers was de Red Star Line. Een kwart van die landverhuizers bestond uit Joden.
[7] Een in onbruik geraakte Nederlandse uitdrukking is “iemand de voet kussen”.: onderdanig zijn, iemand als zijn meerdere erkennen. De paus wast en kust op Witte Donderdag als teken van nederigheid de voeten van mensen die het niet zo goed getroffen hebben in de maatschappij, in navolging van Christus bij het laatste avondmaal.
[8] Dat er een nauwe relatie tussen Swartbroek en De Mildert bestond moge ook blijken uit de overeenkomst die de gemeenten Weert en Nederweert in 1899 sloten op grond waarvan kinderen van De Mildert werden toegelaten tot de openbare school te Swartbroek.